terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Het Parool, 1-11-1983      

Onderzoek naar rol Philips en Unilever

Onze multinationals stuwen India niet omhoog

Vanaf 1981 voert een team van Indiase en Nederlandse onderzoekers vanuit het Derde Wereld Centrum Nijmegen en de Jawaharlal Nehru University New Delhi een onderzoek uit naar het effect van de Nederlandse investeringen in India. Bij dit onderzoek zijn ook een aantal leden van de Landelijke India Werkgroep betrokken. Aanstaande zaterdag wordt in Utrecht een informatiedag gehouden over: 'De rol van Nederlandse multinationals in India'. Het Parool publiceert vandaag al de resultaten van het onderzoek.

NIJMEGEN - "Het is een mythe om te denken dat de komst van multinationale ondernemingen goed is voor de economie van een ontwikkelingsland," zegt dr. H.K. Paranjapee uit India. Hij is lid van de Indian Monopoly Commission en heeft meegewerkt aan een onderzoek van een Nederlandse-Indiase studiegroep naar de rol van multinationale ondernemingen in het ontwikkelingsproces van India.
Daarbij ging speciale belangstelling uit naar multinationals die hun hoofdkwartier in Nederland (Philips en Akzo) of in Nederland en Engeland samen (Unilever en Shell) hebben. De studiegroep is tot de conclusie gekomen, dat de activiteiten van deze multinationals in India niet of nauwelijks hebben bijgedragen tot versterking van de Indiase economie. Integendeel: in vele gevallen leidde de komst van die bedrijven juist tot verslechtering van de betalingsbalans, afbraak van werkgelegenheid en ongewenste monopolievorming, waarop de Indiase regering geen antwoord had.
De bedoeling van de studiegroep was om nu eens precies na te gaan wat de Nederlandse multinationals in India doen en wat dat voor gevolgen heeft. Daarover is weinig bekend. India heeft buitenlandse investeringen in eigen land altijd aangemoedigd, waarbij men via allerlei maatregelen probeert controle uit te oefenen.
"Men dacht dat buitenlandse investeringen goed zouden zijn voor de nationale economie. Dat de handelsbalans zou verbeteren door meer export, dat de werkgelegenheid zou toenemen, dat er een overdracht van technologie zou plaatsvinden op een niveau waaraan men zelf nog lang niet kon tippen en dat de komst van multinationals zou leiden tot betere arbeidsvoorwaarden," zegt drs. F. van der Velden, die via de Katholieke Universiteit in Nijmegen bij het onderzoek was betrokken.

Gedragscode
De discussie over de rol van multinationale ondernemingen in het ontwikkelingsproces van de Derde Wereldlanden is niet nieuw. Zij laaide bij voorbeeld tien jaar geleden op toen bekend werd dat het Amerikaanse bedrijf ITT een belangrijk aandeel had gehad in de campagne tegen president Allende van Chili. En op de conferentie van Niet-Gebonden Landen, die in maart van dit jaar in New Delhi werd gehouden, werden de multinationals nog in de beklaagdenbank gezet wegens "illegale en ongewenste activiteiten en corrupte praktijken in ontwikkelingslanden", die zouden leiden tot ontwrichting van de economieën van die landen. Pogingen van internationale instellingen om te komen tot een gedragscode voor multinationals in de Derde Wereld zijn tot dusver echter op niets uitgelopen.
Verhoudingsgewijs stellen de investeringen van Nederlandse bedrijven in India niet zoveel voor. Ze maken zes procent uit van de totale buitenlandse investeringen in het land. Niettemin domineren Unilever (de Indiase dochter Hindustan Lever maakt vooral zeep en waspoeder) en Philips (gloeilampen en radio's) volgens de onderzoekers de sectoren waarin ze actief zijn volledig. Dat het soms om minderheidsdeelnemingen gaat, doet volgens de onderzoekers nauwelijks ter zake. "De Indiase gloeilampenindustrie telde in 1970 nog 127 bedrijven. In 1977 waren dat er nog maar 50. Sindsdien zijn het er nog minder geworden. Die ontwikkeling heeft alles te maken met de penetratie van Philips op die markt," aldus Van der Velden.
"Philips' marktaandeel bedraagt ongeveer veertig procent, maar in feite controleert het bedrijf de hele gloeilampenindustrie in India, omdat het ook de aanvoer van vitale onderdelen in handen heeft. Van de ene kant heeft dat geleid tot nieuwe arbeidsplaatsen bij Philips. Maar anderzijds zijn daardoor ook veel Indiase bedrijven kapot geconcurreerd. Zo'n multinational heeft als het ware een 'overkill' bij de marktbewerking. Per saldo zijn daardoor meer arbeidsplaatsen verdwenen dan geschapen."
Een tragische ontwikkeling, zeker als je die afzet tegen de enorme winsten die door Nederlandse multinationals in India worden gemaakt. Die zijn drie keer zo hoog als het gemiddelde winstniveau bij buitenlandse investeerders. Je kunt die bedrijven niet kwalijk nemen dat ze zo opereren, maar je kunt ze wel verantwoordelijk stellen voor het vernietigen van arbeidsplaatsen," zegt Van der Velden.
Een deel van de in India gerealiseerde winsten wordt daar ook weer geïnvesteerd. Maar tussen 1973 en 1979 werd door alle Nederlandse bedrijven in India toch meer aan dividenden teruggeboekt naar Nederland dan er aan kapitaal werd ingebracht. De werkelijke kapitaalvlucht is volgens de onderzoekers waarschijnlijk nog groter, omdat multinationale ondernemingen die via interne verrekeningen tussen moeder- en dochterbedrijven kunnen camoufleren.
Wat betreft de overdracht van technologie hoeven de Nederlandse multinationals zich volgens de onderzoekers evenmin op de borst te slaan. "In het algemeen wordt door multinationals wel een aanmerkelijke hoeveelheid technologische kennis en ervaring overgedragen, maar omdat de Nederlandse bedrijven vooral in de sfeer van consumptieartikelen als zeep en radio's actief zijn, is hun bijdrage daaraan niet groot. Als er ginds onderzoek wordt gedaan heeft dat doorgaans betrekking op de kwaliteitscontrole.
Verder zijn er aanwijzingen dat door de komst van multinationals de verdere ontwikkeling van inheemse technologie nogal eens wordt gefrustreerd, als gevolg waarvan de afhankelijkheid eerder wordt vergroot dan verkleind. Hindustan Lever heeft in Bombay wel een groot laboratorium waar aan onderzoek en ontwikkeling wordt gedaan, maar dat is niet omdat India daar zo om zit te springen, maar omdat Indiase laboranten en ingenieurs zo goedkoop zijn. Zolang uit hun inspanningen geen industriële activiteiten in India zelf voortvloeien die aansluiten op het Indiase behoeftenpatroon, schiet het land er niet zo veel mee op", zegt Van der Velden.

Niet bemoedigend
Tenslotte valt de verwachte positieve uitstraling van multinationals op de Indiase arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen volgens de onderzoekers ook nogal tegen, al ligt het loonniveau in de internationale ondernemingen doorgaans wel boven het nationale gemiddelde.
Deze uitkomsten zijn niet erg bemoedigend voor minister Schoo van ontwikkelingssamenwerking. Zij is voorstander van zogenoemde verzakelijking van onze ontwikkelingshulp, waarin een belangrijkere rol is weggelegd voor het bedrijfsleven.
"Het is", zegt prof. S.K. Goyal van het Indian Institute for Public Administration, "een illussie te denken dat multinationals de Derde Wereld kunnen redden. Het zijn geen filantropische instellingen. Zij kunnen geen directe rol spelen voor de armen, omdat ze van en voor de rijken zijn."
Staatssecretaris Bolkestein (economische zaken), die zich in het buitenland minister van handel mag noemen, zal volgens Goyal zijn opvatting moeten herzien, dat "multinationale ondernemingen een gunstig effect hebben op de ontwikkeling van de derde wereld", zoals hij onlangs beweerde.



LIW IN 'T NIEUWS

Hulp aan India

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 16 maart 2005