terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Bevrijding, 24-6-1981      

'Ontwikkelingshulp'

Bijna onopgemerkt is India de laatste jaren het grootste koncentratieland van de Nederlandse bilaterale (van land tot land) ontwikkelingshulp geworden. De toenemende Nederlandse interesse bij dit gigantisch grote land blijkt o.a. uit de reis van een delegatie uit de vaste Kamerkommissie voor ontwikkelingssamenwerking vorig jaar, en het bezoek van een ambtelijke delegatie - o.l.v. Prins Claus als adviseur van Minister De Koning - begin dit jaar. Welke ekonomische relaties bestaan er tussen India en Nederland, en wat is het perspektief daarvan voor de zogenaamde 'armste bevolkingsgroepen?'

De hulprelatie tussen India en Nederland dateert al van 1962. India was het eerste land dat financiële hulp van Nederland kreeg. Tot 1972 ontving het land in totaal 407,93 miljoen gulden. Daarna nam de hulp sterk toe tot b.v. zo'n 225 miljoen in 1979 en 234 miljoen in 1980. De Nederlandse hulp vormt maar een klein gedeelte van het totaal dat India aan hulp ontvangt (voor 1979 zo'n 5,4 procent). Maar binnen het Nederlandse beleid neemt India een steeds belangrijker plaats in.

Uit het in opdracht van de Nederlandse regering opgestelde rapport 'Evaluatie van de Nederlandse ontwikkelingshulp' (het zgn. rapport Janssen), blijkt dat de hulp destijds gestart werd om de export van een vijfentwintigtigtal Nederlandse bedrijven naar India voor een teruggang te behoeden (India kampte met een tekort aan buitenlands geld) èn vooral ook om nieuwe exporten te stimuleren.

Deze verkapte exportsubsidie aan een beperkt aantal Nederlandse bedrijven is eigenlijk tot op heden voortgezet. Dit blijkt o.a. uit het feit dat de hulp voornamelijk gekoncentreerd is op de ekonomische infrastruktuur (havenaanleg, levering visserijschepen), leverantie van grondstoffen en halffabrikaten voor de industrie en omvangrijke kunstmestleveranties. Van alle projekten die in 1979 in uitvoering waren, had 50 procent betrekking op kunstmestleveranties (voornamelijk uitgevoerd door DSM) en 16 procent op de levering van kapitaalgoederen. Door het gebonden karakter van de hulp, gaat zo ongeveer
Blauwe Revolutie

De overlevingskansen van zes miljoen Indiërs wordt bedreigd doordat het Nederlandse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking die de levering van 17 garnalen-trawlers aan India financiert. Een duidelijker voorbeeld van hoe fout de ontwikkelingssamenwerking van het Westen in het algemeen en Nederland in het bijzonder met de 'derde wereld', kan uitpakken is nauwelijks denkbaar.
Dertien Indiase vissersbonden, samenwerkend in een Nationaal Forum, schreven onlangs een open brief aan minister de Koning van Ontwikkelingssamenwerking waarin zij zich uitspraken tegen de levering van de trawlers. Deze schepen worden gebouwd bij twee Nederlandse werven en kosten tezamen 33 miljoen gulden. Het inzetten van deze vissersboten zou er voor verantwoordelijk zijn dat de vangst van de ambachtelijke traditionele vissers nog verder terugloopt. Naar aanleiding van de brief van de Indiase vissersbonden werd eind mei bekend dat de levering van acht trawlers voorlopig is opgeschort. Het Nederlandse ministerie wil echter de overige negen schepen toch leveren, met als argument dat ons land anders aansprakelijk zou worden gesteld voor de schade die de 'kontraktbreuk' oplevert en omdat het (Nederlandse) 'werkgelegenheidsaspekt' toch belangrijker is.

Al eeuwenlang worden de kustwateren van India, met aan de plaatselijke omstandigheden aangepaste vismethoden, bevist. De vis levert miljoenen mensen werk èn betaalbaar eiwitrijk voedsel. Door de toenemende mechanisering van de visserij - en de daarmee gepaard gaande toenemende export - loopt de visvangst van de traditionele vissers steeds verder terug en wordt de vis voor de plaatselijke konsument nagenoeg onbetaalbaar. Daarnaast gaat het probleem van de overbevissing meespelen (daar kunnen de Westeuropese vissers van meespreken) en wordt het milieu in de kuststrook aangetast. De grote handelaren die de moderne vissersschepen in hun bezit hebben en exploiteren zeggen over het algemeen de diepzee te willen bevissen (en daar komen de traditionele vissers met hun kleine bootjes niet). De feiten zijn echter anders: de huidige diepzeevloot bestaat uit garnalen-trawlers, die de garnalen halen waar ze zitten: langs de kust.
Het financieren van de zeventien trawlers is niet de eerste keer dat de Nederlandse 'ontwikkelingshulp' een kwalijke rol speelt. Al eerder leverde Ontwikkelingssamenwerking visserij-onderzoeksschepen. De onderzoeksresultaten van deze schepen hebben het alibi verschaft om meer en grotere trawlers aan te schaffen.
De Landelijke India Werkgroep publiceerde deze maand een brochure, onder de titel "Blauwe Revolutie", over de bedreiging van de werkgelegenheid van de Indiase vissers door (en de woede van hen over) de Nederlandse 'hulp'.

80 procent daarvan meteen naar Nederlandse ondernemers. (Opvallend in dit verband is, dat goedingelichte bronnen vanuit het Ministerie vertellen dat India pas twee jaren geleden op de hoogte is gebracht van het feit dat de hulp sedert januari 1975 partieel ontbonden is, d.w.z. dat leningen ook in andere ontwikkelingslanden besteed mogen worden.) Doordat het grootste gedeelte van de hulp gegeven wordt in de vorm van rentedragende leningen drukt ze zwaar op de Indiase ekonomie. Tegenwoordig moet India in het algemeen zo'n 60 procent van de hulp die het ontvangt onmiddellijk gebruiken voor rente en aflossing van eerder ontvangen gelden.

Ook de berichten over het anderhalf door Nederland ondersteunde sociale projekt zijn weinig optimistisch. Zo worden in het kader van het medefinancieringsprogramma via de FNV een aantal vakbondsprojekten gesteund van met name rechtse bonden zoals INTUC, welke verbonden is met Indira Gandhi's Congrespartij.

Partikuliere investeringen
Ruim voordat de Nederlandse ontwikkelingshulp aan India begon, waren er al een aantal Nederlandse ondernemingen in het land aktief. Philips startte bijvoorbeeld haar aktiviteiten in India in 1930 en Unilever in 1933. Samen met ENKA zijn dit momenteel nog steeds de belangrijkste ondernemingen die in India aktief zijn. Verder hebben nog een groot aantal relatief kleine Nederlandse ondernemingen technische en/of financiële samenwerkingsverbanden met Indiase bedrijven. Hiertoe behoren o.a. Océ van der Grinten, Grasso, Organon, Smit Transformatoren (Nijmegen), Wavin (een Shell-dochteronderneming), Vicon (Nieuw-Vennep) en Hendrix (Boxmeer).
Het effekt van deze Nederlandse bedrijven binnen de Indiase ekonomie laat zich goed illustreren aan de hand van het voorbeeld van Philips India, tegenwoordig PEICO genoemd. In 50 jaar is het bedrijf in India uitgegroeid tot een organisatie met ongeveer 7000 mensen in dienst en fabrieken en verkooporganisaties in Madras, Bombay, Calcutta, Poona en Thana. De produkten die men maakt variëren van grammofoons, radio's en lampen tot kalkulators en kommunikatiesystemen.
Buitenlandse bedrijven maken in India fabelachtig hoge winsten. Volgens regeringscijfers liggen deze gemiddeld 250 procent hoger dan die van Indiase bedrijven. In 1977 bijvoorbeeld maakte de dertig grootste multinationale ondernemingen een bruto winst van 1533 miljoen Rupees op een geïnvesteerd kapitaal van 1375 miljoen (een rupee is ongeveer 27 cent). Door dit soort gigantische winsten kunnen sommige bedrijven hun aanvangsinvesteringen in 1 à 2 jaar terugverdienen. Ook Philips heeft de laatste jaren in India aanzienlijke winsten geboekt. Zo was de bruto winst als percentage van het totale geïnvesteerde kapitaal voor de jaren 1979 en 1980 zo'n 20 procent. Deze enorme winsten leiden niet alleen tot een snelle groei, maar ook tot omvangrijke overboekingen naar het buitenland. In 1977 verdwenen op deze wijze 1153 miljoen rupees uit het land. De wekelijke winsten en kapitaalvlucht zijn waarschijnlijk nog veel omvangrijker door interne overboekingen tussen moeder- en dochterbedrijven. Daarnaast wordt o.a. op grote schaal aan belastingontduiking in India gedaan. Een kommissie van de Indiase overheid heeft met betrekking tot Philips aangetoond, dat men deze produkten naar Europa exporteerde onder de kostprijs!

Verder hebben bedrijven als Philips en Unilever vaak een bijzonder grote nadelige invloed op Indiase producenten die dezelfde produkten maken. Deze worden door hen nogal eens kapot gekonkurreerd met illegale - boven het via licenties toegestane aantal - produktiekapaciteiten. Philips en Unilever zijn momenteel binnen India de multinationals met het grootste aantal van deze overkapaciteiten (respektievelijk voor 12 en 11 produkten). Hierdoor wordt niet alleen werkgelegenheid teniet gedaan, maar vindt ook een versnelde koncentratie van kapitaal plaats.

Claus als loopjongen
Ondanks het feit dat de Nederlandse ontwikkelingshulp niet of slechts nauwelijks aansluit bij de basisbehoeften van de massa van de Indiase bevolking - ongeveer 50 procent leeft volgens officiële cijfers onder de armoedegrens - en de Nederlandse partikuliere investeringen veel negatieve effekten hebben, ziet het ernaar uit dat deze ekonomische banden tussen India en Nederland de komende jaren nog verder uitgebreid zullen worden. Doel van de verkapte handelsmissie (begin dit jaar) van Claus en de topambtenaar van het Ministerie professor Van Dam, was te onderzoeken in hoeverre de relaties tussen India en Nederland op het terrein van handel, ekonomie. financiën, landbouwtechniek, wetenschap en kultuur verbreed kunnen worden. Het aan het einde van de reis door Claus en de Indiase Minister voor Handel ondertekende memorandum laat over de richting van deze samenwerking dan ook niets aan duidelijkheid te wensen over. Er wordt onomwonden gepleit voor een uitbreiding van de kommerciële relaties en een (nog) grotere verwevenheid tussen bedrijven en ontwikkelingssamenwerking. In paragraaf 2.8. van dit stuk staat bijvoorbeeld 'Men kwam overeen dat bij daarvoor in aanmerking komende industriële samenwerking het gebruik van overheidsgelden en van partikuliere middelen uit India en Nederland, met inbegrip van fondsen voor ontwikkelingssamenwerking, zou kunnen worden overwogen.'

Verzet
Wat vormt nu de achtergrond van deze vergrote Nederlandse belangstelling voor India? Op de eerste plaats speelt natuurlijk het feit dat het land. ondanks het gegeven dat zo'n groot percentage van de bevolking onder de armoedegrens leeft, een gigantisch grote afzetmarkt heeft. Op de tweede plaats zijn de lonen er voor buitenlandse investeerders aantrekkelijk laag. Op de derde plaats heeft de Indiase overheid voor een goede infrastruktuur - in de vorm van wegen en havens, kommunikatiemiddelen etc - gezorgd, en legt zij buitenlandse investeerders niets in de weg bij overboekingen van winsten, royalties en dividenden naar het buitenland. Verder is o.a. ook belangrijk dat het repressieve bewind van Indira Gandhi veel arbeidsonrust voorkomt, en dat m.n. in de exportzones grote koncessies aan buitenlandse investeerders wordt gegeven.
Ook bieden de aktiviteiten in India aan Nederlandse bedrijven de mogelijkheid om samen met Indiase bedrijven projekten op te zetten in andere ontwikkelingslanden. Zo kan de goedkope Indiase arbeidskracht ook buiten het land zelf uitgebuit worden.
De armste kasten en klassen in India zijn natuurlijk op de eerste plaats de dupe van deze steeds verdergaande ekonomische plundering van hun land. Het omvangrijke verzet daartegen o.a. door de progressieve partijen en massaorganisaties verdient dan ook ondersteuning vanuit Nederland.




LIW IN 'T NIEUWS

Hulp aan India

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 24 maart 2005