terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Ravage, 8-6-2001      

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

'Profijt van principes' of 'Met principes geen profijt'?

door:
Lousco

Steeds meer mensen vinden dat het bedrijfsleven maatschappelijk verantwoord dient te produceren. De nederlandse regering vindt dit ook, maar wil het bedrijfsleven nergens toe dwingen. Omdat deze zelfregulering nergens toe leidt, zetten verschillende NGO's en campagnes het bedrijfsleven met acties onder druk.

In Nederland staat maatschappelijk verantwoord ondernemen dankzij groeiend maatschappelijk verzet tegen de liberalisering van de wereldhandel inmiddels op de politieke agenda. Concrete stappen blijven vooralsnog uit. De politiek twijfelt over wel of geen verplichte gedragscodes of wetgeving voor maatschappelijk verantwoord ondernemen door transnationale bedrijven al dan niet op nationaal niveau. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is toch in de eerste plaats een zaak van de ondernemingen waar de overheid zich vooral niet mee moet bemoeien?
Ondertussen gaan grote bedrijven gewoon hun gang en probeert alleen de kritische consument hen, dankzij de inspanningen van organisaties zoals Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen, Schone Kleren Kampagne, Amnesty International en anderen terug te fluiten.
Diverse NGO's zijn al jaren bezig om de politiek en het bedrijfsleven onder druk te zetten en een duurzame investeringspolitiek af te dwingen. In hun lobby naar de politiek vinden de NGO's enige houvast in de verschillende internationale verdragen en afspraken die er de afgelopen jaren zijn ontstaan en waaraan het bedrijfsleven zich behoort te houden. Zoals de VN verklaring voor de Rechten van de Mens, de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de elementaire arbeidsnormen van de International Labour Organisation.

Gedragscodes
Maar de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat verder dan dat. Geïnitieerd vanuit de maatschappij is er de afgelopen jaren een veelvoud aan gedragscodes ontstaan. Allerlei organisaties hebben onafhankelijk van elkaar richtlijnen geformuleerd die bedrijven ter harte zouden moeten nemen om te voldoen aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Amnesty voert al enige jaren de zogeheten 'Ronde Tafelgesprekken' over maatschappelijk verantwoord ondernemen met de regering en het bedrijfsleven. De Schone Kleren Kampagne richt zich vooral direct op bedrijven middels protestacties en Max Havelaar is het modelvoorbeeld van eerlijke en duurzame handel. Al met al hebben dergelijke activiteiten er in Nederland tot nu toe voor gezorgd dat steeds meer bedrijven zich gedwongen voelen om mondjesmaat verantwoording af te leggen over hun beleidsvoering.
Vooral uit bedrijfseconomisch belang, om schade aan de eigen reputatie te voorkomen, staan steeds meer bedrijven in discussie met maatschappelijke organisaties om gedragscodes te ontwikkelen ten behoeve van hun beleid. Een beetje bedrijf heeft en moet zich, wil het de maatschappelijke kritiek en de internationale media overleven, wel een 'groen' imago aanmeten. In hoeverre dit - met of zonder misleidend etiket - ook op papier staat en vooral of het de praktijk van het doen en laten van een bedrijf ook echt weerspiegelt en waarborgt, blijft de vraag. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is vrijwillig en structurele en onafhankelijke controle op naleving is er niet.

Manifest
In november 2000 kwam de Sociaal Economische Raad (SER) op verzoek van het ministerie van Economische Zaken met een ontwerpadvies over maatschappelijk verantwoord ondernemen, 'De winst van waarden' geheten. Hierin adviseert de SER dat overheidsbemoeienis met het bedrijfsleven op dit gebied niet wenselijk is. De SER is van mening dat slechts in het uiterste geval de overheid zou mogen ingrijpen door middel van het opstellen van regels om bedrijven te herinneren aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het vastleggen van regelgeving rond verantwoord ondernemen zou contraproductief werken omdat het de verantwoordelijkheid bij de individuele bedrijven zou weghalen. Bedrijven zouden zich vanzelf wel uit de markt prijzen wanneer zij niet investeren in de eigen reputatie, zo stelt de SER.
In een reactie hierop, overhandigden verschillende NGO's in februari 2001, nog voor het kamerdebat over verantwoord ondernemen zou plaats vinden, het door hen opgestelde manifest 'Profijt van Principes' aan de regering. Dit manifest handelt over de vereiste relatie tussen mensenrechten en transnationale bedrijven en heeft hiertoe de spelregels opgeschreven. Het manifest is ondertekend door bijna zestig NGO's.
Amnesty, de Landelijke India Werkgroep, SOMO, Novib, Hivos en alle anderen, zien juist wél een belangrijke taak weggelegd voor de politiek aangaande het maatschappelijk verantwoord ondernemen van het Nederlandse bedrijfsleven in het buitenland. Deze taak behelst volgens de NGO's vooral het actief stimuleren van internationaal beleid en bindende regelgeving voor internationaal opererende bedrijven. Zolang die er niet is, vinden zij dat de regering - bij wijze van voorbeeld - alvast moet komen tot een Nederlandse modelgedragscode voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en het ontwikkelen van controlerende indicatoren op basis van die gedragscode.
Mede onder druk van dit breed gedragen manifest van NGO's kwamen PvdA en GroenLinks met een initiatiefwetsontwerp tot verplichte rapportage van internationaal opererende bedrijven inzake hun gevoerde sociaal- en ecologische beleid. Het voorstel werd in het kamerdebat over verantwoord ondernemen op 30 maart jl. door een meerderheid afgewezen. Men voelt meer voor het opvolgen van het SER-advies. Maatschappelijk verantwoord ondernemen moet zich vanuit de maatschappij en het bedrijfsleven zelf ontwikkelen, de politiek moet bedrijven hierin slechts ondersteunen maar vooral niets opleggen.

Slap
Ineke Zeldenrust van de Schone Kleren Kampagne (SKK), die het manifest mede heeft ondertekend, vindt het een "slap regeringsstandpunt". "Iedereen is het er eigenlijk wel mee eens, maar ondertussen gebeurt er niets. Het Manifest heeft laten zien dat de roep om verantwoord ondernemen heel breed gedragen wordt en dan nóg wil de overheid niks doen!"
De SKK houdt zich zowel bezig met lobbyen bij de regering, als directe druk op bedrijven via campagnes en protestacties. Daarnaast helpt de organisatie een flink aantal bedrijven en bedrijfsorganisaties met het opzetten van systemen om de gedragscodes, mits die voldoen aan de minimale eisen die SKK hieraan stelt, in de praktijk uit te voeren. In Nederland heeft SKK op dit moment een overeenkomst met de brancheorganisaties van het midden- en kleinbedrijf van kleding en textiel. Daarnaast loopt een soort van proefproject met een aantal bedrijven die bij de brancheorganisatie is aangesloten om samen met NGO-partners in de productielanden ter plekke te proberen uit te zoeken hoe lokale NGO's betrokken kunnen zijn.
Zeldenrust: "Het parlement moet een modelgedragscode voor transnationale Nederlandse bedrijven opstellen. Het is heel belangrijk dat er in elk geval een soort minimum aan normen wordt geformuleerd voor de gedragscodes die bedrijven maken. Daarnaast vinden wij het belangrijk dat de regering toewerkt naar het internationaal wettelijk strafbaar maken van sommige zaken. Dus zowel de regering als de bedrijven zelf hebben een rol om te komen tot een gedragscode. Daarom voeren we directe campagne naar bedrijven toe en proberen we de situatie van de lokale vakbonden en andere organisaties te versterken. Deze functioneren als een soort waakhond en moeten meer zeggenschap krijgen. We bewandelen ook de juridische weg. Op de één of andere manier moet er goede wetgeving komen die ervoor zorgt dat de gedragscodes ook worden "nageleefd".
Het afgewezen voorstel van PvdA en GroenLinks om bedrijven te verplichten tot sociale rapportage, ziet Zeldenrust wat dat betreft als een goed begin.
Ruud Bosgraaf van Amnesty concludeert uit het regeringsdebat en de reactie van de regering op het manifest dat er nog een lange weg te gaan is. "Wij vinden dat er wél gedragscodes moeten komen voor multinationale ondernemingen. Die gedragscodes moeten de universele rechten van de mens onderschrijven. Dit wordt lang niet door alle bedrijven omarmt, maar een aantal zoals Shell doet het al en ook ABN/AMRO zegt het te gaan doen in september. Dat moet je dan altijd nog maar zien, maar er wordt dus wel enige winst geboekt. De volgende stap is dat er controle op die gedragscodes moet komen. Dán zie je dat het bedrijfsleven een stuk minder enthousiast reageert! We zijn er dus nog lang niet", aldus Bosgraaf.

Zelfregulerend
Inmiddels heeft staatssecretaris Ybema van Economische Zaken begin mei aangegeven dat hij wil dat bedrijven wel gedwongen worden tot ondertekening van de OESO-richtlijnen bij gebruik van export- en investeringsinstrumentarium. Hij heeft hiertoe een aanpak opgesteld dat nog verder in het poldermodel moet worden uitgewerkt.
Minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken en minister Herfkens van Ontwikkelingsamenwerking hebben in hun 'Notitie Mensenrechtenbeleid 2001' van 14 mei nogmaals blijk gegeven niets te zien in een door de overheid opgelegde gedragscode voor bedrijven. In de notitie erkennen zij wel dat bedrijven een actieve bijdrage kunnen leveren aan het bevorderen van de mensenrechten door maatschappelijk verantwoord te ondernemen, maar vinden zij net als de SER, dat het bedrijfsleven hier zelf toe moet komen en dus zelfregulerend moet zijn.
Zij schrijven: "Bedrijven kunnen (...) zelf een actieve bijdrage leveren door maatschappelijk verantwoord te ondernemen, onder andere door het in de praktijk brengen van internationaal erkende normen en door het stimuleren van de welvaart ter plaatse." Alweer die optimistische kijk op de bereidheid en/of welwillendheid van multinationale ondernemingen.

Good Company
Of die bedrijven ook daadwerkelijk de verantwoordelijkheid nemen voor de sociale en ecologische effecten van hun aanwezigheid waar ook ter wereld? Afgaande op de resultaten van het onderzoek 'Good Company' van 15 mei 2001 , dat gedaan is in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en het thema 'corruptie' binnen het Nederlandse bedrijfsleven heeft onderzocht, lijkt die kans zeer klein.
Uit dit onderzoek blijkt dat nog niet eens de helft (!) van de bedrijven (45%) op de hoogte is van het feit dat de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen vorig jaar (27 juni 2000) zijn herzien. Onderverdeeld in grote en kleine ondernemingen is dat 66% tegen 22%. Uitgaande van de wetenschap dat alleen de grotere bedrijven internationaal opereren, weet onder hen, bijna een jaar na dato, dus nog altijd 34% niet dat deze internationale richtlijnen nu ook belangrijke onderwerpen als kinderarbeid, dwangarbeid, mensenrechten, milieu, corruptie, mededinging, belastingafdracht en consumentenbescherming omvatten. Nee, dat zit wel goed met dat zelfregulerende karakter van bedrijven.

Zwarte lijst
Overigens opperen bedrijven in dit zelfde onderzoek zélf dat zij veel baat zouden hebben bij een zogenaamde zwarte lijst. Een registratie op internationaal niveau door een externe partij, van alle corrupte bedrijven en 'probleemlanden'. Dit zou volgens hen bedrijven niet alleen kunnen helpen om zelf te voorkomen relaties aan te knopen met 'corrupte' bedrijven, maar zou ook hét middel zijn om bedrijven te motiveren hun beleid en activiteiten ten goede te veranderen. Geen bedrijf wil op zo'n lijst komen, aldus de bedrijven in het onderzoek.
Als bedrijven nu zelf in het geval van corruptiebestrijding voor zo'n lijst pleiten, waarom dan niet ook een dergelijke zwarte lijst opstellen voor bedrijven die het niet zo nauw nemen met hun sociale en/of ecologische verantwoordelijkheid? Waarom wordt die dan niet gelijk door de overheid aangelegd? Er zijn nationaal en internationaal genoeg NGO's of andere waakhonden om voor die lijst te raadplegen of informatie bij in te winnen.
Kennelijk hebben 'richtlijnen' en dus vrijwillige, niet gesanctioneerde regels, weinig effect. Hopelijk weet Ybema hier met zijn plan van aanpak, waarin een koppeling wordt gemaakt tussen ondertekenen/naleven van de OESO-richtlijnen en financiering/subsidie, binnenkort verandering in te brengen.
In een brief van 4 mei 2001 aan de Tweede Kamer laat hij weten dat wat hem betreft waar het gaat om de inzet van overheidsinstrumenten op buitenlandse markten, zelfregulering niet volstaat. "Juist in opkomende markten en ontwikkelingslanden ontbreekt het vaak aan wet- en regelgeving en handhavingcapaciteit, onder andere op het gebied van milieu-, anticorruptie- en sociale wetgeving, belastingen en mededinging. Er is vaak sprake van een ondernemersklimaat dat maatschappelijk verantwoord ondernemen bemoeilijkt, zodat nadere waarborgen nodig zijn", aldus Ybema.
Door bedrijven te vragen de OESO-richtlijnen te onderschrijven; het opnemen van afwijzingssgronden bij het toetsen van aanvragen van bedrijven voor export- en investeringsbevorderende instrumentarium; en monitoring door de uitvoerder en handhaving, meent Ybema een betere aanpak en houvast te hebben om het gedrag van ondernemingen op buitenlandse markten te kunnen reguleren.
Verder zou het akkoord 'productive expenditure', dat onlangs in OESO-verband is gesloten en er op gericht is om overheidssteun aan exporten die geen bijdrage leveren aan de bestrijding van armoede en de sociale en economische ontwikkeling tegen te gaan, moeten bijdragen aan de vermindering van de schuldenlast van HIPC's (Heavily Indebted Poor Countries).

Klachtenloket
De komende periode zal deze aanpak uitdrukkelijk in overleg met het bedrijfsleven en uitvoeringsinstanties nader worden uitgewerkt en geïmplementeerd. Voor de controle op naleving van de richtlijnen, ziet Ybema een belangrijke taak weggelegd voor het Nationaal Contact Punt (NCP). Het NCP verzamelt de klachten over bedrijven die zich mogelijk niet houden aan de verantwoord ondernemen-criteria. Zij doet aanbevelingen en heeft beperkte juridische mogelijkheden om in te grijpen na verlening van een subsidie of een opdracht.
Het NCP richt zich zowel op 'handhaving via publieke opinie' als ook op het verzamelen van 'best practices' als voorbeelden van goede omgang tussen bedrijven, lokale omgeving en de relatie tot lokale techniek en wetenschap. Al deze kennis over verantwoord ondernemen moet op termijn uitgroeien en/of ten goede komen aan het op te richten kenniscentrum verantwoord ondernemen.
Ook houdt NCP zich bezig met aspecten van verantwoord ondernemen, die vooral de dialoog tussen de betrokken ministers, het bedrijfsleven en NGO's gaande en actueel moeten houden. Verder stelt Ybema voor dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen export vanuit Nederland - dan geldt de bestaande Nederlandse wetgeving - en productie en/of export door Nederlandse bedrijven vanuit een ander land.
In dat laatste geval, moet op alle gebieden zoals milieu, mensenrechten en arbeidsrechten, zoveel mogelijk worden aangesloten bij de bestaande en nog verder te ontwikkelen internationale kaders, zoals: ORET/MILIEV, VN verklaring van de Rechten van de Mens en door de ILO vastgelegde conventies, ed.
Internationale besluiten om over te gaan op sancties omdat in bepaalde landen mensenrechten op grote schaal worden geschonden, zal als het aan Ybema ligt ook tot gevolg hebben dat deze landen worden uitgesloten voor het financieel buitenlandinstrumentarium. Nederlandse bedrijven krijgen géén ondersteuning meer voor die landen en de regering zal, net dan nu in het geval met Birma dat door de ILO is veroordeeld, alle handelstransacties en of investeringen in dergelijke landen waar mogelijk ontmoedigen. Nu moet dit voorstel nog besproken en 'beklonken' worden. Het is in ieder geval iets.
Zeldenrust van de SKK is ook op de hoogte van het NCP-klachtenloket. "Hoewel wij niet achter deze OESO-richtlijnen staan, willen we wel gebruik gaan maken van het loket en onze klachten over bedrijven hier deponeren. Al was dat alleen al om te laten zien dat de richtlijnen niet deugen! Verder hopen we op termijn toch ook een aantal bedrijven zelf voor de rechter te slepen. We willen rechtszaken gaan aanspannen. Op zo'n manier zetten we al onze pijlen in", aldus Zeldenrust. Welk bedrijf het eerst voor de bijl gaat wil ze uiteraard niet zeggen, maar het zit er aan te komen.

Handelsmissie
Tot die tijd en waarschijnlijk nog jaacute;ren, kunnen transnationale bedrijven gewoon hun gang blijven gaan met investeren in (landen met) 'foute' regimes, het niet zo nauw nemen met de arbeidsrechten en de arme landen verder uitbuiten. De economische honger is nog lang niet gestild.
Zo vertrekt er 1 juni weer een handelsmissie van Nederlandse investeerders naar China voor tien dagen. Alwaar zij, volledig begeleid en gesteund door politici, hopen om grote miljoenenprojecten binnen te slepen, zoals eerder Shell, Philips en Stork al gelukt is. Soms murmelt één van de politici tussen de bedrijven door nog wat over mensenrechten, maar ondertussen gaat het toch vooral om de deals en het Nederlandse bedje te spreiden voor als China binnenkort wellicht tot de WTO wordt toegelaten.
Dat KPN, dankzij de lobby van de Nederlandse regering, ondertussen handelspartner is van het Chinese onderdrukkingsleger, daar kraait geen haan naar. Sterker nog, eventueel gooit men er van overheidswege nog een extra exportsubsidietje tegenaan om een bedrijf te helpen een deal binnen te halen (zoals Wijers in 1998: een gift van 31 miljoen gulden voor modernisering van een vliegveld).
Protest tegen bedrijven die misbruik maken van mensen, landen en milieu en een poging om hier iets aan te veranderen, laat de regering blijkbaar liever over aan internationale en nationale maatschappijkritische actiegroepen zoals SOMO en de Schone Kleren Kampagne.
Niet zonder succes. Internationale'campagnes tegen Nike hebben er voor gezorgd dat het concern een speciale afdeling in het leven heeft geroepen om te waken over haar 'corporate citizenship', met een budget van 35 miljoen dollar. Op dit moment loopt een campagne van de SKK tegen het Zwitserse

De protestkaart tegen Triumph
lingeriebedrijf Triumph en Vendex KBB, één van de afnemers van Triumph artikelen. Hoewel Philips zich in 1996 uit het dictatoriale Birma heeft teruggetrokken en Heineken afzag van investering in dit land, doet Triumph daar gewoon zaken.

Campagne
Daarom zijn de SKK en het Burma Centrum Nederland (BCN) onder het credo 'Support breasts, not dictators' een campagne gestart tegen de aanwezigheid van Triumph in Birma.
Het bedrijf huurt in Birma onder de naam Myanmar Triumph International een stuk grond van de UMEH, een instituut dat volledig in handen is van actieve en gepensioneerde militairen en dat deels gecontroleerd wordt door dat deel van het ministerie van Defensie dat verantwoordelijk is voor de aankoop van wapens. Als afnemer van Triumph steunt Vendex KBB (V&D, Bijenkorf en Hunkemöller) indirect de militaire dictatuur in Birma, dus werden er op 19 januari jl. bij de hoofdingang van de V&D in de Kalverstraat van Amsterdam symbolisch bh's verbrand.
Ook na een gesprek met Vendex KBB in maart, is het verzoek van SKK, BCN, FNV, NOVIB en XminY Solidariteitsfonds om Triumph producten uit het assortiment te halen en geen nieuwe orders meer te plaatsen zolang Triumph haar activiteiten in Birma blijft voortzetten, afgewezen. Daarom is op 28 mei de campagne voortgezet middels een grootscheepse kaartenactie onder de leus 'Sexy en prikkelend?!' om Triumph op te roepen zich terug te trekken uit Birma en Vendex KBB de verkoop van Triumph artikelen te laten staken. (zie afbeelding)
In het Algemeen Dagblad zegt een woordvoerder van Vendex KBB dat het bedrijf zich niet aangesproken voelt door de actie. "Wij hebben van Triumph de 100 procent garantie dat de lingerie die wij afnemen niet uit Birma komt", aldus de woordvoerder.
Volgens Christa van de SKK is dit totaal niet relevant: "Het gaat er niet om dat specifiek deze lingerie niet uit Birma komt, je moet als bedrijf gewoon niet in Birma gaan zitten! Dat is het punt waar het ons om gaat. Door producten af te nemen van Triumph, ondersteun je in feite ook hun aanwezigheid in Birma. Vandaar dat we ons ook richten op Vendex KBB om ook hen op hun verantwoordelijkheid te wijzen." In het najaar hoopt SKK met een nog breder gedragen publieksactie te komen.

Goudmijnen
Veel bedrijven zien de wereld vooral als een verzameling van potentiële 'goudmijnen', in plaats van mensen, culturen en waarden. Mondialisering en globalisering schept verplichtingen. We moeten toe naar een wereld waarin het vanzelfsprekend is dat bedrijven hun sociale- en ecologische verantwoordelijkheid geïntegreerd hebben in hun beleid: geen filantropische zoethoudertjes maar concreet, daadkrachtig en oprecht meewerken aan een wereld zonder armoede, kinderarbeid, oorlog, schendingen van mensenrechten of milieu.
Een bedrijf moet haar verantwoordelijkheid kennen en onderkennen: openheid geven in al haar activiteiten en financiële, milieugerelateerde en sociale verplichtingen en controle hierop door een onafhankelijke partij verwelkomen. 'Geen woorden maar daden' zodat de liberalisering van de wereldhandel ook de armen ten goede komt! Alleen zo kan een bedrijf haar bestaansrecht verdienen. Deze omslag dient mede door de regering te worden afgedwongen.
Ook consumentenvoorlichting moet veel verder gaan dan het vermelden van de ingrediënten. Consumenten hebben naast het recht om te weten wat de ingrediënten zijn van een product, ook het recht om te weten of iets vrij is van kinderarbeid en of werknemers in alle opzichten de kans krijgen om een menswaardig leven te leiden.

Contactadressen / info:
SKK, tel 020 4122785, email: ccc@xs4all.nl
Amnesty, tel 020 6264436, email: amnesty@amnesty.nl
www.mvo.ez.nl



terug

LIW IN 'T NIEUWS

KINDERARBEID & ONDERWIJS

VERANTWOORD ONDERNEMEN

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 14 april 2005