terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Economisch Dagblad, 2-4-1983      

Meer aandacht voor leveringsnormen

Ontwikkelingslanden weerloos tegen drang naar omzetverhoging pharmaceutische industrie

door:
Eddy Schekman

Den Haag - Het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen is zowel voor de industrie als voor de consument van levensbelang. Met name voor de bevolking van ontwikkelingslanden moet gezocht worden naar medicijnen tegen ziektes waartegen nog geen geneesmiddelen bestaan. Multinationale ondernemingen besteden in het Westen rond de tien procent van de omzet aan research en development, in sommige ontwikkelingslanden komt dit percentage niet hoger dan twee procent. Waneer er activiteiten worden ondernomen om een nieuw medicijn voor ontwikkelingslanden te ontwikkelen, gebeurt dit niet nadat door middel van een uitgebreid marktonderzoek is aangetoond, dat het afzetgebied zorgt voor voldoende rentabiliteit op de investeringen.

Dat blijkt uit de onderzoeksresultaten van de Landelijke India Werkgroep. Oe Nederlandse Farmaceutische Industrie bestrijdt die stellingen. Voorzitter Sanders heeft de indruk dat organisaties als de WEMOS (Werkgroep Medische Ontwikkelingssamenwerking) trachten stemming te kweken voor de aanstaande World Health Assemblée.
"Dergelijke organisaties trachten uitsluitend de macht van de multinationals te breken en proberen tijdens de vergadering van de WHA de gedragscode van de geneesmiddelenproducenten op de agenda te krijgen". Sanders vraagt zich af of organisaties die permanent de werkwijze van deze industrie aan de kaak stellen alleen uitzijn op 'het trappen van rotzooi'. "In ieder geval zijn ze, ook door de media te overspoelen met negatief materiaal, ontzettend dom bezig. Aan de hand van incidenten wordt er stemming gemaakt. Ik heb niet de indruk dat dat de geneeskunde in de 110 ontwikkelingslanden ten goede komt".
De farma-industrie bestrijdt de constatering dat er van een te geringe invloed sprake is ten aanzien van de import van medicijnen in ontwikkelingslanden. Zeker ten aanzien van de import van medicijnen die schadelijk worden geacht voor de gezondheid, maar vanwege de omzetcontinuïteit worden gehandhaafd. De overheid van Bangla Desh heeft dergelijke beweringen eveneens gelogenstraft. Vorig jaar werden ruim 200 farmaceutische produkten van de Bengaalse markt geweerd. Niet minder dan 1500 geneesmiddelen moesten uit de handel worden genomen omdat ze zinloos en overbodig werden geacht.

Onderzoek
In het onderzoek wordt aangegeven dat multinationale ondernemingen bijvoorbeeld in India weinig doen aan onderzoek ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe, ook als gevolg van resistentieverschijnselen, noodzakelijke medicijnen. Ondernemingen als Bayer, Duphar, Ciba Geigy, Organon en Hoechts houden zich voornamelijk bezig met de kwaliteitsbewaking van het gevestigde produkt. De Indiase vestiging van Hoechst, waarvan wordt gezegd dat deze wel veel geld besteedt aan onderzoek, besteedt dat geld in ieder geval niet aan het zoeken naar medicijnen tegen veel voorkomende tropische ziekten. Noodzakelijk, vanwege het feit dat de ontwikkelingslanden daar in toenemende mate mee worden geconfronteerd.
Als motief voor die beperking heeft Hoechts de onderzoekers laten weten dat het onderzoek op het terrein van de tropische ziekten financieel niet aantrekkelijk is. Bovendien vindt Hoechst dat de nieuwe prijspolitiek, alsmede een aantal andere maatregelen die er op zijn gericht de winsten van geneesmiddelenproducenten terug te brengen, de stimulans tot het verrichten van onderzoek naar medicijnen waarvan niet een direct economische succes kan worden gegarandeerd, nog verder zal doen afnemen.
De Wereld Gezondheid Organisatie (WHO) schat dat in het midden van de zeventiger jaren de totale uitgaven in de wereld aan onderzoek naar tropische ziekten gemiddeld $ 30 miljoen per jaar was. Dit in schrille tegenstelling voor de uitgaven voor onderzoek naar kanker, waarvoor in die periode $ 1,5 miljard werd uitgegeven. Het geringe onderzoek dat nog wel ten bate van die ziektenbestrijding in ontwikkelingslanden wordt uitgevoerd, geschiedt nauwelijks in landen waar ze op grote schaal voorkomen, maar in het Westen.
Nefarma heeft daar geen problemen mee en constateert dat er wel veel geld aan research wordt uitgegeven voor onderzoek naar nieuwe medicamenten. Sanders: "De 20 grootste ondernemingen hebben in 1981 $ 8,417 miljard aan onderzoek besteed. Circa 10% daarvan is ingeruimd voor de bestrijding van tropische ziekten. De Wereld Gezondheidsorganisatie stelde daarvoor in 1981 ongeveer $ 25 miljoen ter beschikking". Sanders gaat van het standpunt uit, dat, wanneer de industrie zich die moeite niet zou getroosten, de gezondheidszorg in de ontwikkelingslanden er aanmerkelijk slechter uit zou zien dan nu het geval is. De protestgroepen vinden dat de ondernemingen, gezien de enorme winsten die er in die landen worden gemaakt, meer kunnen doen, dan de werkwijze die nu wordt gevolgd. Het huidige beleid leidt slechts tot meer winst en minder kwaliteit, vinden zij.

Marketing
Want als gevolg van de toenemende kosten op andere terreinen dan de research, blijken de multinationals, zonder gedegen en met positieve conclusies gelardeerde marketingonderzoekresultaten, minder dan ooit bereid de kosten van onderzoek voor nieuwe geneesmiddelen te dragen en de aandacht in toenemende mate wordt gericht op de verkoop.
Geschat wordt dat van de totale produktiekosten van de pharmaceutische industrie 20 tot 30% wordt uitgegeven aan marketing. Deze kosten worden volgens de onderzoekers in de prijs van de geneesmiddelen doorberekend. Het resultaat van een goed marketingbeleid blijkt in veel gevallen uit te monden in een monopoliepositie van de betreffende industrie. Als gevolg daarvan behoeft de prijs van een artikel niet meer concurrerend te zijn, hetgeen voor de ontwikkelingslanden financieel uitermate onaantrekkelijk is.
Dat betekent dat in toenemende mate gebruik zal moeten worden gemaakt van nieuwe marketingmethoden om de bestaande produktie, alsmede hetgeen er, nuttig of niet, middels research op de markt is gebracht, te slijten. Het grote commerciële succes van de farmaceutische multinationals is dan ook voor een aanzienlijk deel gebaseerd op de marketing.
Om het afzetgebied te behouden en uit te breiden bedienen de geneesmiddelenproducenten zich volgens het onderzoeksteam van een onverkwikkelijke verkoopstrategie. Ook in het Westen zijn de daarmee bedoelde kadootjes die aan artsen worden verstrekt, bekend. Evenals het reclamemateriaal en de gratis monsters.
Het duidelijke verschil is meer merkbaar in de kwaliteit van de artsenbezoeker. "De artsenbezoekers in de ontwikkelingslanden zijn vertegenwoordigers en in de eerste plaats verkoopspecialisten", zeggen de onzerzoekers. "De gehele verkoopstrategie van multinationale ondernemingen wordt momenteel geregeld door marketingsmanagers, meest economen. De rol van medisch geschoolde mensen is van ondergeschikt belang geworden".

Kwaliteit
Als gevolg van deze ontwikkeling stellen de onderzoekers vast dat de gezondheidszorg in de ontwikkelingslanden in gevaar komt. De verkopers overdrijven de kwaliteit van de geneesmiddelen en sommige geneesmiddelen zijn die term niet waardig en moeten als huismiddeltjes worden gezien. Afgezien van misleidende reclames wordt er gesuggereerd dat bepaalde produkten zowel de gezondheid als het levensgeluk bevorderen. Zaken die echter niet uitsluitend in de ontwikkelingslanden voorkomen, maar ook in het westen (vermagerings- en potentiemiddelen) ruime aandacht krijgen. "Alleen", zo vinden de onderzoekers, "in ontwikkelingslanden heeft men te maken met ongeletterde consumenten die geen
Het feit dat de gezondheidszorg in ontwikkelingslanden nog niet dusdanig is geoptimaliseerd als door organisaties als de Werkgroep Medische Ontwikkelingssamenwerking wordt gewenst, ligt volgens de farmaceutische industrie aan de financiële mogelijkheden, de infrastruktuur en de andere prioriteiten van die landen. De farma-industrie zal meer aandacht gaan besteden aan het formuleren van normen bij de levering van medicamenten aan ontwikkelingslanden.
onderscheid kunnen maken tussen suggestie en effectiviteit".
Sanders heeft de indruk dat organisaties die dat zo met klem beweren, bezig zijn met het kweken van stemming die moet resulteren in het beperken van de macht van de grote industrieën. "Wanneer er klachten zijn over Nederlandse industrieën, dan moet men bij ons zijn. Wij hebben een klacht gekregen van WEMOS over Organon en die klacht wordt door ons zeer serieus in behandeling genomen. Ondanks de enorme hoeveelheid negatieve publiciteit is het overgens de eerste maal dat WEMOS een klacht in Nederland heeft ingediend".

Kritiek
De kritiek van organisaties als de WEMOS richt zich hoofdzakelijk op de kwaliteit, de prijs en de noodzaak van de farmaceutische produkten. Sanders: "Men houdt geen rekening met het feit dat de medicamentatie aan de bevolking in de ontwikkelingslanden meer voordelen dan nadelen heeft opgeleverd".
Dat geldt dan voor beide partijen. Alleen, zo blijkt meer en meer, worden medicijnen, die in een bepaald land om welke reden dan ook worden verboden, in andere landen wel verkocht. Daar zijn 'WEMOS-organisaties' het niet mee eens.
Organon zegt daarover 'in principe' geen onderscheid te maken tussen in benadering van verschillende landen. "Het afzetgebied omvat de gehele wereld en er bestaat geen beleid dat erop is gericht bepaalde preparaten in het ene land wel en in het andere land niet op de markt te introduceren".
Volgens de onderzoekers blijkt uit die houding dat de farmaceutische industrie geen verantwoordelijkheid wil dragen voor haar eigen produkten. Wanneer een geneesmiddel niet door de regering van een land verboden wordt dan zullen de producenten dit produkt ook niet vrijwillig intrekken. Ook al zijn de schadelijke effekten aan hen bekend.
Met name bij Organon zou men het niet noodzakelijk achten om extra maatregelen te nemen waar blijkt dat de door het betreffende land geëiste maatregelen niet voldoende zijn om de consument te beschermen tegen de nadelige gevolgen van medicijngebruik.
Afgezien van de economische discrepantie die ontstaat wanneer producenten hun afnemers adviseren hun produkten niet aan te schaffen, wijst Organon er op dat de toetsing op veiligheid en werkzaamheid van bepaalde stoffen ten overstaan van daartoe bevoegde autoriteiten niet alleen in het verleden heeft plaats gevonden, maar nog steeds plaatsvindt.

Financiën
Voor wat betreft het inzicht in de sociale problematiek van ontwikkelingslanden, zoals die door de WEMOS wordt voorgedragen, constateert de farmaceutische industrie een dramatisch verschil in kwaliteit van gezondheidszorg tussen ontwikkelings- en ontwikkelde landen.
Organon zocht uit dat financiële mogelijkheden, de infrastructuur en de prioriteitskwestie daarvan de voornaamste oorzaken zijn.
Het merendeel van de ontwikkelingslanden besteedt 1% van het bruto nationaal produkt aan gezondheidszorg, tegenover 8 à 15% daarvan in ontwikkelde landen. Verder wordt van de verleende ontwikkelingshulp nog geen 5% besteed aan gezondheidszorg, terwijl een groot aantal ontwikkelingslanden meer aandacht heeft voor militaire bestedingen. Onder andere tijdens de aanstaande conferentie zal de WHO trachten meer aandacht voor deze problematiek te krijgen.
Deskundigen menen dat een hogere prioriteit op het gebied van de gezondheidszorg door ontwikkelingslanden kan het mogelijk maken de door WEMOS gesignaleerde incidenten als prijsopdrijving, het leveren van inferieure medicamenten en het geven van irrelevante voorlichting, ter plaatse te voorkomen.
Organon en met haar andere grote farmaceutische industrieën, gaat er van uit dat het bestempelen van deze industrie als de schuldige voor ontoereikende en onbetaalbare gezondheidszorg in de ontwikkelingslanden ten onrechte geschied. Bij de protesten wordt er geen rekening gehouden met de feitelijke oorzaken en problematiek. Vandaar dat de zorg voor en formuleren van normen voor het eigen optreden naar buiten en samenwerking in breder verband aspekten zijn waaraan binnen de farma-industrie steeds meer aandacht wordt besteed.




LIW IN 'T NIEUWS

Hulp aan India

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 18 maart 2005