terug
Onderstaande tekst is bewerkt en als artikel gepubliceerd in: Het Financieele Dagblad, 9-2-2005      


Echte transparantie is drijvende kracht achter MVO-resultaten


‘Bedrijven veel duurzamer dan EZ denkt’, kopte Het Financieele Dagblad vorige week. Onder het motto dat transparantie niets zegt over de werkelijke prestaties op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) wordt het Ministerie van Economische Zaken (EZ) verweten dat ze onterecht gele kaarten heeft uitgedeeld aan bedrijven die slecht scoren op de “transparantiebenchmark” die in opdracht van EZ is ontwikkeld. Tom Rodrigues, bestuurslid van Ordina en voorzitter van de stichting Samenleving en Bedrijf, beklaagt zich er over dat de onderzoekers alleen maar gekeken hebben naar openbare informatie van bedrijven en niet naar de activiteiten.

De klacht is onterecht. Natuurlijk gaat het bij MVO uiteindelijk om de resultaten en is er ook nog heel veel af te dingen op de mate van transparantie van de ‘koplopers’ op dit gebied, maar het is erg lastig om resultaten te meten als bedrijven daarover niet publiekelijk rapporteren en hun eigen rapportage niet onderling vergeleken kan worden. Van bedrijven mag – zeker sinds de Richtlijn 400 van de Raad voor de Jaarverslaggeving en de uitgebreidere richtlijn op dit gebied – verwacht worden dat ze op een systematische en relevante wijze rapporteren over hun maatschappelijke prestaties. En daar zit het tweede probleem. Rodrigues heeft het vooral over de maatschappelijk nuttige activiteiten die Ordina onderneemt - door EZ tot ‘maatschappelijk betrokken ondernemen’ gedoopt - maar niet over de impact van haar eigen bedrijfsactiviteiten op de samenleving. Juist het verantwoord omgaan met mens, milieu en de economische kant van de bedrijfsvoering én het verantwoording afleggen daarover is door opeenvolgende regeringen tot MVO bestempeld. Die definitie is niet toevallig want zij reflecteert de verdragen op het gebied van mensenrechten, arbeid, milieu, corruptie, mededinging etc. die Nederland internationaal heeft onderschreven. Het MVO Platform van 35 maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met internationaal ondernemen is daarom, anders dan de regering, voor meer verplichtingen op dit gebied maar over wát de normen voor MVO zijn bestaat een grote mate van overeenstemming.

Het MVO Platform ziet de transparantiebenchmark van EZ als een zinvolle stap in de richting van een breder en minder vrijblijvend transparantiebeleid. Transparantie is een onontbeerlijk onderdeel van MVO, en het is goed dat EZ nu ook eens bedrijven durft aan te spreken op hun slechte prestaties. Tot voor kort leek het erop dat het MVO-beleid van de overheid bestond uit het aanprijzen van de goede voorbeelden op MVO-gebied, en vervolgens de ogen sloot voor bedrijven die zich er niets aan gelegen laten. Het beleid van ‘blaming’ en ‘faming’ juichen wij toe. Uit de benchmark kwam ook naar voren dat uiteindelijk vooral de grote bedrijven die in de kritische belangstelling van NGO’s en vakbonden hebben gestaan uitgebreid(er) verslag doen van hun activiteiten. De rest doet nagenoeg niets. Des te belangrijker dat de overheid de druk op deze bedrijven opvoert, aangezien het de maatschappelijke organisaties aan tijd en middelen ontbreekt om het hele Nederlandse bedrijfsleven aan te spreken.
Dat dit beleid haar eerste resultaten afwerpt blijkt duidelijk uit de verontwaardigde reacties van de vele bedrijven die een ‘gele kaart’ hebben ontvangen. Ongetwijfeld zullen daardoor een aantal bedrijven, en trouwens ook maatschappelijke organisaties, hun best gaan doen om er volgend jaar beter uit te komen.

Toch is de transparantiebenchmark van EZ slechts een eerste begin. Het is namelijk heel goed mogelijk een glossy maatschappelijk verslag te produceren en toch maar weinig informatie te verschaffen over zaken die er echt toe doen, maar wel wat gevoeliger liggen. Zo rapporteren bedrijven nog maar nauwelijks over de (aanpak van) arbeids- en milieuproblemen bij het outsourcen en offshoren van productie en diensten, terwijl vooral daar de meeste arbeidsrechten en milieunormen worden geschonden. Bedrijven die nog nauwelijks werk hebben gemaakt van ketenverantwoordelijkheid, bijvoorbeeld in ontwikkelingslanden, maar keurig rapporteren over hun activiteiten in hun hoofdvestigingen, krijgen daardoor nu nog makkelijk het imago zeer maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Met andere woorden: de lat van de transparantiebenchmark ligt nog erg laag en de benchmark aanvoeren is nog geen garantie voor verantwoord ondernemen. Omgekeerd kan het inderdaad zo zijn dat sommige bedrijven die laag scoren op de benchmark het in de praktijk veel beter doen. Maar laat dat dan ook weten!

Wil transparantie een optimaal meer effect hebben op de MVO-resultaten dan is - in het bijzonder bij internationaal opererende bedrijven - meer nodig dan een maatschappelijk jaarverslag als zodanig. Zo wordt rapportage zonder verantwoording over de activiteiten in de keten, de bereidheid tot dialoog met relevante stakeholders en onafhankelijke controle en verificatie al gauw meer een PR exercitie dan een daadwerkelijke poging om verantwoording af te leggen.
Verantwoording afleggen moet ook vooral gaan óver en plaatsvinden wáár de grootste problemen optreden, dus in ontwikkelings- en transitielanden. Zo is het heel vreemd dat alle Nederlandse bedrijven aan de top van de transparantiebenchmark (bijv. ABN AMRO, Unilever, Philips etc.) geen apart relevant verslag uitbrengen over hun activiteiten in die landen terwijl we juist daar de MVO-risico’s (zoals kinderarbeid, schending van arbeidsrechten, milieu-aantasting) groot zijn. Om MVO-rapportage relevant te maken, zouden multinationale ondernemingen daarom ook een verslag moeten maken van hun activiteiten in landen als India, China, Zuid-Afrika en Brazilië, regio’s als West-Afrika of zogenaamde ‘hot spots’ zoals conflictgebieden waar het bedrijf belangen heeft.

Tenslotte, maar zeker niet het minst belangrijk, vereist transparantie en daarmee het maximale effect daarvan op MVO-resultaten, meer dan het publiceren van een maatschappelijk jaarverslag. Het betekent ook dat je als bedrijf open staat voor vragen van consumenten en maatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld over specifieke producten en productieomstandigheden. Vandaar het voorstel van de Consumentenbond voor een Wet Openbaarheid Ketens (WOK). De vraag naar het 'openbaarheidsbeleid én -praktijk' van een bedrijf hoort daarom zeker thuis in een transparantiebenchmark. Het zou in ieder geval aangeven of transparantie voor een bedrijf meer is dan een maatschappelijk jaarverslag. Dat haalt daarmee het maatschappelijk jaarverslag, gecombineerd met de hierboven genoemde maatregelen, niet alleen uit zijn beauty contest-achtige sfeer maar draagt ook wezenlijk bij het aan betere MVO-resultaten.

Gerard Oonk, Landelijke India Werkgroep
Joris Oldenziel, SOMO
Coördinatoren van het MVO Platform



terug

LIW IN 'T NIEUWS

VERANTWOORD ONDERNEMEN

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 10 februari 2005