terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: NRC Handelsblad, 21-12-1983      

Behoeftigen in India hebben van minister Schoo weinig te verwachten

Bestrijding van armoede overboord gezet

door:
Gerard Oonk

Vlak voor de kerst komt minister Schoo van ontwikkelingssamenwerking terug van een bezoek aan India. Haar plannen voor een nieuw bilateraal hulpbeleid (NRC Handelsblad van 2 en 7 december 1983) beloven weinig goeds voor de armste helft van de bevolking van India. India is een van de landen waaraan minister Schoo de hulpgelden zó wil besteden dat daardoor, meer nog dan tot nu toe, Nederlandse bedrijven hun economische relaties met dat land uit kunnen breiden.

Armoedebestrijding, een van de twee hoofddoelstellingen van het huidige ontwikkelingsbeleid, wordt daardoor als doelstelling overboord gezet. Ook is het onwaarschijnlijk dat de nieuwe plannen in het geval van India veel zullen bijdragen aan de tweede doelstelling van het beleid: de economische verzelfstandiging van ontwikkelingslanden. Nu al is van beide "sporen" van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid in de praktijk weinig terug te vinden.
Als de plannen doorgaan dreigt zelfs dat deel, dat nu nog aan arme groepen ten goede komt, bij de hogere inkomensgroepen terecht te komen. Het Nederlandse bedrijfsleven en een economische elite in India worden dan de eigenlijke doelgroepen van de ontwikkelingshulp. De omvangrijke hulp aan India (dit jaar 190 miljoen) is illustratief voor de "ontsporing" van de ontwikkelingssamenwerking in het algemeen. Aan India kan echter óók geïllustreerd worden dat een ander beleid, met armoedebestrijding als uitgangspunt, niet alleen wenselijk maar mogelijk is.

Ondervoeding
Van India's ruim 700 miljoen inwoners, meer dan de bevolking van Afrika en Latijns-Amerika samen, leeft circa de helft in een staat van permanente ondervoeding. Tegelijkertijd is India het negende industrieland ter wereld met een immense infrastructuur en een belangrijke markt van ongeveer 100 miljoen mensen. Armoede in India is dan ook geen natuurverschijnsel, maar een kwestie van grote verschillen in inkomen en macht.
Zeventig procent van de bevolking moet in de landbouw zijn inkomen verdienen. Ongeveer de helft daarvan is landarbeider, terwijl 30 procent van de boeren beschikt over 75 procent van de grond. In India wordt voldoende voedsel verbouwd om iedereen

Melkverdeling in het dorp Madhopura (Rajasthan)
(foto: Wereldbank/Ray Witlin)
het minimum aan calorieën te kunnen bezorgen. Door gebrek aan koopkracht blijft de helft van de bevolking toch ondervoed. De Indiase regering richt zich vooral op economische groei van de "sterken" en voert, ondanks veel fraaie wetten en programma's, nauwelijks een serieus armoedebestrijdingsbeleid.
In zo'n land zou de hulp juist direct voor de armste groepen gebruikt moeten worden. Dat is ook de kern van de regeringsnota uit 1979, toen De Koning minister van ontwikkelingssamenwerking was.
Toch is de hulp aan India steeds voor het overgrote deel aan de moderne sector van de economie (zowel industrie als landbouw) en aan hogere inkomensgroepen ten goede gekomen. De oorzaak is het "gentlemen's agreement" tussen de ministeries van ontwikkelingssamenwerking en economische zaken, om minimaal 70 procent van de hulp aan Nederlandse goederen te besteden.
Voor doelgerichte projecten is vooral het financieren van lokale projecten nodig. Daarvoor hoeft niets uit Nederland te worden geleverd. Nederlandse leveranties of diensten komen terecht in het koopkrachtige circuit of worden voor grote infrastructuurprojekten aangewend.
Dit jaar is bijvoorbeeld 80 miljoen uitgetrokken voor het uitbaggeren en uitbreiden van de haven van Madras. Tot 1983 bestond de hulp aan India voor 65 procent uit kunstmestleveranties door twee Nederlandse bedrijven. Van die kunstmest komt 70 procent bij de 30 procent grotere boeren terecht.
Ontwikkelingssamenwerking heeft geen enkele greep op de prijs van de kunstmest, die voor de Derde Wereld als "restmarkt" sterk fluctueert.
De financiering van deze op zich noodzakelijke importen draagt dan ook nauwelijks bij aan economische verzelfstandiging.
Dertig procent van de hulp aan India mag aan lokale projekten besteed worden. Het gaat met name om drinkwatervoorziening. Deze komen aan àlle leden van relatief arme gemeenschappen ten goede. De andere sector van de doelgerichte hulp is een groot nationaal landbouwkredietprogramma, waarvan 40 procent niet bij de doelgroep, de kleine boeren, terecht komt.
Al met al is dit een povere invulling van armoedebestrijding als doelstelling van het hulpbeleid. Tekenend daarvoor is de personele bezetting van het India-bureau: twee mensen in Den Haag en twee in New Delhi. Een goed doelgroepen beleid heeft noch financieel noch organisatorisch een echte kans gehad.
Voor haar bezoek aan India zei minister Schoo benieuwd te zijn naar de ervaringen met de "verbrede ontwikkelingsrelatie". Vanaf 1981 heeft India namelijk als proefterrein gediend voor het bevorderen van de samenwerking tussen Indiase en Nederlandse bedrijven. Hulp en commerciële kredieten of investeringen worden gecombineerd en daardoor hoopt men de opbrengst aan orders te vermenigvuldigen. Het effect van deze "verbredingsprojecten", waarvoor dit jaar 45 miljoen gereserveerd werd mag, aldus Ontwikkelingssamenwerking, "niet negatief zijn voor de doelgroepen van het Nederlandse beleid".
Tot nu toe zijn dergelijke projecten nog niet in uitvoering maar er zijn plannen voor veeteeltverbetering door kruising van Nederlandse en Indiase koeien. Deskundigen zijn het er over eens dat dit de kleine veebezitters zal schaden, terwijl met andere middelen dezelfde produktieverhogende resultaten zijn te bereiken.
Op scheepsbouwgebied heeft de verbreding al succes gehad. Mede door een voorstudie van Ontwikkelingssamenwerking is een joint-venture tussen Scheepswerf Damen en Indiase werven tot stand gekomen.
Samen gaan deze de trawlers in India bouwen, waarvoor de directe hulp gestopt is omdat de kustwateren erdoor overbevist zouden worden en de vissers in hun broodwinning bedreigd. Bovengenoem projecten bestrijden de armen en niet de armoede. Ze dragen niets bij aan economische verzelfstandiging.
De verbrede relatie met India is dit jaar formeel vastgelegd. De Kamer ging niet akkoord en wilde een debat. Dat debat wordt des te urgenter nu de hele hulp in het teken van verbreding en exportbevordering komt te staan.

Structuurbeleid
Voor economische groei en verzelfstandiging van ontwikkelingslanden is een structuurbeleid noodzakelijk. Als het Nederlandse ontwikkelingsbeleid jegens India echter een bijdrage wil leveren aan een ander soort groei, die juist de positie en koopkracht van de armste groepen verbetert, dan zal gekozen moeten worden voor armoedebestrijding als uitgangspunt. Onlangs hebben 40 Nederlandse bij India betrokken organisaties en groepen zich voor zo'n beleid uitgesproken.
In India zijn daartoe mogelijkheden door met het Nederlands ontwikkelingsbeleid aan te sluiten op programma's die bedoeld zijn voor arme groepen.
Vaak worden deze slecht uitgevoerd of bereiken ze niet degenen voor wie ze bedoeld zijn. Nederland zou aan kunnen bieden selectief de organisaties te steunen, die daartoe wel pogingen in het werk stellen. Ook de sinds kort verbeterde aanpak van de drinkwaterprojecten, biedt aanknopingspunten. Juist deze projecten worden nu bedreigd.
Er moet meer gebruik worden gemaakt van de ervaringen van medefinancieringsorganisaties. Ook milieu- en vrouwenorganisaties zouden bij kunnen dragen aan een vermaatschappelijking van de hulp.
Bij een armoedebestrijdingsbeleid is voor het bedrijfsleven slechts een beperkte rol weggelegd. Namelijk alleen als zij een duidelijke bijdrage kan leveren aan bijvoorbeeld milieuverbetering en inkomensvergrotende activiteiten voor de armen. Het gaat er echter allereerst om voort te bouwen op de mogelijkheden ter plaatse.

Gerard Oonk is als onderzoeksmedewerker in dienst bij de Landelijke India Werkgroep.
Bovenstaande geeft globaal de mening van deze werkgroep weer.


Voor een reactie op dit artikel, klik hier...



LIW IN 'T NIEUWS

Verantwoord ondernemen

Hulp aan India

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 15 maart 2005