terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Zuivelzicht 75, 11-5-1983      

'Operatie Vloed': kritiek, alternatieven

door:
Gerard Oonk
Ferry Rijnbout

In Zuivelzicht 75 (1983) 8 heeft een artikel gestaan onder de naam 'Zuivel in de tropen en subtropen (2)'. Daarin wordt India als voorbeeld genoemd van een land waar het mogelijk is gebleken de melkproduktie drastisch op te voeren. De schrijver van het artikel voert aan dat van verschillende zijden nogal eens kritiek op het project 'Operatie Vloed' in india is uitgeoefend. Deze kritiek ging volgens hem nauwelijks gepaard met vermelding van de gunstige effecten van het 'Operatie Vloed'-programma. Duidelijke suggesties tot verbetering zegt hij nooit te zijn tegengekomen. Alternatieve oplossingen zijn, zover hem bekend, nauwelijks naar voren gebracht. Ondergetekenden voelen zich door het bovenstaande aangesproken omdat zij zich al enige tijd bezig houden met onderzoek en voorlichting over 'Operatie Vloed'.
In dit artikel willen wij, naast een aantal positieve opmerkingen over 'Operatie Vloed', op een tweetal aspecten van het programma ingaan en aangeven welke kritiek erop geleverd wordt en welke suggesties tot verbetering of verandering van het programma voorhanden zijn. Het gaat om grootscheepse kruisingsprogramma's met buitenlandse rassen en de gevolgen die deze programma's hebben op de verdeling van de toch al sterk tekortschietende hoeveelheid veevoer. Dit zijn namelijk de twee speerpunten van het beleid in de tweede fase van 'Operatie Vloed' om de melkproduktie te verhogen. Tot slot willen wij ingaan op de vraag welke de opstelling vanuit Nederland en de EEG zou kunnen zijn bij voortzetting van hun hulp aan het 'Operatie Vloed'-programma in 1985. Eerst lijkt het ons echter zinnig om wat algemene informatie over dit grootste zuivelhulpproject ter wereld te geven.


'Operatie Vloed': overzicht
Tegen het einde van de jaren zestig begonnen de zuiveloverschotten van de EEG gestaag op te lopen. Hiervoor zocht men een markt en India leek een goed afzetgebied. Om de nadelige gevolgen van eventuele dumping van EEG-zuivel te voorkomen besloot de Indiase regering 'Operatie Vloed' op te zetten.
De eerste fase van het project 'Operatie Vloed' startte in 1970 in samenwerking met het Wereld Voedsel Programma.
Het belangrijkste doel werd India zeltvoorzienend te maken in haar melkproduktie en daarbij de nadruk te leggen op de inkomensverbetering van kleine boeren en landlozen. Belangrijkste actiepunten waren: vergroting van melkproduktie en verbeterde melkinzameling op het platteland; ontwikkeling van verbeterd melkvee; opzetten van zuivelcoöperaties; verbeterde opslag en transport van melk en bouw van zuivelfabrieken in de steden en op het platteland. De eerste fase van het project liep van 1970 tot 1978. Het had als doel de vier grote steden in India van gepasteuriseerde melk te voorzien. Inmiddels is de tweede fase van start gegaan. Deze loopt van juli 1978 tot juni 1985. 'Operatie Vloed II' wil 142 Indiase steden van melk gaan voorzien door tien miljoen zuivelproducerende gezinnen te helpen meer en betere melk te produceren. Het project wordt bekostigd door het verkopen in India van het gratis door de EEG verstrekte magere melkpoeder en boterolie en verder uit leningen van de

Traditionele melkproduktie: meer werkgelegenheid.


In een melkinrichting: de Worli-fabriek te Bombay.


'Operatie Vloed': in de rij voor een melkverkooppunt in een elite wijk van de Indiase hoofdstad New Delhi.
Wereldbank en uit bijdragen van de Indiase regering.
Officiële instanties in Nederland, de EEG en internationale ontwikkelingsorganisaties staan nogal positief t.o.v. de effecten van het project.
Een aantal uitgangspunten is zeker positief te noemen. Zo wordt de zuivelhulp niet gratis uitgedeeld zoals in vele andere ontwikkelingslanden is gebeurd ten nadele van plaatselijke melkveehouders. Met de opbrengst wordt geprobeerd een eigen zuivelsector op te zetten. Verder wordt gewerkt in coöperatief verband, ook arme boeren kunnen in principe lid worden. Toch neemt in India zelf de kritiek op dit project hand over hand toe. Vaak wordt namelijk gesteld dat het de allerarmsten in India aan melk helpt en een redelijk inkomen garandeert aan de arme melkboeren.
De arme Indiërs in de steden kunnen zich geen melk permitteren. Eén liter melk kost gemiddeld zo'n 3 roepies (1 roepie = ƒ 0,30). Een arm gezin verdient slechts zo'n 7 roepies per dag. Andere hoogwaardige voedingsmiddelen zoals granen en peulvruchten zijn veel goedkoper dan melk en dus blijft melk een luxe-produkt. Er bestaan verder nogal wat tegenstrijdige onderzoeksgegevens over de mate van deelname van kleine boeren en landarbeiders met één à twee buffels of koeien aan het programma. Die deelname was er in het begin, vooral in de deelstaat Gujarat, zeker wel. Hier bestond al een sterke coöperatieve beweging. Vanuit deze deelstaat is het 'Operatie Vloed'-programma ook gestart. De coöperaties schijnen echter steeds meer in handen te komen van de grotere boeren. Deze grotere boeren kunnen de investeringen doen om de melkproduktie te verhogen door kruising van inheems vee met meer melk producerende buitenlandse rassen. Zij hebben ook het geld om hun hoogproduktieve vee van goed en voldoende veevoer te voorzien. Op deze laatste twee aspecten willen we hier verder ingaan.

Veeverbetering
De strategie van 'Operatie Vloed II' is gericht op de vervanging van 10 miljoen inheemse en laagproduktieve melkgevende Indiase koeien door evenveel hoogproduktieve koeien. Deze hoogproduktieve koeien zouden verkregen moeten worden door kruisingen van o.a. Holstein-Friesian- en Jersey-runderen met Indiaas vee. Oppervlakkig gezien zou men dit als een goede zaak kunnen zien. Hebben we in het westen immers niet ervaren dat verbeterde rassen veel meer produceren? Het probleem is echter dat de omstandigheden waarin runderen van verbeterde rassen in meer tropische gebieden zoals India sterk verschillen van die in het westen. Tijdens de inaugurele rede van Prof. H. Bakker, uitgesproken bij zijn aanvaarding van het hoogleraarschap in de veeteeltwetenschappen te Wageningen, 29 april 1980, somt hij een aantal van deze problemen op.
Hoogproduktief vee van westerse oorsprong is onvoldoende bestand tegen tropische omstandigheden en ziekten. Ingrijpende beschermende maatregelen zijn nodig tegen de dikwijls hoge temperaturen en luchtvochtigheid om van voldoende voeropname en produktieverhoging verzekerd te zijn. Hoogproduktief vee heeft voer van hoge kwaliteit nodig dat vaak speciaal voor dit doel verbouwd moet worden. Hoogproduktieve melkrassen worden als minder geschikte trekdieren beschouwd. Een dergelijke intensieve vorm van veehouderij vereist aanzienlijke investeringen. Kleine boeren kunnen zich dit niet permitteren. Prof. Bakker, die zich overigens positief uitlaat over de rest van het 'Operatie Vloed'- programma, concludeert dan ook als volgt: 'Maar ik betreur het dat de 'National Dairy Development Board', die voor dit project verantwoordelijk is, tegelijkertijd als onderdeel van het beleid een uitgebreid kruisingsprogramma met hoogproduktieve rundveerassen (uit het buitenland) is gestart'. Is er echter een alternatief denkbaar voor dit kruisingsprogramma?
Dit schijnt wel degelijk het geval te zijn. Zo schrijft de Indiër Dr. Alvares uit Goa in de NRG van 6-1-1983: 'Een project ter verbetering van de Indiase veestapel met behulp van zuiver Indiase rassen zoals de Gir, de Sahiwal, de Red Sindhi, de Ongole (nu geïmporteerd door Brazilië) of de buffel zou blatante successen kunnen opleveren, zij het op wat langere termijn'.
Dr. Alvares vindt bovendien dat 'Operatie Vloed' totaal voorbijgaat aan het belang van het hebben van inlandse runderrassen die zowel op het land worden gebruikt als trekdier en ook gemolken worden.
In India zelf levert o.a. de organisatie 'Akhil Bharat Krishi Goseve Sangh' scherpe kritiek op kruisingsprogramma's met buitenlandse rassen. Het is een organisatie die 40 jaar geleden nog door Mahatma Gandhi is opgericht. Deze Gandhiaanse organisatie pleit, evenals Dr. Alvares, voor een sterke verbetering van de inheemse rassen. Op dit onderdeel van het 'Operatie Vloed'- programma zijn dus wel degelijk suggesties tot verbetering voorhanden die, als ze serieus genomen worden, kunnen leiden tot alternatieve oplossingen.
De 'National Dairy Development Board' die verantwoordelijk is voor 'Operatie Vloed' maakt volgens Dr. Alvares echter liever gebruik van gulle buitenlandse hulp door Holstein-Friesian- en Jersey-stieren in te voeren.

Veevoer
Een tweede belangrijke strategie van 'Operatie Vloed II' is gericht op een sterk verhoogde produktie van veevoer. 'Operatie Vloed' wil o.a. dat op 2 miljoen hectare geïrrigeerd land groenvoer in plaats van voedsel verbouwd gaat worden.
Het groenvoer en krachtvoer zou bestemd zijn voor speciaal voor de melkproduktie gefokte koeien. Het is echter ernstig de vraag of een verhoging van de veevoederproduktie wel goed mogelijk is, nog afgezien of dit wenselijk is.
Zo wordt in een artikel in het Indiase weekblad Economic and Political Weekly van 26 december 1981 gesteld dat er al 30 jaar lang plannen waren gecultiveerd land te gebruiken voor veevoederproduktie. Het areaal dat voor verbouw van veevoeder gebruikt werd is echter op 7 miljoen hectare blijven staan. De schrijvers stellen dat het onrealistisch is te veronderstellen dat met de snelle bevolkingstoename en grotere behoefte aan voedsel meer land gebruikt zal gaan worden voor verbouw van veevoer.
De strategen van 'Operatie Vloed' willen ook dat bijna de totale voorraad krachtvoer aan de koeien gegeven wordt voor de melkproduktie. Daarbij vergeten ze echter dat vee in India vele functies heeft. De belangrijkste daarvan is trekkracht. Nu gaat krachtvoer nog voor 47% naar melkvee en 51% naar trekdieren. 'Operatie Vloed' wil echter dat maar liefst 93% van het krachtvoer terecht komt bij het melkvee. Vele boeren zullen niet staan te springen om een groot deel van het krachtvoer aan melkvee te geven. Trekdieren zijn vaak veel belangrijker voor hun gemengde bedrijven en tractoren zijn erg duur.
Een andere veronderstelling van het programma is dat de voorraad veevoer van natuurlijke vegetatie constant zal blijven op het huidige niveau. De schrijvers vragen zich echter af hoe het werkelijk mogelijk is dat hiervan uitgegaan wordt. Het is algemeen bekend dat de bossen en graslanden nu al ernstig overgraasd zijn en dat dit nog steeds toeneemt, met desastreuze gevolgen. Nog een door hen aangevoerd kritiekpunt is de verdeling van het krachtvoer. 'Operatie Vloed' wil bijna al het krachtvoer aan hoogproduktieve koeien geven. Hun onderzoek heeft echter uitgewezen dat als je krachtvoer gelijk verdeelt over alle melkvee, je meer melk krijgt dan wanneer je alles aan enkele hoogproduktieve koeien geeft. Drie kg krachtvoer gelijkelijk verdeeld over zes buffels levert gemiddeld 11,4 kg melk op. Als de drie kg echter alleen aan één hoogproduktieve buffel geleverd wordt is de gemiddelde produktie maar 9,9 kg. Ook t.a.v. veevoer zijn er dus wel degelijk suggesties tot verbetering voorhanden. Krachtvoer moet zowel voor trekdieren als voor melkvee gebruikt worden.
Het krachtvoer en groenvoer zou over al het vee en niet alleen over de hoogproduktieve beesten verdeeld moeten worden. Om de produktie van groenvoer op de gemeenschappelijke weidegronden te verhogen. zouden bijvoorbeeld de zogenaamde 'Ku Babal' voerbomen geplant kunnen worden. Deze geven bijna 10 keer zoveel eiwitrijk voer per jaar dan er nu op geproduceerd wordt en gaan bovendien de erosie tegen. De produktie van krachtvoer zou zoveel mogelijk in de dorpen zelf plaats moeten vinden en niet in de steden waar het vaak geproduceerd wordt voor de export, o.a. naar Nederland. De export van Indiaas veevoer naar Nederland is in 1982 zelfs gestegen tot een waarde van ruim 48 miljoen gulden, tegen bijna 29 miljoen in 1981. En dan te bedenken dat er een zeer groot gebrek is aan veevoer in India.

EEG
Wat zou de opstelling vanuit Nederland en de EEG kunnen zijn t.a.v. 'Operatie Vloed', vooral als we willen dat de ontwikkelingen op melkveehouderijgebied zo positief mogelijk uitpakken voor de kleine boeren en de landloze arbeiders? Moet de EEG in 1985 stoppen met het geven van zuivelhulp aan India?
Wij denken niet dat dit de beste oplossing zou zijn. Als 'Operatie Vloed' nog zou moeten beginnen zouden de overwegingen wellicht anders uitvallen, maar nu 'Operatie Vloed' al 12 jaar op gang is hebben we met een andere situatie te maken. Het abrupt stoppen met zuivelhulp zou namelijk leiden tot een plotseling gat in de inmiddels ontstane markt: voor melk in de steden. De regering zou zich politiek niet kunnen veroorloven de melkvoorziening in de steden te verminderen. Daarom zou een stoppen van de zuivelhulp in 1985 waarschijnlijk leiden tot nog meer nadruk binnen 'Operatie Vloed' op produktieverhoging door de grotere boeren voor de consumenten in de stad. Nog minder aandacht zou dan besteed worden aan positieverbetering van de kleine boer in de melkveehouderij. Vermoedelijk zou India ook gedwongen zijn om weer grote hoeveelheden zuivel zelf op de wereldmarkt te kopen. De beste oplossing op dit moment lijkt dan ook om na 1985 nog zuivelhulp te blijven geven voor een nu reeds vast te leggen aflopende periode van bijv. 5 à 10 jaar. India is dan gedwongen zich geleidelijk op minder wordende zuivelhulp in te stellen en daar haar veeteeltontwikkeling op af te stemmen. Het onbeperkt doorgaan met zuivelhulp als de EEG daartoe al bereid zou zijn zou echter leiden tot een blijvende afhankelijkheid van buiten. Alleen al het prijsdrukkende effect van zuivelimporten voor de boeren maakt dit onwenselijk. Belangrijk is ook dat de EEG-zuivelhulp voor de resterende periode in de tekortseizoenen wordt aangeleverd en van goede kwaliteit is. Een rapport van de Europese Rekenkamer geeft aan dat hieraan vaak het nodige ontbreekt. Vooral marktbederf door levering van zuivel in het voor India produktieve seizoen is tot nu toe een groot probleem geweest. Tenslotte is het van groot belang dat vanuit de EEG geen steun wordt gegeven aan plannen om op grote schaal kruisingsprogramma's met buitenlandse rassen op te zetten.
Dat betekent in de praktijk dat plannen die op het ogenblik onderwerp van overleg vormen om mogelijk met Nederlandse ontwikkelingsgelden aan zulk soort programma's in India te gaan werken beslist geen doorgang zouden moeten vinden.
Bovenstaande suggesties en mogelijk alternatieve oplossingen voor of binnen 'Operatie Vloed' worden ook verwoord door verschillende Indiase individuen en organisaties die zich serieus en grondig met een voor dier en mens gezonde veeteeltontwikkeling hebben beziggehouden.

Gerard Oonk, Landelijke India Werkgroep
Ferry Rijnbout, NOVIB-veldwerker




LIW IN 'T NIEUWS

Hulp aan India

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 17 maart 2005