terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Reformatorisch Dagblad, 17-9-2003      

EU moet fundamentalisme in India serieus nemen

Grondwettelijke rechten van miljoenen mensen, vooral moslims en christenen, worden bedreigd

door:
Gerard Oonk

De Europese Unie is meestal voorzichtig als het gaat om mensenrechtenschendingen in India. Het land is een democratie, een regionale grootmacht en een belangrijke handelspartner. Zo'n land maak je het gewoonlijk niet zo moeilijk Het jaarlijkse mensenrechtenrapport van het Europees Parlement spreekt zich - voor het eerst - wel vrij duidelijk uit. Ook de echte beslissers in de EU - de lidstaten en de Commissie - mogen het groeiende en de wereldvrede bedreigende fundamentalisme en de kastenapartheid in India niet langer negeren, vindt Gerard Oonk.

De moord op ruim 2000 moslims in de Indiase deelstaat Gujarat in maart 2002, 'aangevoerd' door hindoefundamentalistische organisaties, is een belangrijk keerpunt geweest in de houding van het Europees Parlement. Aanleiding tot de pogrom tegen moslims was het in brand steken van een treinwagon met hindoenationalistische activisten waarbij bijna zestig mensen omkwamen. In een resolutie van 16 mei 2002 liet het parlement duidelijk weten dat zij de overheid en politie van Gujarat medeverantwoordelijk achtte voor de moordpartij op willekeurige moslims die daarop volgde. Het Parlement vroeg om onafhankelijk onderzoek naar de moorden en het vervolgen van de daders.

Direct medeplichtig
Ook de Europese Commissie was deze keer, mede op aandringen van Nederland, vrij actief. De Spaanse voorzitter van de EU riep de Indiase ambassadeur in Madrid op het matje en diplomatieke veroordelingen volgden. Er lekte er een zeer kritisch intern EU-rapport uit waarin ministers van de deelstaatregering van Gujarat directe medeplichtigheid aan de moordpartij werd verweten. India was woedend en de Indiase kranten schreven over een flinke deuk in de verhoudingen tussen India en de Europese Unie.
In april 2003 kwam het Europees Parlement op de kwestie terug. Aanleiding vormden rapporten van zowel Amnesty International als Human Rights Watch, waarvan de strekking was: de schuldigen - onder wie politici - in Gujarat worden niet gestraft, de slachtoffers krijgen nauwelijks hulp en de moslims in Gujarat worden massaal 'gegettoïseerd'. Verder wees het EP op het dreigement van hindoe-extremisten dat de afstraffing van de moslims in Gujarat zich zou kunnen herhalen.
Politiek van groot belang was dat premier Narendra Modi van Gujarat, de eerste verantwoordelijke voor de pogrom, in december 2002 werd herkozen na een nieuwe haatcampagne tegen de moslimminderheid. Na zijn herverkiezing was Modi de held van de nationale regeringspartij BJP en de hindoefundamentalisten.
Nederlandse europarlementariërs van de vier grootste fracties (liberalen, sociaal-democraten, christen-democraten en groenen) wilden van de Europese Commissie weten of zij bereid was de hulp aan Gujarat op te schorten tot de schuldigen berecht, de slachtoffers geholpen en de marginalisering van moslims gestopt zouden worden. Verder vroegen de parlementariërs hoe de Commissie haar eerder geuite serieuze zorg over Gujarat opnieuw zou overbrengen aan de Indiase regering. Tot slot wilden ze weten welke aanbevelingen de Commissie aan Europese bedrijven in Gujarat geven om te voorkomen dat zij zouden bijdragen aan discriminatie van minderheden.
De Europese Commissie, wellicht geschrokken van de heftige reactie van India op de actieve diplomatie in het voorjaar van 2002, kwam in mei 2003 met een nietszeggend antwoord. 'Ja, natuurlijk moeten de daders in Gujarat berecht worden en de slachtoffers geholpen', zo liet de Commissie weten. Maar zij vertelde er niet bij of dat naar haar mening al dan niet gebeurde.

Mensenrechtenrapport
Vervolgens deelde de Commissie nogal arrogant mee dat mensenrechten een 'essentieel onderdeel' uitmaken van de officiŽle samenwerking met India en Gujarat en dat er 'derhalve' niets mis was met de ontwikkelingshulp van de EU aan Gujarat. Een wonderlijke redenering. Op de vraag over de aanbevelingen aan bedrijven liet de Commissie weten dat zij daartoe 'niet bevoegd' was. Zij verwees naar de door haar ondersteunde vrijwillige OESO-richtlijnen voor bedrijven. Daarin staan bepalingen dat de mensenrechten van werknemers beschermd moeten worden en dat discriminatie van minderheden moet worden voorkomen.
Op 4 september dit jaar stemde het Europees Parlement over haar jaarlijkse resolutie en rapport over de mensenrechten. Rapporteur was Bob van den Bos van D66, lid van de liberale Europese fractie. Het speciale thema van het rapport is de vrijheid van godsdienst in relatie tot de mensenrechten. Volgens het Parlement is 'fundamentalisme een groeiende bedreiging voor gelijke grondwettelijke rechten en toegang tot het recht van miljoenen mensen in India, vooral voor moslims en christenen'.
In het conceptrapport stond 'hindoefundamentalisme', maar deze omschrijving haalde geen meerderheid. Het hindoe- en moslimextremisme in India voeden elkaar, zo stelt het EP. Haar politieke aanbeveling richt zich echter op het hindoefundamentalisme. Het EP doet namelijk een beroep op de Europese Commissie en de lidstaten om de Indiase regering aan te spreken op haar verantwoordelijkheid voor 'de bedreiging voor de mensenrechten die uitgaat van de anti-bekeringswetten, het misbruik van hindoeïsme voor nationalistische doeleinden en de situatie in Gujarat'.
Het Europees Parlement legt daarmee de vinger op enkele zeer controversiële onderwerpen. De anti-bekeringswetten, inmiddels aangenomen in Tamil Nadu en Gujarat, maken het voor hindoes - in de praktijk vooral kastelozen of dalits - zeer lastig om zich te bekeren tot bijvoorbeeld het christendom of de islam.
Onder het mom dat de wetten proberen te voorkomen dat dalits gelokt of gedwongen worden om zich te bekeren (waarin bestaande wetten al voorzien!) moeten mensen nu officieel toestemming vragen om zich te bekeren. Juist dat maakt sociale druk van politici, ambtenaren en hindoe-extremistische organisaties mogelijk om bekeringen tegen te gaan. Voor hindoefundamentalische organisaties zijn de anti-bekeringswetten een politiek speerpunt. Zij verzetten zich met dreiging en soms geweld tegen de beweging van dalits die zich, hoewel nog op kleine schaal, bekeren tot het boeddhisme, het christendom of de islam.
Het meer algemene pleidooi in het rapport om geen onderwijsprogramma's te steunen waarvan de schoolboeken religieuze of andere haat bevorderen, zou overigens ook grote consequenties voor de Europese hulp aan India kunnen hebben. De EU geeft namelijk veel hulp aan onderwijsprogramma's in India. Van de huidige minister van Onderwijs, Murli Manohar Joshi, is echter bekend dat hij maar één echt agendapunt heeft: het op hindoenationalistische leest schoeien van de schoolboeken.

Kastendiscriminatie
Van hindoefundamentalisme naar discriminatie van de kastelozen is maar een kleine stap. Professor Thorat, hoogleraar aan de Jawaharhal Nehru Universiteit, meent dat de opkomst van het hindoefundamentalisme vooral gemotiveerd wordt door de wens om het kastensysteem te behouden en de emancipatie van de dalits tegen te gaan. De organisaties die streven naar een hindoerijk doen dat onder meer door dalits als voetvolk een plaats te geven in hun eigen organisaties en ze tegen andere minderheden op te hitsen.
Het Europees Parlement pleit bij de Commissie en de Raad voor concrete maatregelen tegen kastendiscriminatie in het kader van zijn politieke en zijn hulp- en handelsrelatie met landen waar het probleem zich voordoet. India wordt weliswaar niet genoemd, maar bijvoorbeeld de oproep tot ondersteuning van de emancipatie van (Indiase) dalits - kastelozen - zegt genoeg.
Ook in diverse andere landen van Azië (waaronder Nepal, Sri Lanka, Japan) en Afrika komt kasten- en andere afkomstdiscriminatie voor. Het EP dringt bij de Europese Raad ook aan op nadere analyse van kastendiscriminatie, feitelijke rapporten over het verschijnsel en een kritische evaluatie van de vraag of het huidige mensenrechtenbeleid van de EU daadwerkelijk bijdraagt aan het bestrijden van kastendiscriminatie.
Het Europees Parlement heeft zich nu voor het eerst vrij scherp uitgesproken over het groeiende fundamentalisme in India en over de 'Indiase apartheid' (overigens wordt Pakistan minstens even scherp gekritiseerd). In zijn korte toespraak bij de presentatie van het rapport noemde Van den Bos het 'verwerpelijke kastensysteem' specifiek als een thema 'dat mij zeer ter harte gaat'.
Nu zijn de Europese Commissie en vooral de lidstaten aan zet. Als is het maar om een reden die het Parlement nu niet noemt: het elkaar versterkende moslimfundamentalisme én hindoefundamentalisme in Pakistan en India dragen sterk bij aan de spanningen tussen beide landen. Spanningen die vorig jaar bijna uitmondden in een nucleaire oorlog.

De auteur is coördinator van de Landelijke India Werkgroep




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 19 september 2003