terug
Onderstaand opinie-artikel is gepubliceerd in: Nederlands Dagblad, 17-11-2003      

Opinie

Nederland stopt hulp aan armen,
niet India

door:
Gerard Oonk

Vandaag praat de Tweede Kamer met minister Van Ardenne over haar nieuwe beleid. Ze heeft heel wat uit te leggen over het feit dat India niet meer op de lijst staat met landen met wie Nederland een structurele hulprelatie heeft. India wil namelijk wel, maar Nederland niet, meent Gerard Oonk, co÷rdinator Landelijke India Werkgroep. Ondertussen staat Pakistan wel op de lijst met 'partnerlanden'.

Binnen de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is India al veertig jaar een belangrijke partner. Geen wonder, het land heeft minstens 300 miljoen mensen onder de armoedegrens, bijna de helft van de kinderen gaat niet naar school en momenteel dreigt ook de HIV/aids-epidemie in het land explosieve proporties aan te nemen. De hulp van Nederland is de afgelopen jaren steeds meer gericht op directe armoedebestrijding en basisvoorzieningen, bijvoorbeeld op onderwijs voor de armste groepen.

Het kwam dan ook als een verrassing dat minister Van Ardenne afgelopen juni liet weten dat India geen hulp meer van Nederland wil. De bewindsvrouw heeft het publiek en de Kamer echter stevig op het verkeerde been gezet. In werkelijkheid wil India namelijk een andere hulprelatie met Nederland (en dertien andere landen) en geen stopzetting. De minister negeert dit aanbod van India, terwijl het juist nieuwe mogelijkheden biedt om effectiever te werken aan armoedebestrijding.

Nieuwe kansen
Begin juni liet de Indiase regering weten dat er nieuwe richtlijnen komen voor de hulp die India krijgt van veertien kleinere bilaterale donoren, waaronder Nederland. Die hulp wordt niet meer direct via de overheid besteedt, maar de donoren kunnen nu zelf hulp gaan geven aan maatschappelijke organisaties, instituten, universiteiten etc. De regering toetst deze hulp globaal aan de ontwikkelingsprioriteiten en 'veiligheidszorgen' van het land. Alleen zes grote landen, waaronder de VS en Rusland, mogen nog direct hulp aan de Indiase regering geven.

De Indiase koerswijziging is voor een belangrijk deel is ingegeven door de wens als wereldmacht te worden erkend. Daarbij past geen directe hulprelatie met een groot aantal kleine landen. Tegelijk loopt al veel langer een discussie, ook binnen de overheid, of het niet veel effectiever is voor de bestrijding van armoede om de bilaterale hulp voornamelijk via maatschappelijke organisaties te laten lopen.

Veel ontwikkelingsorganisaties en deskundigen in India bekritiseren daarom weliswaar de 'grootheidswaan' die mede aan de beslissing van de regering ten grondslag ligt, maar ze zien vooral ook nieuwe kansen. De meest effectieve en vernieuwende vormen van bilaterale hulp zijn namelijk wel via de Indiase overheid gefinancierd, maar worden (mede) uitgevoerd door maatschappelijke organisaties.

Deze organisaties ontwikkelen eerst een vernieuwende aanpak naast - maar vaak in dialoog met - de grote nogal logge overheidsprogramma's en slagen er daardoor in het beleid en de uitvoering van die programma's positief te beïnvloeden. Zo heeft de financiering door Nederland aan de wieg gestaan van succesvolle programma's voor vrouwenemancipatie en waterbeheer die nu deel uitmaken van het overheidsbeleid.

Samenwerking
In de nieuwe voorstellen van de Indiase regering voor Nederland en dertien andere donoren past geen vrij omvangrijke begrotingssteun, zoals tot nu toe het geval was. De omvang van de hulp aan India kan dus afnemen, wat ook recht doet aan India's economische groei. Wel zijn er nieuwe kansen om effectieve op armoedebestrijding gerichte samenwerkingsrelaties aan te gaan met maatschappelijke organisaties, maar ook met 'gelijkgezinde' donoren als Zweden, Noorwegen, Canada en Australië. Er zijn urgente thema's genoeg die ook op de prioriteitenlijst van Van Ardenne staan: onderwijs, HIV/aids, gezondheidszorg, milieu en water. Met relatief bescheiden programma's kan een belangrijke bijdrage geleverd worden aan realisering van projecten.

Waarom gaat Nederland dan toch niet in op het Indiase aanbod? Naast pure irritatie over de nogal abrupte beleidswijziging door India, lijkt de Nederlandse afwijzing vooral ingegeven door Van Ardenne's opvatting over wat bilaterale hulp moet inhouden. De kern daarvan is en blijft dat het moet gaan om een hulprelatie van overheid tot overheid, ook al legt de minister sterk de nadruk op de aanvullende rol die maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven moeten spelen.

Be´nvloeding
De achterliggende gedachte is dat deze overheidshulp aan bijvoorbeeld de sectoren onderwijs en de gezondheidszorg via 'beleidsdialoog' ook het totale overheidsbeleid op die terreinen beïnvloedt. In kleinere landen is dat wellicht het geval, maar in het gigantische India is dat een illusie. Er is op papier beleid genoeg, maar het mankeert aan de uitvoering. De benadering via maatschappelijke organisaties slaagt er wél in om de armen te laten profiteren.

De conclusie kan niet anders zijn dan dat Van Ardenne in het geval van India ten onrechte vast wil houden aan een vorm van hulp die India niet meer past, terwijl in feite de doelstelling armoedebestrijding centraal zou moeten staan en de vorm daarvan afgeleid zou moeten zijn.

Blijft de vraag of de Nederlandse regering zelf maatschappelijke organisaties in India moet steunen. De regering stelt daarvoor namelijk ook geld beschikbaar aan onder meer particuliere hulporganisaties en de vakweging. Ons antwoord is volmondig ja. De Nederlandse regering kan de relatief kleine programma's van de particuliere organisaties 'opschalen', kan zelf elkaar aanvullende organisaties (laten) samenbrengen, heeft betere en/of andere structurele contacten met overheidsorganisaties en biedt ook een zekere 'bescherming' voor particuliere organisaties die met gevoelige onderwerpen als bevordering van mensenrechten bezig zijn. Ook de samenwerking met andere kleine bilaterale donoren - die allemaal wel blijven - biedt mogelijkheden die het huidige particuliere hulpprogramma niet heeft.

De bij voorbaat afwijzende reactie van Nederland op het Indiaas voorstel om te praten over een andere vorm van samenwerking, heeft ook als bizar en politiek onwenselijke gevolg dat Pakistan nu op de lijst van 'partnerlanden' staat en India niet. In 1999 werd Pakistan - mede op aandringen van het toen nog kamerlid Van Ardenne - verwijderd van de lijst met landen waarmee Nederland een structurele hulprelatie had. Van Ardenne wilde toen naast Pakistan ook India van de lijst gooien, omdat beide landen inmiddels kernwapens fabriceerden.

De hulp aan India werd echter gecontinueerd onder het weinig overtuigende motto dat de hulp op relatief goed bestuurde deelstaten geconcentreerd zou worden. Pakistan bleef op een sublijst van landen die hulp voor milieuprojecten en goed bestuur kregen. Pakistan - nog steeds mét kernwapens - is nu weer gepromoveerd tot een van de 36 'partnerlanden'. Over India wordt alleen gemeld dat het de ontwikkelingsrelatie met Nederland wil afbouwen.

Er zijn goede redenen om Pakistan tot 'partnerland' te maken als de hulp bijdraagt aan armoedebestrijding en verbetering van bestuur en mensenrechten. Maar tegelijk India met minstens 300 miljoen mensen onder de armoedegrens door de zijdeur afvoeren, is zowel menselijk en politiek onacceptabel.



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Hulp aan India

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 17 november 2003