terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in Friesch Dagblad, 18-3-2005

door:
Pieter Anko de Vries

Dilemma's van zaken over de grens




Kinderarbeid in India. Een jongen werkt in de baksteenindustrie. (foto: EPA)
Zaken doen in het buitenland biedt goede perspectieven. Grote omzetten en dito winsten horen op dit moment zeker tot de mogelijkheden. Maar hoever kun je als ondernemer gaan in het ondersteunen van regimes die het niet zo nauw nemen met de mensenrechten? Hoeveel smeergeld ben je bereid te betalen aan corrupte ambtenaren? En neem je wel of geen producten af van bedrijven die zich bedienen van kinderarbeid?

Handel doen met het buitenland biedt op dit moment grote mogelijkheden. De wereldeconomie maakt de sterkste groei sinds jaren door. Vorig jaar bedroeg de wereldwijde groei van het bruto nationaal product (alle goederen en diensten die wereldwijd worden geproduceerd) meer dan 5 procent. Dit is het hoogste percentage sinds dertig jaar.
Het zijn vooral landen als China en India die jaarlijks enorme groeicijfers laten zien. In deze landen lijkt de vraag naar producten van allerlei soort haast niet te stillen. Hier liggen grote kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven, dat traditioneel goed is in handel met het buitenland. Maar ook door de
Corruptieregels

Nederland heeft een aantal jaren geleden het Corruptieverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) ondertekend. Dit verdrag stelt dat een onderneming in Nederland strafrechtelijk vervolgd kan worden als wordt aangetoond dat ze betrokken is bij de omkoping van een publieke functionaris in het buitenland. Het gaat zowel om directe (rechtstreekse) als indirecte (via een tussenpersoon) betalingen. De tekst is zo geformuleerd: 'Het opzettelijk aanbieden, beloven of geven van iedere niet verschuldigde betaling of ieder ander voordeel (direct of indirect) aan een buitenlandse overheidsfunctionaris, teneinde te bewerkstelligen dat de ambtenaar handelt of nalaat te handelen met betrekking tot de uitoefening van overheidstaken, om aldus zakelijk of ander ongeoorloofd voordeel te verkrijgen of te behouden, is verboden.' Onder dit verbod vallen trouwens niet (kleine) betalingen die gericht zijn op het versnellen of versoepelen van diensten door overheden waarop een bedrijf toch al aanspraken kon maken. Het gaat dan om zaken als het versnellen van het afgeven van vergunningen of licenties voor handel of investeringen die al zijn goedgekeurd. Bijvoorbeeld als een container met bederfelijke waar vaststaat in een haven of als het verkrijgen van een vergunning buitensporig lang duurt. De betrokken ambtenaar handelt volgens de OESO in deze situaties niet tegen zijn ambtsplicht en er wordt geen oneigenlijk concurrentievoordeel nagestreefd.

toetreding van Centraal-Europese landen als Tsjechië, Hongarije en Polen tot de Europese Unie is het perspectief op succesvolle internationale handelsrelaties fors toegenomen.
Omdat Nederland historisch gezien een sterke exportsector heeft, hebben bedrijven die internationale handel ondernemen goed geprofiteerd van de toenemende mogelijkheden. De uitvoer was in november vorig jaar, ondanks de zorgelijke algemene economische situatie in ons land, met 23,4 miljard euro 18 procent hoger dan een jaar eerder. Niet alleen exporteren is lucratief. Ook de invoer biedt tegenwoordig mooie kansen. Door de lage dollarkoers is het aantrekkelijk goederen in het buitenland te kopen en die vervolgens in Nederland af te zetten of door te voeren naar derde landen.
'Zaken doen zonder corruptie is onmogelijk'

Het merendeel van de Nederlandse bedrijven gelooft niet dat het mogelijk is om in het buitenland zaken te doen zonder corruptie. Dat blijkt uit een onderzoek dat is gedaan door het ministerie van Economische Zaken. Het onderzoek is gedaan door het bedrijf Good Company. Van de respondenten (23 multinationals en 17 kleine bedrijven) gaf 80 procent aan dat het volgens hen niet mogelijk is om alle omkoping tegen te gaan. Vooral in landen van het voormalige Oostblok en delen van Afrika lopen bedrijven naar eigen zeggen altijd tegen een vorm van corruptie aan. Uit het onderzoek komt ook naar voren dat bedrijven slechts globaal op de hoogte zijn van het feit dat ze vervolgd kunnen worden voor corruptie. De grootste ondernemingen zijn het best ingevoerd in de internationale corruptiewetgeving. Deze bedrijven zijn echter het minst onder de indruk van de mogelijke straffen, omdat ze over veel kapitaal beschikken. Grote ondernemingen proberen echter het gebruik van corruptie zoveel mogelijk te beperken omdat ze vrezen voor imagoschade (naming and blaming). Kleine bedrijven zijn veel gevoeliger voor de mogelijke bestraffing als corruptie wordt aangetoond.

Niet voor niets steeg ook de import de afgelopen maanden met meer dan 18 procent tot bijna 21 miljard euro.
Aan het handel doen met het buitenland zitten echter kanten die niet zozeer met het naakte verdienen te maken hebben, maar die wel voor dilemma's kunnen zorgen. Vragen als: mag ik zaken doen met landen die door corrupte regimes worden geleid of die de mensenrechten niet respecteren en kan ik producten betrekken van bedrijven die gebruik maken van kinderarbeid, kunnen ondernemers uit de slaap houden. Bovendien: mag ik smeergeld betalen om mijn project in het buitenland tot een succes te maken? En zo ja, hoeveel dan? En hou ik daarmee niet corrupte ambtenaren in het zadel? Aan de andere kant: als ik nu geen zaken doe, dan doet een ander dat wel. Waarom zou ik roomser zijn dan de paus?
Sommige situaties liggen duidelijk. Er zullen maar weinig ondernemers in Nederland zijn, die bereid zijn grondstoffen voor gifgassen te verkopen aan een van de ergste dictators uit de wereldgeschiedenis, zoals de Nederlandse zakenman die onlangs is aangehouden voor levering van gifgas aan Saddam Hussein. Het gif werd ingezet tegen de Koerdische burgerbevolking. Het zijn vooral de gevallen die minder zwart-wit liggen, die voor dilemma's kunnen zorgen bij ondernemers die de stap wagen in het buitenland.
Gerard Oonk, directeur van de Landelijke India Werkgroep, houdt zich bezig met de vraag of bedrijven die handel doen met India of in dit land investeren zich houden aan de internationale regels. De India Werkgroep overlegt met sectoren zoals de kleding- en natuursteenindustrie uit India. Hij geeft bedrijven het advies kennis te nemen van de richtlijnen die er zijn. "Het is voor bedrijven belangrijk te weten welke risico's ze lopen. Het is daarom goed te kijken naar de internationale verdragen over arbeidsrechten en de richtlijnen van de OESO (zie kader). Het komt er op neer dat je je als ondernemer afvraagt: maak ik gebruik van kinderarbeid, hoe zit het met de gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijk werk, welke milieueffecten zijn er en hoe staat het met de corruptie?", zegt Oonk.
Hij wijst erop dat veel bedrijven tegenwoordig in hun eigen directe relaties de zaken aardig op orde hebben. "Maar aan de andere kant bekijken ze haast niet hoe het zit met leveranciers en andere derden die nodig zijn voor het zakendoen. Je moet zicht krijgen op de hele uitbestedingketen. Je bent als opdrachtgever ook daarvoor verantwoordelijk. Bijvoorbeeld: werk je met zulke korte termijnen en betaal
Bedrijven en ngo's vinden elkaar steeds meer

Bedrijven en non-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties zoals Novib zoeken steeds vaker toenadering tot elkaar als het gaat om zakendoen met onderontwikkelde landen. De samenwerking neemt sinds 2000 flink toe, blijkt uit onderzoek van Willem Eibers van het Centre for International Development Issues Nijmegen (CIDIN). Van de 35 ontwikkelingsorganisaties werken sinds 2000 zeventien samen met het bedrijfsleven. In de meeste gevallen gaat het om bedrijven die financiering, expertise, menskracht en materiaal beschikbaar stellen voor ontwikkelingsprojecten in derdewereldlanden. Veel bedrijven zoeken toenadering tot ontwikkelingsorganisaties omdat ze hun maatschappelijke betrokkenheid willen demonstreren. Vooral imagomotieven liggen hieraan ten grondslag. Soms dient de samenwerking echter ook directe commerciële doelen, bijvoorbeeld als ontwikkelingsorganisaties bedrijven helpen bij de import van producten uit ontwikkelingslanden.

je zulke lage prijzen dat fabrieken wel gebruik moeten maken van kinderarbeid."
Oonk noemt als voorbeeld Unilever. "Begin mei 2003 meldden de media dat ongeveer 25.000 kinderen, merendeels 'schuldslaven', katoenzaad telen voor een bedrijf waarin Unilever een flink belang heeft. De Nederlandse multinational bracht eerst naar voren dat ze niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor wat onafhankelijke agenten deden in India. Maar wij stelden daar tegenover dat de voorwaarden die het bedrijf stelde, bijvoorbeeld de lage prijs die voor de producten werd betaald, zo hard waren, dat de producenten wel gedwongen waren kinderen in te zetten, omdat die veel goedkoper zijn dan volwassen arbeiders. Unilever én het internationaal opererende zaadgoedbedrijf Advanta uit Zeeland beloofden na de golf van publiciteit bij te dragen aan een oplossing. Hier zie je dat naming and blaming wel degelijk effect kan sorteren. Het is in het belang van het imago van het bedrijf dat het zich houdt aan de regels van verantwoord ondernemen."
Volgens Oonk wordt de kans steeds groter dat bedrijven tegen de lamp lopen die zich niet houden aan de internationale standaardregels en de voorschriften voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. "Door de mogelijkheden van internet gaat de naam van je bedrijf al heel snel negatief over de wereld. Dat kan zeer ernstige gevolgen hebben." Oonk raadt bedrijven aan die in landen als India willen investeren contact op te nemen met non-gouvernementele organisaties. "Die kunnen ondernemers wijzen op de lokale voetangels en klemmen die ze tegenkomen en hoe ze daar goed mee om kunnen gaan."


terug LIW in de pers Verantwoord Ondernemen HOME Landelijke India Werkgroep


Landelijke India Werkgroep - 31 maart 2005