terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Vrij Nederland, 16-6-1981      

De ongelukkige leverantie van zeventien garnalentrawlers

Jan de Koning haalt zich de woede van zes en een half miljoen Indiase vissers op de nek

door:
Jan Stoof

Volgende week dinsdag wordt het jaarlijkse bestedingsoverleg tussen India en de Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking gehouden. Op een vraag van India zal - mocht die gesteld worden - in ieder geval negatief geantwoord worden: Nederland zal voorlopig geen nieuwe garnalentrawlers leveren.

'Het Nationaal Forum, dat op nationaal niveau de grootste bonden van traditionele vissers in India vertegenwoordigt, wenst u op de hoogte te stellen van zijn volledige oppositie tegen dit contract tussen de Nederlandse en de Indiase regering.' Welk contract? 'De zeseneenhalf miljoen mensen grote gemeenschap van catamaran- en countryboat-vissers in India zijn ervan overtuigd dat dit contract om zeventien garnalentrawlers te leveren uiteindelijk de druk op de traditionele bevissers van de kustwateren zal verhevigen.'
Aí, daar bijt de hond in de hand die hem strelen wil. Een halfjaar voordat de eerste in Nederland gebouwde garnalentrawler op voor India gunstige voorwaarden aan dat land zal worden overgedragen richt de grootste overkoepelende vissersvakbond zich in een brief tot minister Jan de Koning van Ontwikkelingssamenwerking waarin niet alleen verzet wordt aangetekend, maar waarin de minister bovendien naïviteit wordt aangewreven, alsmede een handelwijze die 'uitsluitend bedoeld is om de rijken en machtigen nog rijker te maken en de economische worggreep van de onderdrukkers nog klemmender te doen zijn.'
India, zo is in de afgelopen jaren tijdens gesprekken met Den Haag duidelijk geworden, stelt het zeer op prijs wanneer een deel van de Nederlandse ontwikkelingshulp wordt besteed aan steun voor de visserij. Geen wonder dus dat toen in 1976 bleek dat het Nederlandse ministerie van Ontwikkingssamenwerking enkele honderden miljoenen te besteden had, ook aan India werd gedacht. Overleg leidde er toe dat in 1979 twee trainings- en onderzoeksschepen werden geleverd ten bate van de zogenaamde diepzeevisserij. Over de noodzaak van die leverantie - op Indiaas verzoek - valt bij nader inzien misschien iets af te dingen. Een van de schepen kon al nauwelijks worden opgeleverd omdat India geen geschoolde bemanning kon verzorgen. Uiteindelijk konden de vaartuigen pas aan het werk nadat boven de al aan de bouw bestede dertig miljoen gulden nog eens een miljoen werd uitgetrokken om op elk schip een Nederlandse schipper en een Nederlandse machinist te zetten.
Belangrijker is het kader waarbinnen deze schepen (en hun ruim veertig zusterschepen uit bijkans aller heren landen) opereren. Tot aan het begin van de jaren vijftig werd de visserij in India alleen beoefend door traditioneel werkende vissers - dezelfden die zich nu tegenover minister De Koning beklagen. In 1951 voeren langs de zesenvijftighonderd kilometer lange kust van India dertien zeegaande, gemotoriseerde schepen: noviteiten waarvan - naar men dacht - geen enkele bedreiging uitging voor de kustvissers met hun soms uit aan elkaar gebonden planken bestaande hulk jes.
Van een visverwerkende industrie was in die jaren nog helemaal geen sprake - koelinstallaties en koelwagens en -auto's waren nog niet aan de orde. De Indiase visproduktie kwam van de traditionele vissers, met hun traditionele conserveringsmethoden, te weten drogen en zouten. De vishandel beperkte zich vooral tot de kuststroken, om de doodeenvoudige reden dat een infrastructuur voor handel en transport ontbrak. Niettemin voorzag de traditionele visvangst voor enkele miljoenen Indiërs in de eiwitbehoefte - en bezorgde ze bovendien een beroepsmatige broodwinning. En nu nog, aan het begin van de jaren tachtig, voorziet de traditionele visserij met haar primitieve scheepjes, strandnetten en vislijnen, in driekwart van de opbrengst van de Indiase visserij. En die visserij is weer goed voor anderhalf procent van het nationaal inkomen.
Na het aarzelende begin kwam de gemotoriseerde visvangst pas goed op gang toen in 1957 een Noors-Indiaas project van start ging waarbij de Westeuropese wijze van visvangst sprongsgewijs werd ingevoerd. En niet alleen in het kader van de Noorse ontwikkelingshulp, ook binnen het kader van eenvoudig winstbejag werden meer en meer en steeds zwaarder gemotoriseerde schepen in de Indische wateren aan het werk gezet. Het gevolg is dat er nu ruim veertienduizend zwaar gemechaniseerde schepen rondvaren, aangevuld met nog tenminste hondervijftig trawlers met visverwerkingsfaciliteiten. Daar komt dan nog eens bij de min of meer illegale aanwezigheid van industrieschepen uit Japan, Thailand, de Sovjetunie, Zuid-Korea en Taiwan die profiteren van de gebrekkige wijze waarop India zijn tweehonderd-mijlszone beschermt tegen indringers. Het moderniseringsproces dat zich voordoet laat zich samenvatten onder twee noemers, enerzijds de goedbedoelde ontwikkelingshulp die buitenlandse methoden invoert en anderzijds het pure winstbejag dat hetzelfde doet.
De gevolgen laten zich raden, ze wijken nauwelijks af van die welke in de Noordzee en de Atlantische Oceaan zijn waar te nemen: overbevissing, vooral van de kustwateren. Gevolg van die overbevissing is een voortdurend teruglopen van de vangsten, voor sommige vissoorten al sinds het begin van de jaren zeventig. Die teruglopende vangsten worden vooral veroorzaakt door de manier waarop de zwaar gemotoriseerde schepen werken: het zijn voornamelijk trawlers, die hun netten tot op de zeebodem laten zakken en deze als het ware omploegen, vooral bij de garnalenvangst (garnalen zijn in dit geval niet die beestjes ter grootte van een pasgeboren muis, maar de grotere variëteit, hier te lande vooral geserveerd in Chinese, Spaanse en Italiaanse restaurants). Dit omploegen heeft tot gevolg dat veel van het planten- en dierenleven wordt verwoest, met andere woorden dat de zeebodem die achterblijft nadat een vloot trawlers is voorbijgetrokken het best te vergelijken valt met een woestijn. De visstand voor de Indiase kust loopt hierdoor enorm terug.

Brodeloos
Voor de industriële vissers heeft de overbevissing tot gevolg dat het rendement op de investeringen minder is dan verwacht, maar dat maakt de scheepseigenaren niet brodeloos. Wie Wèl brodeloos worden zijn de traditionele vissers met hun tweehonderdduizend roei- of zeilscheepjes en hun strandnetten, en met hen de Indiase visserfamllies, in totaal zesenhalf miljoen mensen. Vandaar dus de zinsnede in de brief van het National Forum aan minister De Koning dat 'de zesenhalf miljoen mensen tellende gemeenschap van traditionele vissers ongelukkig is over de jongste ontwikkeling in de Indiaas-Nederlandse samenwerking die niet in hun belang is.' Het Forum drukt zich zeer parlementair uit. In feite leidt de invoering van de grootschalige, westerse vismethoden ertoe dat de traditionele vissers niet meer in staat zijn om de vis in zodanige hoeveelheden aan land te brengen dat ze op grootschalige wijze kan worden verwerkt, wat tot gevolg heeft dat deze vissers buiten de markteconomie worden geduwd. Bovendien is de grootschalige visserij niet gericht op de binnenlandse markt, maar op de export, tegen exportprijzen. De Indiase bevolking die prijs stelt op een smakelijke en gezonde viscurry heeft de prijs van vis daardoor sinds 1965 zien vertienvoudigen, terwijl de prijzen van andere levensmiddelen ongeveer verdrievoudigden.
Wanneer nu het National Forum for Catamaran and Countryboat Fishermen's Rights and Marine Wealth zich, met behulp van de Nederlandse Landelijke India Werkgroep, tot minister De Koning richt om te verhinderen dat zeventien Nederlandse garnalentrawlers naar India gaan als ontwikkelingshulp lijkt dat niet ten onrechte. In een rapport over Indiase vissers en aangepaste technologie geeft het National Forum precies aan waar het om gaat. De zwaar gemotoriseerde vissersschepen, zo stelt het National Forum, zijn uitstekend geschikt voor visserij in dieper water, meer dan twintig kilometer uit de kust. De kuststrook dient uitsluitend gereserveerd te blijven voor de traditionele kustvissers die immers niet ver weg kunnen met hun hooguit tien meter lange scheepjes zonder navigatiemiddelen, zonder motoraandrijving.
Die maken immers met hun traditionele manier van vis vangen geen gebruik van diepliggende, verzwaarde sleepnetten en tasten dus de broedplaatsfunctie van de kuststrook niet aan. Daarnaast is de opbrengst van de traditionele kustvisserij per geïnvesteerde roepia tweemaal zo groot als die van de moderne visserij. En ten slotte voorziet de traditionele visserij in het bestaan van zesenhalf miljoen mensen, terwijl de hele gemechaniseerde visserij slechts honderdvijfenzestigduizend mensen werk biedt op een bevolking van zeshonderdvijftig miljoen.
De brief van het National Forum is een vorm van protest die in India zelf niet altijd meer wordt toegepast. Al sinds het begin van de jaren zeventig, en vooral na het instellen van de tweehonderd-mijlszone in 1976, verzetten de traditionele vissers zich in India heel wat minder ingetogen tegen de jacht op het goud der zee. Er doen zich regelmatig mini-zeeslagen voor waarbij traditionele vissers moderne schepen enteren en opbrengen - om dan te ontdekken dat de autoriteiten niet bereid zijn om de kapiteins en reders te beboeten wegens het vissen in de voor hen verboden kustwateren. Waarop de vissers soms de trawlers in brand steken. Demonstraties van duizenden vissers voor gebouwen van deelstaatautoriteiten zijn al evenmin een uitzondering, evenmin als hongerstakingen. In 1978 en 1979 zijn er minstens zestig doden gevallen en duizenden mensen gearresteerd bij demonstraties, het gaat dus niet om zwakke protesten.

Nieuwlichterij
Zijn de Indiase kustvissers dan tegen elke technische nieuwlichterij? Dat niet, hun eisen zijn even duidelijk als bescheiden. Nieuwe technische hulpmiddelen moeten de ecologie niet bedreigen; de werkgelegenheid moet behouden blijven en de levensstandaard moet stijgen voor alle vissers, niet alleen voor de investeerders. Verwezenlijking van deze doelstelling moet volgens het National Forum voortvloeien uit de toepassing van aangepaste technologie. In dit geval wil dit zeggen dat kleine buitenboordmotoren ontwikkeld moeten worden zodat het tijdrovende roeien of zeilen kan vervallen; dat de bouwmethoden voor de traditionele scheepsmodellen verbeterd moeten worden en kleinschalige opslaginstallaties moeten worden gebouwd; dat de visdroogmethoden beter moeten en er goedkopere radioapparatuur voor verbinding met de wal ontwikkeld moet worden.
In de brief aan minister De Koning wordt ook gewezen op deze manier van ontwikkeling van de Indiase visserij. De hele zaak van de zeventien garnalentrawlers - juist zo belangrijk omdat garnalen vlak onder de kust worden gevangen - heeft in Den Haag enige verlegenheid teweeggebracht. Weliswaar valt aan de toezegging aan de Indiase regering niet te ontkomen, maar in het komende bestedingsoverleg met India over nieuwe ontwikkelingsprojecten zullen geen nieuwe schepen worden toegezegd zonder dat de zaak grondig is onderzocht. Het uitgangspunt van de Nederlandse ontwikkelingshulp is immers het verbeteren van de economische zelfstandigheid van het ontvangende land en het verbeteren van de levensomstandigheden van de armste bevolkingsgroepen. Daarom heeft het National Forum met zijn brief een gevoelige snaar geraakt. De discussie over de grootschalige versus de traditionele visserij in India loopt al jaren, maar de Nederlandse ambassade in New Delhi heeft ter zake niets gerapporteerd. Pas uit een verslag van twee onderzoekers die vorig jaar het functioneren van de twee onderzoeks- en trainingsschepen bezagen bleek dat er in ieder geval met de garnalenvisserij in India iets fout zat. Niet zonder ironie wijst Twan Custers van de Landelijke India Werkgroep dan ook op een passage in het verslag van een reis van de vaste kamercommissie voor Ontwikkelingssamenwerking (in juni 1980), waarin staat: 'De vraag lijkt dan ook gerechtvaardigd of uitbreiding van de ambassadestaf niet ten zeerste geboden is.' Een uitbreiding van de werkgelegenheid in Nederland waarmee die van de Indiase vissers ook gediend zou kunnen zijn.




LIW IN 'T NIEUWS

Hulp aan India

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 4 april 2005