terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: De Nieuwe Linie, 26-11-1980      

De economische oorzaken van de sociale en politieke crisis

Donkere wolken boven India - 2

door:
Usha Menon

India verkeert in een crisissituatie. Zowel in India zelf als in het Westen verklaart men deze situatie door de droogte van het afgelopen jaar, de stijgende olieprijzen, het gebrek aan efficiënte leiding enz. De werkelijke oorzaken van de crisis in India moeten echter volgens Usha Menon, lid Landelijke India Werkgroep, gezocht worden in meer diep-gewortelde structurele factoren.

Contrasten in een buitenwijk van Bombay (foto: ABC)

India is een boerensamenleving bij uitstek: tweeënzeventig procent van de bevolking is werkzaam in de landbouw. Hierbij dient vermeld te worden dat de helft van de landbezitters slechts negen procent van de bebouwbare grond in haar bezit heeft, terwijl vier procent over eenendertig procent van het land beschikt. Landhervorming is dan ook een van de belangrijkste slogans geweest van de Congress-partij voor en na de onafhankelijkheid, wat in grote mate bijgedragen heeft tot de populariteit van de partij. Helaas waren deze slogans holle kreten. Onmiddellijk nadat de onafhankelijkheid van de Engelsen was afgedwongen, ging de Congress een verbintenis aan met de grote landheren. Progressieve wetten werden afgekondigd, maar niet in praktijk gebracht. De regering berekende dat bij een maximum-landbezit van acht hectare per persoon er vijfentwintig miljoen hectare beschikbaar zou komen voor herverdeling onder landlozen. Er zaten echter zoveel haken en ogen aan dat na dertig jaar slechts 0,6 miljoen hectare (twee procent van het beschikbare land) is herverdeeld. De grote landheren konden zo hun positie bewaren; in ruil daarvoor bleven ze functioneren als financiers van de Congress-partij en als stemopkopers tijdens de verkiezingen.
De onwil van de regering om de landhervormingen werkelijk door te voeren, blijkt uit het feit dat de Links Front-regering in West-Bengalen in drie jaar tijd in staat was 0,4 miljoen hectare te herverdelen.

Inkrimping en koopkrachtdaling
Niet alleen neemt door het uitblijven van de noodzakelijke landhervormingen de armoede onder de landbevolking toe, ook de Indiase industrie-arbeider moet de buikriem steeds meer aantrekken: het indexcijfer van de reële lonen van de industrie-arbeiders met minder dan vierhonderd roepies per maand daalde van honderd in 1961 naar zesenzestig in 1975. Dit heeft tot gevolg dat de afzetmarkt voor de industrie steeds meer inkrimpt. De vermindering van de koopkracht van de bevolking is met name op de markt voor massa-consumptiegoederen te bespeuren. Het inkomen per hoofd van de bevolking dat in de jaren vijftig met 1,34 procent steeg, stijgt nu nog maar met 0.94 procent. Aangezien de koopkracht bovendien ongelijk over de bevolking verdeeld is, wordt daaruit duidelijk hoe beperkt de markt is. De armste helft van de bevolking ontvangt slechts zeven procent van het nationale inkomen. Daarentegen ontvangt de allerrijkste top, die slechts één procent van de bevolking uitmaakt, het dubbele.
De afzetmarkt wordt ook kleiner door de toenemende werkloosheid, die vooral veroorzaakt wordt door de sluiting van veel kleine bedrijven, omdat die niet kunnen concurreren met de Indiase en buitenlandse monopoliehuizen.
De monopoliehuizen nemen de markt van de kleine bedrijven in bezit; tegelijkertijd gebruiken ze meer geperfectioneerde en arbeidsbesparende technologie, waardoor duizenden arbeiders op straat gezet worden. De regering heeft vele welluidende resoluties aangenomen om deze monopoliehuizen te controleren. Ze gaat hier zodanig mee om dat de misdadige macht van de grote industrie nooit écht wordt aangetast. Sinds de afkondiging van de Industrial Policy Act, in juli jl., waaruit een duidelijke tendens tot liberalisering is af te lezen, worden de resoluties helemaal ongeloofwaardig. De regering houdt de monopoliehuizen de hand boven het hoofd. Ter illustratie: het Nederlandse bedrijf Philips produceerde 20 miljoen gloeilampen in plaats van de wettelijk toegestane 14 miljoen. In dezelfde periode daalde de produktie in de kleinschalige industrie van 14 miljoen naar 10 miljoen lampen. Deze illegale overproduktie werd door de vingers gezien.
Zoals te verwachten kunnen de monopoliehuizen zich, middels zo'n beleid, versterken. Het vermogen van de twintig top-monopoliehuizen is dan ook van 1972-1977 met zesenzeventig procent gestegen. Het inkomen van de industrie-arbeiders echter is al sinds 1939 nauwelijks hoger geworden.

Voor wie de lasten?
Niet alleen de industrie van massa-consumptiegoederen, maar ook die van luxe-goederen verkeert in een crisis. Deze heeft weer te maken met de crisis in de infrastructurele industrie, zoals de kolen- en de elektriciteitsindustrie die voor het merendeel tot de staatssector behoren. Door vermindering van de investeringen in deze sector heeft de produktie schade geleden. De regering kan deze investeringen niet vermeerderen door een gebrek aan inkomsten hoewel de inkomsten op twee manieren verhoogd zouden kunnen worden. De eerste mogelijkheid is de deficiete financiering dwz. dat men meer uitgeeft dan men heeft. Maar dit zou betekenen dat de inflatie, die momenteel al twintig procent bedraagt, nog meer zal toenemen wat de regering politiek gezien in moeilijkheden brengt. De andere manier tot inkomstenvermeerdering is een verhoging van de belastingen. Maar belastingheffing op de massa van de bevolking is erg moeilijk omdat de maximum-grens al bijna bereikt is (momenteel komt vijfennegentig procent van de regeringsinkomsten uit de indirecte belastingen). Alleen een duidelijk dictatoriaal bewind zou zo ver kunnen gaan. Een hogere belastingheffing voor de rijken is al helemaal uit den boze omdat dit de "investeringsprikkels" zou verminderen. (Bovendien zou de Congresspartij tijdens verkiezingen niet meer op het verkiezingsgeld van de grote bedrijven hoeven te rekenen.) Deze financiële steun is trouwens sinds 1971 illegaal.
Ook multinationals leveren hun aandeel in de verkleining van de afzetmogelijkheden voor industriegoederen. Via legale weg lieten multinationals tussen april 1968 en december 1977 9710 miljoen roepies uit India afvloeien, bijna een miljard roepies per jaar. Via illegale kanalen wordt nog veel meer rijkdom uit India weggehaald. Slechts sporadisch komt dit aan het licht. Zo werd bijvoorbeeld ontdekt dat Philips aan haar dochtermaatschappijen in het buitenland tegen de helft van de kostprijs lampen leverde, waardoor op elk exemplaar een flinke winst geboekt kon worden. Multinationals als Philips beweren dat ze India helpen door kapitaal het land in te brengen. Maar wat ze er uitslepen, is veel meer. Op deze manier helpen ze aan de verarming van het land. Een ander voorbeeld is Glaxo Laboratories, een farmaceutische multinational. Deze startte met een investering van 0,15 miljoen roepies en was binnen vier jaar in staat alleen al via legale weg 5,06 miljoen roepies uit het land te halen. Hoewel de regering verschillende wetten heeft afgekondigd om de invloed van multinationals te beperken, worden deze wetten ongestraft geschonden. Geen enkele serieuze poging wordt ondernomen om werkelijk iets aan deze situatie te veranderen. Al met al kan dus gezegd worden, dat de economische crisis in India wordt veroorzaakt doordat grote landheren, inlandse monopoliehuizen en multinationals de Indiase bevolking dermate uitpersen dat ze tevens de mogelijkheden voor hun eigen groei beperken. De huidige politieke en sociale crisis van het land is een direct gevolg van deze economische wantoestand. De gunstige moesson van dit jaar die twee goede oogsten mogelijk maakt, zal de situatie in India tijdelijk kunnen verzachten. Toch is de enige hoop op een oplossing van de crisis het groeiende, doordachte en georganiseerde verzet van de bevolking.




LIW IN 'T NIEUWS

Hulp aan India

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 25 maart 2005