terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: De Volkskrant, 26-6-1982      

Besteding hulp aan India illustreert falend beleid Den Haag

door:
Marieke Aarden
In het kader van de ontwikkelingshulp zou Nederland India zeventien trawlers leveren. Negen zijn al verscheept. Met de resterende acht zal dit waarschijnlijk niet gebeuren, want trawlers blijken helemaal niet goed voor de Indiase visserij. Nederland zal India wel kunstmest leveren. Een dure transactie voor ontwikkelingslanden. Marieke Aarden zet het falend beleid op een rij.

DEN HAAG - Als maandag in Den Haag het overleg over de besteding van de 238 miljoen gulden ontwikkelingshulp aan India begint, staan twee zaken centraal: het niet doorgaan van de levering van acht trawlers voor de Indiase visserij, en van de kunstmest die uit hulpgelden moet worden gefinancierd.

Beide zaken hebben een merkwaardige voorgeschiedenis en zijn illustratief voor falend beleid. Dat wordt veroorzaakt door gebrek aan kennis, te weinig deskundigheid - en voorzover aanwezig veronachtzaamd - en een al te groot verlangen de Nederlandse economie te laten profiteren van hulpgelden. Dat is het grondpatroon.
In 1980 werd afgesproken, dat Nederland zeventien trawlers uit de hulpgelden zou leveren. Daarvan zijn er inmiddels negen naar India verscheept, de overige acht zullen pas worden geleverd, als Nederland zelfstandig onderzoek mag verrichten naar de vraag of deze modern uitgeruste trawlers de plaatselijke kustvisserij niet om zeep helpen. India voelt daar niets voor.
Een woordvoerder van Ontwikkelingssamenwerking meent, dat tijdens het bestedingsoverleg de knoop wordt doorgehakt. Stilzwijgend gaat men al uit van een andere bestemming voor de nog resterende veertien miljoen die voor de acht trawlers waren uitgetrokken.

Armsten
Het afgelopen jaar is OntWikkelingssamenwerking door vele deskundigen bestookt met vragen over de averechtse effecten voor de armsten in India, die door de levering van de trawlers hun broodwinning verliezen.
Eén van de deskundigen, die meent, dat Nederland de trawlerlevering aan India een stille dood wil laten sterven, is de econoom drs F.W. Blase. Hij werkte twee jaar voor de Wereld Voedsel Organisatie (FAO) van de Verenigde Naties in het Indiase Madras. Het bevreemdt hem dat Nederland zo weinig prijs heeft gesteld op deskundigheid van de FAO.
"De enige keer dat ik ben benaderd, was met de vraag of de gegevens van het vorig jaar verschenen boekje 'De blauwe revolutie' van de Landelijke India Werkgroep in Utrecht klopten. Nou, dat was uitstekend," aldus Blase. De contacten gaan nu wat vlotter. Blase is onlangs op het departement ontboden.

Melden
Daaraan ging een nogal taaie strijd vooraf. Voor het eerst gaf hij zijn visie op de ontwikkelingen van de Indiase visserij aan de Tweede Kamercommissie voor Ontwikkelingssamenwerking, die in 1980 op bezoek was in dat land. "Ik heb toen onmiddellijk tegen de Nederlandse consul gezegd, dat ik de commissie - waarin Lubbers (CDA) en Den Uyl (PvdA) zaten - wel wat te melden had. Ik heb alles keurig op papier gezet, en gezegd dat ik beschikbaar was voor verdere informatie. Maar ik heb nooit meer wat gehoord. Een jaar later heb ik de commissie-Claus opnieuw gezegd, dat de levering van de trawlers de nekslag zou betekenen voor de traditionele vissers."
Blase: "Als econoom zie ik dat die trawlers helemaal niet zo winstgevend zijn voor de Indiase economie en de betalingsbalans. Dat heeft alles te maken met de veronderstelling, dat de economie in ontwikkelingslanden kan opbloeien als er een lucratieve afzet is."
"Tien jaar geleden was dat met de garnalen het geval, maar het beeld is nu compleet veranderd. In de tijd is de prijs van de garnalen met zestig percent gedaald, en is de brandstof voor de schepen zestig percent duurder geworden. Er is nu sprake van een overaanbod, want Japan, Taiwan, Maleisië en Sri Lanka storten zich met moderne schepen eveneens op de vis. De FAO is daar trouwens schuldig aan, omdat die de grootschaligheid in voorgaande jaren stevig heeft gepropageerd."
Volgens Blase is het belangrijk dat een land dat een visserijpolitiek wil opzetten, zich niet in onrendabele activiteiten stort. Onze onderzoeken ter plekke tonen aan, dat subsidie voor de trawlervisserij de schatkist zoveel gaat kosten, dat het land in twee jaar blut is. Uitgangspunt voor New Delhi is dat de visserij een impuls geeft aan de export en dat er meer dollars terugkomen dan er in werden gestopt. Het omgekeerde is het geval.
Om de visserij winstgevend te maken, moeten de vissers dicht bij de kust blijven, want dat houdt de stookkosten laag. Maar in die kustwateren zitten de traditionele vissers met hun brede sleepnetten, hun enige bezit.
Trawlers kunnen daar moeilijk tussendoor zigzaggen, en zo worden maar al te vaak de netten stukgevaren. Dat betekent dat de gedupeerde van de ene dag op de andere straatarm is en anderen in zijn val meesleept. Want vijftig percent van de visserijbevolking is in dienst van vissers die het geluk hebben dat ze over een net beschikken.
Wil het Nederlandse beleid zich richten op de armsten, dan kun je beter 20 duizend kilo netten leveren, dan een paar mensen gelukkig maken met een schip, meent Blase. Voor die nieuwe strategie van de FAO is Delhi "nogal kopschuw". "Vermoed wordt dat we via stiekeme acties de vissers trachten te mobiliseren in een soort vakbond. In feite moeten we de indruk wegnemen, dat we bezig zijn met subversieve acties."

Behoefte
Volgens Blase gaat het tijdens het bestedingsoverleg vaak zo, dat het donorland de bestelling opgeeft. Ontwikkelingssamenwerking wil geen opening van zaken geven over de Nederlandse verlanglijst, maar een woordvoerder geeft toe dat kunstmest wel hoog genoteerd zal staan. Aan dat laatste is onvoorstelbare behoefte, doordat India zijn kunstmestfabrieken niet op volle kracht kan laten draaien, door gebrek aan kolen en olie.
Sinds 1969 heeft Nederland voor ruim 1 miljard gulden aan kunstmest naar India geëxporteerd. Dat is voor ongeveer driekwart uit hulpgelden betaald. De hoeveelheden die in 1980 en 1981 werden geleverd, aldus de brochure over de kunstmesthulp aan India van de Landelijke India Werkgroep, waren nagenoeg gelijk, alleen betaalde India er afgelopen jaar 108 miljoen gulden meer voor.
Formeel gesproken kan India de kunstmest behalve in Nederland ook in een ander ontwikkelingsland kopen, maar Derde-Wereldlanden exporteren vrijwel geen kunstmest. India komt dus automatisch bij Nederland uit, bij de Unie van Kunstmest Fabrieken, een dochter van het staatsbedrijf DSM en de Nederlandse Stikstof Maatschappij, dochter van de Noorse multinational Norsk Hydro. Kenmerkend voor de Westerse kunstmestindustrie is de kartelvorming, gericht op nationale markten. De overschotten worden in de Derde Wereld gedumpt.

Hoog
De prijzen die op de nationale markt gelden, zijn stabiel en voor de Derde Wereld instabiel, en voorzover betaald met hulpgelden zelfs merkwaardig hoog. Ontwikkelingssamenwerking heeft geen enkele greep op die prijs.
En dat is opmerkelijk, want in 1980 exporteerde Nederland voor 1,47 miljard gulden aan kunstmest. Daarvan ging 540 miljoen (37 percent) naar de Derde Wereld. Vergelijken we de kunstmesthulp in 1980 (405 miljoen) met de totale Nederlandse export naar de Derde Wereld, dan blijkt dat 75 percent van die export met ontwikkelingsgeld wordt betaald. Er is in Nederland geen bedrijfstak van soortgelijke omvang, waarvan de relatie met de Derde Wereld zozeer samenvalt met de ontwikkelingshulp.

Dubbel
In sommige landen, zoals Engeland, is het zeer gebruikelijk dat de overheid de zwakke bedrijven steunt via ontwikkelingshulp. Bij de Nederlandse kunstmestindustrie is er zelfs sprake van een dubbele tegemoetkoming: de Nederlandse landbouw betaalt stabiele prijzen mede dankzij het belangrijke aandeel van de exportopbrengsten waarvoor Ontwikkelingssamenwerking een behoorlijke bijdrage levert.
Volgens de Landelijke India Werkgroep vormen maximum prijzen voor door Ontwikkelingssamenwerking te financieren kunstmestsoorten, die niet hoger liggen dan de prijs van de Nederlandse groothandel, de beste oplossing. Ontwikkelingssamenwerking kan dat makkelijker afdwingen, aangezien de grootste kunstmestexporteur, DKF, de dochter is van het staatsbedrijf.




LIW IN 'T NIEUWS

Hulp aan India

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 24 maart 2005