terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Hervormd Nederland, 14-8-1982      

Alleen bedrijfsleven vaart er wel bij

Ontwikkelingsgeld voor India legaliseert schending van mensenrechten

door:
Frank Thomassen

Het overleg over de besteding van 238 miljoen gulden ontwikkelingshulp voor India is afgerond. Nederland is daarbij voor ruim 140 miljoen gulden 'definitieve verplichtingen' aangegaan en het restant is - gegeven de moeilijke positie van de schatkist - voorlopig 'gereserveerd'. India krijgt voor vijftig miljoen gulden kunstmest, een zelfde bedrag gaat naar kleinere irrigatieprojecten op het Indiase platteland en ruim twintig miljoen gulden is bestemd voor drinkwatervoorzieningen in Gujarat en Kerala. Het restant, circa negen miljoen, is bestemd voor allerlei materialen, te leveren door het Nederlandse bedrijfsleven. Opvallend is, dat de levering van acht visserijschepen is geschrapt. India zou oorspronkelijk zeventien van deze schepen krijgen, maar na de eerste leverantie van negen schepen kwam er van verscheidene zijden protest, omdat deze schepen het bestaan van miljoenen kleine vissers in India bedreigden.

Officieel staan binnen het Nederlandse ontwikkelingsbeleid de laatste jaren drie doelstellingen centraal. In de eerste plaats dient de hulp bij te dragen aan de economische verzelfstandiging ('self-reliance') van de ontvangende landen. In de tweede plaats dient zij erop gericht te zijn 'zo snel en zo direct mogelijk het lot te verlichten van de vele honderden miljoenen die op dit ogenblik niet aan een minimumbestaansbasis toekomen'. Deze twee doelstellingen - armoedebestrijding en verzelfstandiging, in vakjargon tweesporenbeleid genoemd - worden in de officiële beleidsdocumenten van het ministerie vaak gecombineerd met een derde criterium: dat men van de desbetreffende regering verwacht dat een positief beleid ten opzichte van de mensenrechten wordt gevoerd. India is sedert 1977 het grootste concentratieland van de Nederlandse bilaterale ontwikkelingssamenwerking. De hulprelatie dateert al vanaf 1962: tot 1982 ontving India van Nederland voor zo'n 2026 [??] miljoen gulden aan schenkingen en leningen. Om tot een goede beoordeling van de Nederlandse ontwikkelingshulp aan India te komen, moet worden nagegaan in hoeverre het interne Indiase ontwikkelingsbeleid en met name dat van de Congrespartij van mevrouw Gandhi, die sedert 1947 bijna onafgebroken aan de macht is, aansluit bij de doelstellingen van het Nederlandse beleid.

Barbaars
Ongeveer de helft van de Indiase bevolking leeft volgens officiële cijfers van de regering onder de armoedegrens. Dit betekent dat dagelijks zo'n 340 miljoen mensen in India niet voldoende inkomen hebben om in de noodzakelijke behoefte aan voedsel (2400 calorieën per dag) te voorzien. Bovendien groeit dit percentage nog jaarlijks. Over het beleid van Indira Gandhi ten aanzien van de armoedebestrijding kan gezegd worden dat 'de uitvoering van dat (sociaal) beleid zoveel te wensen over laat, dat de resultaten ervan vragen oproepen aan de ernst en motivatie waarmee het armoedeprobleem wordt aangepakt ... De economische groei in India is vooral ten goede gekomen van de hogere en middelbare inkomensklassen ... Ook het beleid van de huidige regering lijkt zich vóór alles op deze groepen te richten ... De concentratie van produktiemiddelen bij een kleine groep van de bevolking neemt snel toe...'. Dit citaat, een uitstekende illustratie van het ontwikkelingsbeleid van mevrouw Gandhi, is niet afkomstig uit een publikatie van een of andere actiegroep, maar uit een interne nota van het Nederlandse ministerie van ontwikkelingssamenwerking.
Ook het beeld van de mensenrechtensituatie in India is niet positief. Was er tijdens de regeerperiode van de Janata-partij (1977-1979) misschien sprake van een verbetering van de mensenrechten, volgens de ministeriële nota lijkt deze lijn 'tijdens de nieuwe Gandhi-regering toch weer naar beneden te buigen. De regering heeft (...) weer ruime mogelijkheden geschapen personen in langdurige preventieve hechtenis te nemen, zonder gerechtelijke vervolging'. Bovendien is 'het gedrag van de sterke arm in vele Indiase staten ronduit barbaars. Bij demonstraties wordt snel van vuurwapens gebruik gemaakt en het aantal doden door politiekogels is niet onaanzienlijk. Gevangenen worden vaak mishandeld'.

Provisie
Met het streven naar een economische verzelfstandiging is het in India eveneens slecht gesteld. Vooral sinds de terugkeer van mevrouw Gandhi in januari 1980 wordt een zeer liberaal beleid ten aanzien van buitenlandse investeringen gevoerd. Zo werd de door multinationale ondernemingen illegaal - dat wil zeggen: boven het via licenties toegestane aantal - opgebouwde produktiecapaciteit gelegaliseerd; mogen de bedrijven in de zogeheten free trade zones (vrijhandelzones), die oorspronkelijk exclusief voor de export moesten produceren, voortaan 25 procent van hun produktie op de binnenlandse markt afzetten; worden weer buitenlandse oliemaatschappijen bij de olie-exploratie toegelaten; is het importbeleid geliberaliseerd etcetera. Bovendien heeft de IMF-lening van 14,5 miljoen gulden die eind vorig jaar aan India werd verstrekt, ertoe geleid dat privé-investeringen over het algemeen bijna niets meer in de weg wordt gelegd en dat India's begroting voortaan door het IMF in Washington wordt opgesteld. 'Voor de oplossing van het armoedeprobleem hanteert de regering Gandhi dus weer het oude recept... verhoging van de economische groei, door meer efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen en verhoogde produktiviteit', zegt het rapport van het ministerie.
Het is opvallend dat, gezien het feit dat men binnen het ministerie blijkbaar uitstekend op de hoogte is van het feit dat het beleid van mevrouw Gandhi niet aansluit bij de Nederlandse beleidsdoelstellingen en men zeer weinig vertrouwen heeft in het beleid van de Congrespartij, India een zeer groot gedeelte van de Nederlandse ontwikkelingsgelden blijft ontvangen. Het heeft er dan ook alle schijn van, dat de onderzoekers die aan het onlangs door de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (Somo) uitgegeven boekje Wie helpt wie? meewerkten, gelijk hebben: het gaat hier vooral om ontwikkelingshulp aan het Nederlandse bedrijfsleven. In het algemeen wordt zeventig à negentig procent van de Nederlandse ontwikkelingshulp (de aanschaf van goederen) besteed bij Nederlandse bedrijven. Exportproblemen van een aantal Nederlandse bedrijven vormden in 1962 de aanleiding om de Nederlandse ontwikkelingshulp aan India te starten en de belangen van Nederlandse bedrijven zijn tot op heden in de relatie met India voorop blijven staan. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de hulp voornamelijk wordt geconcentreerd op de zogeheten economische infrastructuur (onder meer havenaanleg en levering van visserijschepen), de leverantie van grondstoffen en

De kleine boeren vallen tussen wal en schip
halffabrikaten voor de industrie en omvangrijke kunstmestleveranties.
De kunstmest wordt geleverd door NSM en de Unie van kunstmestfabrieken. Volgens een - alweer interne - evaluatie van het ministerie laten de overslag, transport en opslag van kunstmest in India te wensen over, waardoor veel verloren gaat. Bovendien is algemeen bekend - zoals recentelijk ook weer eens naar voren kwam uit een studie van de Wereldbank - dat met name de kleine en marginale boeren geen geld hebben om de kunstmest te kopen. Het gaat hier in de praktijk dus om steunverlening aan de toch al rijke boeren.

Doodsklap
Van de oorspronkelijk toegezegde zeventien visserijschepen zullen er acht definitief niet worden geleverd. Bij de leverantie van deze visserijschepen zijn de Scheepshelling Maatschappij in Scheveningen, Maaskant in Stellendam en vooral Scheepswerf Damen in Gorinchem betrokken. Omdat de aanbestedingen niet via een systeem van internationale open inschrijving verlopen, daar de orders vooral zijn bedoeld om een impuls te geven aan de kleine Nederlandse werven, zou het interessant zijn de prijzen die India voor de schepen betaalt te vergelijken met de prijzen op de wereldmarkt. Het niet leveren van de resterende visserijschepen is waarschijnlijk te danken aan het feit dat de Landelijke India werkgroep samen met het (Indiase) nationale forum voor traditionele vissers er verscheidene malen op heeft gewezen, dat de levering van de Nederlandse trawlers de doodsklap betekent voor de zeseneenhalf miljoen mensen die in India met hun kleine scheepjes van de kustvisserij afhankelijk zijn. Typerend was de reactie op deze actie van de werkgroep van de heer Campman, die als bemiddelaar tussen Indiase en Nederlandse bedrijven optreedt en bij geslaagde transacties provisie ontvangt. Hij bezwoer volgens 'Exportmarkten', het blad van de Economische voorlichtingsdienst, de werkgroep op te houden met haar anti-trawlercampagne. 'Jullie weten niet wat voor schade jullie het Nederlandse bedrijfsleven berokkenen als deze transactie niet doorgaat'. Niet alleen bij de levering van goederen en diensten vanuit Nederland zijn Nederlandse bedrijven betrokken, ook bij de uitvoering van de zogenoemde sociale projecten, zoals de drinkwaterprojecten in de deelstaat Uttar Pradesh. Een Indiase dochteronderneming van Shell, Wavin (India) Ltd., levert daarvoor de pvc-pijpen. Door grote orders van de met Nederlands en onder meer Wereldbank-geld ondersteunde projecten, is Wavin de laatste jaren uit de rode cijfers weten te komen en behoort het bedrijf op dit ogenblik tot een van de snelst expanderende pvc-producenten in India. Ook het Nederlandse ingenieursburo DHV heeft goed verdiend aan de voorbereiding en uitvoering van de drinkwaterprojecten. In India zelf bestaat bovendien veel scepsis ten aanzien van deze op het eerste gezicht aardig lijkende projecten. Een vakbondsleider van het progressieve Centre for Indian trade unions verklaarde: 'Het probleem is, dat drinkwatervoorzieningen de werkgelegenheid niet vergroten. Het aanleggen van deze voorzieningen behoort tot de sociale taken van de centrale overheid. Als het buitenland deze overneemt spaart de overheid dit geld uit. Dan hebben we nog geen garantie dat ze het uitgespaarde geld wèl voor meer werkgelegenheid zal besteden. We schieten er dus niets mee op'. Theoretisch is het zelfs mogelijk dat Nederland op die manier indirect een financiële bijdrage levert aan de defensie-inspanningen van de centrale regering.

Schenkingen
Er zijn over India nog legio andere voorbeelden van de verwevenheid tussen bedrijfsleven en ontwikkelingssamenwerking te noemen. De Indiase dochterondernemingen van Vicon (landbouwwerktuigen) uit Nieuw Vennep ontving de laatste jaren bijvoorbeeld zo'n anderhalve ton aan schenkingen van de met ontwikkelingsgelden gefinancierde Financieringsmaatschappij voor de ontwikkelingslanden (FMO). Bovendien gaf de FMO het bedrijf ook nog eens voor zo'n anderhalf miljoen gulden leningen tegen zachte voorwaarden. Het bedrijf maakte in India in 1980 en 1981 respectievelijk 2,2 en 1,6 miljoen rupees winst op een aandelenkapitaal van drie miljoen rupees.
Natuurlijk is dit overzichtje niet volledig. Bovendien moet het effect van de verplichte bestedingen bij het Nederlandse bedrijfsleven, die volgens verscheidene onderzoekers leidt tot prijsverhogingen van 40 tot 60 procent, veel nauwkeuriger worden onderzocht. Opvallend is, dat een analyse van de Nederlandse ontwikkelingshulp aan India totaal verwaarloosd is. Dit ondanks het feit dat het land het grootste concentratieland van de Nederlandse bilaterale ontwikkelingssamenwerking is en het het eerste land is waar de zogenoemde 'verzakelijking van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid' zoals die is vastgelegd in de nota Ontwikkelingssamenwerking in wereldeconomisch perspectief concreet wordt toegepast. Voorlopig kan echter op basis van de schaarse gegevens die voorhanden zijn worden geconcludeerd dat het beleid niet strookt met de officiële doelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid en de propaganda die daaromheen wordt gemaakt door met name de voorlichtingsdienst ontwikkelingssamenwerking. Exportbelangen van het Nederlandse bedrijfsleven overheersen, de armsten der armen in India worden er niets wijzer van.




LIW IN 'T NIEUWS

Hulp aan India

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 21 maart 2005