terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: NIO Kroniek 23, november/december 1982      

Kunstmesthulp aan de Derde Wereld:

Ontwikkelingssamenwerking verliest aan kartels

door:
Gerard Oonk


De Nederlandse kunstmestfabrikant UKF zet veel kunstmest af in de ontwikkelingslanden.
Tussen 1979 en 1981 is Nederlandse kunstmest voor Derde Wereld landen 75% duurder geworden en voor Nederlandse boeren 25%. De oorzaak hiervan is kartelvorming in de West-Europese kunstmestindustrie, waarvoor de Derde Wereld landen als een 'restmarkt' funktioneren. In de meeste ontwikkelingslanden komt kunstmest vooral terecht bij de grotere boeren, in India bijvoorbeeld ca. 80% bij 35% van de boeren.
Voor het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking lijkt het op grote schaal financieren van kunstmest daarom moeilijk te rijmen met de doelstellingen van de hulp: verzelfstandiging van en armoedebestrijding in ontwikkelingslanden. Toch bestaat de Nederlandse bilaterale hulp voor minstens 30% uit het bekostigen van dat produkt. De Nederlandse kunstmestindustrie is bijna alleenleverancier en is daardoor meer dan welke bedrijfstak ook, betrokken bij de besteding van ontwikkelingshulp.


Voor India - het land dat de meeste Nederlandse hulp ontvangt - ligt het percentage kunstmesthulp al vier jaar rond de 70%. Van de Nederlandse kunstmesthulp aan de Derde Wereld als geheel gaat sinds 1978 dan ook bijna de helft of meer naar dat land (zie LIW-rapport 'De Nederlandse kunstmesthulp aan India').
Aan de omvangrijke kunstmestfinanciering is tot nu toe in de publieke diskussie over ontwikkelingssamenwerking nauwelijks aandacht besteed. Toch kan juist een onderwerp als dit de diskussie over de feitelijke en de gewenste rol van het bedrijfsleven bij de besteding van de hulpgelden, veel konkreter maken. Al te vaak blijft dit debat steken in 'geloofsbelijdenissen', terwijl de effekten van de huidige betrokkenheid van bepaalde delen van het bedrijfsleven niet ter sprake komen of onvoldoende bekend zijn. In dit artikel wil ik daarom, met India als voorbeeld bij uitstek, een beeld geven van de kunstmesthulp als vorm van 'oude zakelijkheid'. Een vorm die, zoals zal blijken, op het ogenblik terrein verliest omdat de 'nieuwe zakelijkheid' meer kan bijdragen aan het bevorderen van de belangen van het Nederlands bedrijfsleven in de Derde Wereld.

Beleid en belangen
Na in de jaren zeventig voor honderden miljoenen aan kunstmestleveranties gefinancierd te hebben, is het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking pas rond 1980 begonnen met het evalueren van de kunstmesthulp aan de afzonderlijke ontwikkelingslanden. De rapporten die daar het resultaat van waren zijn ondanks het bestaan van een Wet Openbaarheid Bestuur, niet toegankelijk voor geïnteresseerde 'buitenstaanders'. Slechts middels 'vrije nieuwsgaring' heeft de Landelijke India Werkgroep het rapport over India te pakken gekregen.
Op basis van de verschillende evaluatierappor1en heeft een kommissie van ambtenaren, vooral van Landbouw en Visserij, een nota met beleidsaanbevelingen opgesteld. Voorstellen op het terrein van hulp bij de produktie, het transport en het gebruik van kunstmest zullen daar zeker deel van uitmaken (Internationale Samenwerking 15 oktober 1982). De verschillende betrokken ministeries zullen over de aanbevelingen binnenkort intern en onderling besluiten moeten nemen. Ook is op Ontwikkelingssamenwerking sinds 1 oktober nieuw onderzoek gestart naar de kunstmesthulp.



Hulp en industrie
Vooral de hulp aan de koncentratielanden India, Sri Lanka, Pakistan en Bangla Desh wordt door kunstmest gedomineerd. Maar ook een aantal Afrikaanse landen, waaronder Tanzania, Zambia, Kenia en Soedan en enkele Zuid-Amerikaanse landen (o.a. Peru en Nicaragua) ontvangen vrij grote hoeveelheden Nederlandse kunstmest. De vier Zuid-Aziatische landen besteedden in 1980 voor 255 miljoen gulden, oftewel 59% van hun totale bilaterale hulp van 432 miljoen in dat jaar, aan kunstmest. Vanaf 1978 tot nu gaat het om vergelijkbare bedragen en percentages.
Daarnaast kregen Bangla Desh en Sri Lanka in 1980 nog ± 50 miljoen voor kunstmestaankopen uit de begrotingskategorie betalingsbalanssteun, waaruit ook de meeste kunstmest voor Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen betaald wordt. Volgens een ruwe schatting kregen deze niet-Aziatische landen in 1980 voor ± 100 miljoen gulden kunstmest.
In 1980 ging 27½% van de totale bilaterale hulp aan koncentratielanden (bijna 1 miljard gulden) alleen al naar de vier Zuid-Aziatische landen. Door de koncentratielanden tesamen wordt daarom waarschijnlijk minstens 30% van de bilaterale hulp aan kunstmest besteed.
Het grootste deel van de kunstmesthulp aan ontwikkelingslanden wordt verstrekt via leningen die het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking tegen 'zachte' voorwaarden aanbiedt. Vergeleken met een kommerciële lening betekent dit dat ongeveer 2/3 geschonken wordt. Kunstmestleveranties die op deze manier gefinancierd worden zijn gedeeltelijk ontbonden, dat wil zeggen dat het betreffende ontwikkelingsland de kunstmest in Nederland of in een ontwikkelingsland kan kopen. In de praktijk wordt de kunstmest voor het overgrote deel in Nederland aangekocht, onder andere omdat weinig Derde Wereld landen kunstmest te exporteren hebben. Alleen van Pakistan en Bangla Desh is bekend dat zij met Nederlands ontwikkelingsgeld kunstmest in onder andere Marokko en Tunesië gekocht hebben.
Een ander, geringer, deel van de kunstmesthulp is geheel gebonden aan besteding in Nederland. Het betreft schenkingen voor kunstmestaankopen, veelal uit de kategorie betalingsbalanssteun, die geleverd moeten worden door één van de vijf Nederlandse kunstmestproducenten. Die kunstmestproducenten zijn de Unie van Kunstmestfabrieken (UKF, een 'volle' dochter van het staatsbedrijf DSM), de Nederlandse Stikstofmaatschappij (NSM, onderdeel van de Noorse multinational Norsk Hydro), Esso Chemie, Windmill en Zuid-Chemie. Daarnaast zijn de UKF en het Duitse BASF-koncern gezamenlijk eigenaar van de Ammoniak Unie.
Verreweg de grootste meststofproducent is UKF met een totale produktiekapaciteit (eind 1980) van 3,4 miljoen ton. NSM is tweede in de rij met 1,8 miljoen ton en de vier anderen (inklusief Ammoniak Unie) hebben samen een kapaciteit van 2,18 miljoen ton meststoffen. In 1980 werkten ongeveer 7400 mensen in de Nederlandse kunstmestindustrie, terwijl de totale omzet 2,5 miljard gulden bedroeg.
Binnen Europa is Nederland na Duitsland en Frankrijk de grootste kunstmestproducent. Wat de belangrijkste stikstofmeststoffen betreft neemt Nederland na Frankrijk zelfs een tweede plaats in. In tegenstelling tot de andere EEG-landen wordt het grootste deel van de Nederlandse kunstmestproduktie geëxporteerd. Nederland is dan ook Europa's grootste kunstmestexporteur.

India
In 1980 bedroeg de totale waarde van de Nederlandse kunstmestexport 1,47 miljard gulden, waarvan voor 540 miljoen oftewel bijna 37% naar de Derde Wereld ging. Deze cijfers maken duidelijk hoe belangrijk de ontwikkelingslanden zijn als markt voor de Nederlandse kunstmestindustrie. Als we de eerder aan kunstmesthulp genoemde bedragen voor 1980, in totaal 405 miljoen, vergelijken met de waarde van de totale Nederlandse kunstmestexport naar de Derde Wereld (540 miljoen), dan blijkt dat 75% van de kunstmestexport naar de Derde Wereld met ontwikkelingshulp gefinancierd wordt.
De hulp aan bijvoorbeeld India bestaat al vier jaar voor meer dan tweederde uit kunstmestleveranties door UKF en NSM, bijna geheel gefinancierd met 'zachte' leningen. In de periode 1978 tot en met 1981 kreeg India in totaal 911 miljoen aan bilaterale hulp, waarvan 635 miljoen of 70% aan kunstmestaankopen werd besteed. De EEG-hulp aan India wordt eveneens grotendeels aan kunstmestleveranties besteed. In 1981 was dit 84% van een totaalbedrag van 116 miljoen gulden.
Ook binnen de hele Nederlandse kunstmestexport als geheel neemt India een belangrijke positie in. Van die uitvoer naar alle landen tesamen gaat namelijk de laatste jaren rond de 13% naar India, terwijl van de exporten naar alleen de Derde Wereld gemiddeld 35% in India terecht komt.
Kunstmest speelt ook een hoofdrol in de algemene handelsrelaties tussen India en Nederland. Bij een waarde van ruim 432 miljoen gulden aan export naar India in 1980, bestond 190 miljoen (44%) daarvan uit kunstmest.
Niet alleen is India van groot belang voor de Nederlandse kunstmestindustrie, maar ook omgekeerd importeert India uit Nederland meer kunstmest dan uit enig ander land ter wereld. In het seizoen 1979/1980 bijvoorbeeld kwam een kwart van de totale import van stikstofmeststoffen uit Nederland, geheel gefinancierd met ontwikkelingsgelden. Om het eenvoudiger te zeggen: elke Nederlandse burger geeft India jaarlijks een halve zak ureum.
Onder invloed van de 'Groene Revolutie' en (zoals de Indiase ekonoom C.P. Bhambhi in zijn boek 'World Bank and India' stelt) omdat de Amerikaanse oliemaatschappijen het winstgevend vonden om in de kunstmestindustrie te investeren, steeg het kunstmestverbruik in India in de jaren zeventig pijlsnel. Het land heeft ook een eigen kunstmestindustrie opgebouwd, die in de produktie van stikstofmeststoffen van een veertiende plaats in 1967/68, nu een vierde plaats inneemt op de wereldranglijst van producerende landen. Ondanks die snelle produktieverhoging is toch de kloof tussen het verbruik en de produktie van kunstmest in India toch steeds groter geworden.

Import
Met een produktie van 3,2 miljoen ton en een verbruik van 5½ miljoen ton kunstmest in 1980/81, moet India in totaal 42% van haar kunstmestbehoeften importeren. Verwacht wordt dat India in 1990/91 ruim 5 miljoen ton stikstofmeststoffen zal moeten invoeren.
Verzelfstandiging van de ekonomie van ontwikkelingslanden, een van de twee hoofddoelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, wordt in het geval van India niet dichterbij gebracht door de grote kunstmestimporten. India blijft voorlopig afhankelijk van de kunstmestimporten en zal ongetwijfeld ook zonder 'zachte leningen' voor kunstmestaankopen in Nederland dit produkt blijven aanschaffen: in Nederland dan wel in andere delen van de wereld.
Nederland heeft in het verleden ook via ontwikkelingshulp bijgedragen aan de opbouw van de Indiase kunstmestproduktie, bijvoorbeeld door het leveren van technologie. Dit lijkt een betere bijdrage aan verzelfstandiging. De reden dat geen kunstmesttechnologie wordt geleverd via ontwikkelingshulp (door bijvoorbeeld Stamicarbon, een onderdeel van DSM) is waarschijnlijk dat andere ondernemingen en landen deze tegen meer gunstige voorwaarden kunnen leveren.

Extra winst
Vanwege het grote deel van de kunstmest dat op de wereldmarkt gekocht moet worden, zijn de hoogte en de stabiliteit van de prijs daarvan natuurlijk van het grootste belang voor zowel de Indiase schatkist, de Indiase boeren als de voedselproduktie. Wat vooral opvalt zijn de grote schommelingen in de prijs van kunstmest en vooral de extreme prijsstijgingen in 1974/75 en in 1980/81.
Het funktioneren van met name de West-Europese kunstmestindustrie en de gevolgen daarvan voor Derde Wereldlanden zijn geanalyseerd in twee uitvoerige rapporten van het Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken In Tilburg. Becijferd wordt dat volgens een ruwe, konservatieve, schatting de Nederlandse kunstmestfabrikanten tussen juli 1974 en juni 1975 200 à 250 miljoen gulden 'extra winst' hebben gemaakt op exporten van stikstofmeststoffen naar ontwikkelingslanden. Onder 'extra winst' verstaan zij datgene wat het produkt meer heeft opgebracht dan een ruim berekende winstgevende producentenprijs. Voor de geïndustrialiseerde westerse landen als geheel schatten ze die extra winst op rond de 1 miljard dollar.
In 1980 en 1981 zijn de prijzen van kunstmest opnieuw zeer sterk gestegen, voor ontwikkelingslanden met ruim 75%. Voor de Verenigde Staten daalde de prijs. India betaalde in 1981 ƒ 105,- voor 100 kilo ureum en de VS ƒ 70,-! (Het voorjaar van 1982 gaf inmiddels ook voor Derde Wereldlanden weer een daling van de prijzen te zien.)
Wat betekenen de prijsstijgingen van kunstmest in 1980 en 1981 voor de reële waarde van de Nederlandse kunstmesthulp?
In 1980 en 1981 heeft India, vergeleken met de prijzen in 1979 in totaal bijna ƒ 150 miljoen meer moeten betalen voor jaarlijks dezelfde hoeveelheid door Nederland geleverde kunstmest. Alleen al in 1981 was dit ruim 108 miljoen gulden meer dan in 1979. De 'koopkracht' van de totale hulp aan India is door de prijsstijging van kunstmest fors gedaald. India kon voor de kunstmesthulp van ƒ 160 miljoen in 1981, slechts ruim de helft (57½%) van de kunstmest kopen die zij tegen 1979-prijzen gekregen zou hebben.
Tesamen hebben de ontwikkelingslanden die in 1980 en 1981 van Nederland kunstmesthulp ontvingen, vergeleken met 1979, in twee jaar tijd naar schatting 269 miljoen gulden, dat wil zeggen 33% van de waarde van die hulp à 180 miljoen gulden, moeten inleveren aan de Nederlandse kunstmestindustrie. Naast India zijn daar o.a. Tanzania, Zambia, Sri Lanka en Pakistan de dupe van geworden.

Kartels
Het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking oefent geen enkele invloed uit op de prijs van de door haar gefinancierde kunstmest. Zij betaalt alleen de prijs die een bepaalde kunstmestproducent 'overeenkomt' met het betreffende ontwikkelingsland. Die prijs betaalt zij ook als deze hoger ligt dan de Nederlandse groothandelsprijs, terwijl het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking toch Nederlands 'grootste groothandel' in kunstmest is.
Door geen maximum aan de prijzen van kunstmest te stellen, maakt het Ministerie zich totaal afhankelijk van het funktioneren van de internationale kunstmestindustrie. Deze industrie heeft zich grotendeels georganiseerd in kartels, waarbij de Derde Wereld als 'restmarkt' dient. Allereerst wordt gezorgd voor de voorziening van de 'eigen' markt tegen redelijk stabiele prijzen. In een land als de VS, waar importen slechts marginaal zijn, moet de exporteur zich aanpassen aan Amerikaanse prijzen. Er is in feite sprake van gescheiden markten, waarbij tijdelijke overschotten of tekorten afgewenteld kunnen worden op de Derde Wereld vanwege hun grote importafhankelijkheid van kunstmest. Soms is er daardoor sprake van dumpprijzen, maar in schaarste-periodes, zoals bijvoorbeeld de laatste twee jaar, stijgen de prijzen extreem. Deze onstabiele prijzen belemmeren de opbouw van een eigen kunstmestindustrie en oefenen een negatieve invloed uit op de landbouw in ontwikkelingslanden. India heeft bijvoorbeeld, mede door de dure importen, haar verbruikersprijzen met 38% in 1980 en 18% in 1981 moeten verhogen.
De West-Europese kunstmestproducenten werken samen in de exportkartels NITREX en COMPLEX, waarvan ook de UKF en NDSM deel uitmaken. Dáár wordt de prijs van kunstmest vastgesteld die door de ontwikkelingslanden en het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking voor de Nederlandse kunstmest betaald moet worden. In plaats daarvan zou in ieder geval de kunstmest die met ontwikkelingsgeld betaald wordt, maar beter nog alle kunstmestexporten naar de Derde Wereld, gebonden moeten worden aan maximum-prijzen. Deze prijzen zouden zeker niet hoger mogen liggen dan wat de Nederlandse groothandels voor de verschillende kunstmestprodukten betalen. UKF is als 'dochter' van DSM notabene een staatsbedrijf, dus er liggen voor de regering zeker mogelijkheden om dit tot stand te brengen. Ook zonder financiering met hulpgelden zouden ontwikkelingslanden dan tegen een redelijker en stabieler prijs kunstmest in Nederland kunnen kopen. Dit zou tevens de konkurrentiepositie van de Nederlandse kunstmestindustrie in de Derde Wereld kunnen versterken of in ieder geval er toe leiden, wat nog belangrijker is, dat ook de andere kunstmestexporteurs hun prijzen moeten aanpassen. Tegelijkertijd zou Nederland als Europa's grootste kunstmestexporteur binnen de EEG kunnen streven naar opheffing van de gescheiden markten.

Voedselvoorziening
Het toegenomen gebruik van kunstmest heeft in veel ontwikkelingslanden, in kombinatie met het gebruik van 'wonderzaden', irrigatie en pesticides, inderdaad geleid tot een verhoging van de voedselproduktie. Ook in India is dit het geval. Hoewel het weer nog een belangrijke rol speelt bij de omvang van de oogst, is door de technologische ontwikkelingen, de bodem van de voedselproduktie geleidelijk opgetrokken. Terwijl bijvoorbeeld in het droogtejaar 1965/66 de voedselproduktie 72,4 miljoen ton bedroeg, was dan in 1979/80, ook een droogtejaar, 44 miljoen ton méér. India kan nu zelf voorzien in de koopkrachtige vraag naar voedsel, terwijl in de zestiger jaren grote hoeveelheden Amerikaans graan geïmporteerd werden. Voor graan is echter kunstmest in de plaats gekomen.
In antwoord op vragen van ex-PPR-kamerlid Waltmans naar aanleiding van het rapport 'De Nederlandse kunstmesthulp aan India', zegt ex-minister Van Dijk dat India door de produktiestijging nu 'zelfvoorzienend in granen is'. 'Ernstige hongersnoden die vroeger vooral onder de armste groepen veel slachtoffers eisten, komen niet meer voor.'
In India leeft echter ca. 50% van de bevolking van bijna 700 miljoen onder de armoedegrens en heeft door gebrek aan koopkracht onvoldoende te eten. Nog steeds vallen er door ondervoeding grote aantallen slachtoffers. Het woord 'zelfvoorziening' klinkt in dat licht bezien niet weinig cynisch.
Kunstmest is wellicht een noodzakelijke, maar beslist geen voldoende voorwaarde om het groeiende aantal Indiërs te voeden. Drastische landhervormingen en een aangepaste politiek met betrekking tot 'landbouw-inputs' zijn daarvoor nodig. Deze worden niet door kunstmesthulp dichterbij gebracht.
In hoeverre profiteren vooral kleine boeren en pachters van de Nederlandse kunstmestleveranties en kunnen zij daardoor hun inkomen verbeteren?
De beantwoording van deze vraag is van groot belang om te kunnen beoordelen of die hulp inderdaad,

De andere mogelijkheid: honderden werken aan een irrigatiekanaal in India.
zoals het beleid beoogt, de levensomstandigheden van de armste groepen verbetert. Samen bewerken 65½% van de Indiase boeren niet meer dan 20% van de gekultiveerde grond. Daarbij kan het echter zowel om eigen als om gepacht land gaan. We kunnen daaruit konkluderen dat als kunstmest overal gelijkmatig op het land gebruikt zou worden, toch nog 80% van de Nederlandse kunstmest op basis van de ongelijke landverdeling bij de grotere boeren terecht komt.

Kwalijk
In opdracht van het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking is eind 1980 een evaluatie gemaakt van de Nederlandse kunstmesthulp aan India. In antwoord op een kamervraag van Waltmans, citeert Van Dijk uit het rapport dat kleine boeren per oppervlakte-eenheid intensiever kunstmest gebruiken. Ook zouden zij volgens de minister in verhouding tot hun grondbezit over meer geïrrigeerd land beschikken, waardoor kunstmestgebruik rendabel wordt. Dit laatste is onjuist: het rapport zegt dat rond de 45% van zowel de 'grote' als de 'kleine' boeren over 'enige vorm van irrigatie beschikken'.
Belangrijke feiten uit het evaluatierapport waaruit blijkt dat grote boeren meer kunstmest gebruiken, worden in de beantwoording van de kamervragen verzwegen. Het intensiever kunstmestgebruik door kleine boeren geldt alleen voor die kleine boeren die dat nooit gebruiken. Dit is echter slechts 36,8% van de boeren met minder dan 1 hektare. Van de boeren met 4 tot 10 hektare gebruikt echter 55,4% kunstmest en zij doen dit, in tegenstelling tot kleine boeren, ook op niet-geïrrigeerde grond.
Het is kwalijk als een minister zo met hem bekende feiten manipuleert en vervolgens konkludeert dat: 'Aangenomen mag worden dat een veel kleiner deel van de kunstmest op het land van de zogenaamde grote boeren terechtkomt dan door genoemd percentage (80%) wordt gesuggereerd'. Redenen genoeg voor Eegje Schoo om dit alsnog recht te zetten.

Er zijn echter nog een aantal redenen waarom kleine boeren minder profijt zullen hebben van kunstmestgebruik dan grotere boeren. Een eerste reden is dat veel Indiase kleine boeren pachter of deelbouwers ('share-croppers') zijn. Een pachter moet in de regel een vaste pachtsom betalen, maar als de opbrengst van het land verbetert door het gebruik van kunstmest en andere nieuwe produktiemiddelen, dan wordt ook vaak de pacht verhoogd. Nog direkter levert de deelbouwer een deel in van de meeropbrengst door kunstmestgebruik, als hij een percentage (meestal 50% of meer) van de opbrengst moet afstaan aan de landeigenaar. Indien de eigenaar zijn procentuele deel nog verhoogt en/of de bewerker (mee-)betalen moet aan de kunstmest, dan iS zijn eigen inkomensverbetering in een aantal gevallen nihil. Tenslotte hebben kleine boeren slechts in zeldzame gevallen toegang tot krediet van banken. In verreweg de meeste gevallen zijn ze aangewezen op privé-geldschieters. Ze zijn daardoor duurder uit met hun kunstmestaankopen op krediet en zien een deel van hun meeropbrengsten verloren gaan.
Alleen een verregaande landhervorming zou aan deze negatieve faktoren iets kunnen veranderen. Echter, ook het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking is, volgens onze informatie, van mening dat India geen fundamenteel op verdeling gericht beleid voert. Zeker bezien in dat licht, is het besteden van tweederde van de hulp aan India aan kunstmestleveranties, in niet geringe mate strijdig met het ontwikkelingsbeleid.

Een alternatief
Tot nu toe is in dit artikel wellicht de suggestie gewekt dat produktieverhoging in de landbouw afhankelijk is van het gebruik van kunstmest. Er blijken echter een aantal goede alternatieven te bestaan, die aan een belangrijk deel van de mestbehoefte tegemoet zouden kunnen komen en die beter aangepast zijn aan de specifieke situatie van het Indiase platteland. We hebben het over verschillende soorten organische mest van plantaardige, dierlijke en menselijke oorsprong. Voorbeelden hiervan zijn kippe-, schapen-, varkens- en koeienmest, faekaliën, kompost, groenbemester annex bodembedekker, blauwgroene algen, stikstofproducerende bakteriën. Het kunstmestevaluatie-rapport van het Ministerie zegt hierover: 'De goedkope technologie om dit materiaal te produceren is erg geschikt voor de behoeften van de kleinere boeren, die daardoor in een tijd dat de prijzen van chemische mest stijgen in staat zullen zijn een deel van de door hen benodigde kunstmest te vervangen door organische of 'biomest'.'
Inkomensvorming en werkgelegenheid op het platteland worden door plaatselijke mestproduktie bevorderd. Ook kan het uitbreiden van programma's voor organische bemesting verlichting brengen in de

'Nee meneer, niet de Japanse, Chinese of Russische methode. Ik heb gewoon koeiestront gebruikt en dat werkte.
energie-, milieu-, en transportproblemen die bij de produktie en verspreiding een steeds grotere rol gaan spelen. Inmiddels is ook al wel duidelijk geworden dat het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking wel voelt voor vermindering van de kunstmesthulp, in ieder geval aan India. Ook minister Van Dijk antwoordde Waltmans onlangs dat '... de financiering van kunstmestleveranties geleidelijk zal worden verminderd, teneinde een meer evenwichtig hulpprogramma te kunnen samenstellen. Tot voor kort kwam daar echter weinig van terecht vanwege grote druk van India om het kunstmestaandeel in de hulp zo hoog mogelijk te houden. Dit jaar is de situatie echter radikaal veranderd. Vroeg India in 1980 bij het jaarlijkse overleg over de besteding van de hulpgelden nog 200 miljoen voor kunstmest (en kreeg 175 miljoen), in juni 1982 vroeg India voor 110 miljoen gulden kunstmest. Daarvan werd 60 miljoen direkt toegezegd, terwijl de resterende 50 miljoen vanwege het 'kasplafond' voorlopig werd gereserveerd.

Terugslag
Wat Ontwikkelingssamenwerking de afgelopen jaren niet is gelukt, het terugdringen van de kunstmesthulp, werd bereikt doordat de Golfstaten geduchte konkurrenten voor de West-Europese kunstmestindustrie zijn geworden. In onder andere Saoedi-Arabië en Qatar zijn een aantal fabrieken opgestart die bijna al hun produktie zullen exporteren. Zij kunnen ook tegen lagere prijzen leveren omdat ze beschikken over goedkope olie en gas: grondstoffen voor kunstmest die voor een belangrijk deel de prijs bepalen.
Er is op het ogenblik dan ook een zware terugslag in de Nederlandse kunstmestindustrie. Fabrieken draaien op minimumkapaciteit, worden tijdelijk stilgelegd of liggen al sinds oktober 1981 helemaal stil. Toch is er blijkbaar hoop op betere tijden omdat zowel UKF als NSM grote nieuwe fabrieken bouwen. Ook de uitspraak van een UKF-woordvoerder: 'Dit zijn lange termijnprojekten die niet door dit soort akute ontwikkelingen worden beïnvloed', wijst daarop. Bij de presentatie van haar laatste jaarverslag heeft DSM/UKF dan ook gepleit voor meer overheidssteun bij de export van kunstmest. De druk om ontwikkelingsgeld aan kunstmest te besteden zal dus wel blijven, ook van de kant van Ekonomische Zaken. Alternatieven, zoals het idee van Fingerhoets en Groosman (IVO, Tilburg) om door een kombinatie van maximumprijzen, lange termijnkontrakten en anti-kartelmaatregelen zowel goede werkgelegenheids- als ontwikkelingspolitiek te bedrijven, zouden nader onderzocht en politiek aangekaart moeten worden.
Of de kunstmesthulp verder zal verminderen hangt voor een deel ook af van het 'sukses' van de 'nieuwe zakelijkheid' in het ontwikkelingsbeleid, waarvoor India sinds het bezoek van de delegatie onder leiding van prins Claus als proefterrein fungeert. Een gulden voor kunstmest kun je namelijk maar een keer bij de kunstmestindustrie uitgeven. Sinds kort zijn er echter gemengde kredieten mogelijk waardoor projekten van Nederlandse bedrijven voor een kwart tot een derde met hulpgelden betaald kunnen worden. Zo kun je met die ene gulden wellicht Nederlandse bedrijven voor 3 of 4 gulden aan opdrachten helpen. Dat soort projekten mag volgens de regering 'niet negatief zijn voor doelgroepen van het Nederlandse beleid'!
Noch kunstmestleveranties noch deze nieuwe benadering lijken echter veel te maken te hebben met de doelstellingen die Ontwikkelingssamenwerking zegt na te streven. De alternatieven zijn er, de politieke wil ontbreekt.

Gerard Oonk is medewerker van de Landelijke India Werkgroep




LIW IN 'T NIEUWS

Hulp aan India

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 18 maart 2005