terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: India Nieuwsbrief 36, juni/juli 1985      

EEG-landbouwpolitiek:

Bio-industrie verdringt voedselgewassen

door:
Gerard Oonk

"Het is een misdadige verkwisting om jaarlijks meer dan 300.000 ton perskoeken als veevoer te exporteren uit een land dat lijdt onder een eiwittekort." Dit zegt M.P. Rajan, direkteur van een federatie van koöperaties in de Indiase deelstaat Madhya Pradesh, in het tijdschrift India Today. Leden van deze koöperaties verbouwen sojabonen die verwerkt worden tot veevoer voor de export. De snel groeiende verbouw van dit gewas gaat direkt ten koste van landbouwgrond die tot nu toe voor tweederde werd gebruikt voor de verbouw van voedselgewassen zoals linzen, sorghum en gierst. Voedsel voor arme groepen in India wordt verdrongen door voer voor onze varkens en koeien. India exporteert, ondanks grote tekorten in eigen land, jaarlijks gemiddeld 1.5 miljoen ton aan veevoer, naast sojabonen ook perskoeken van oliezaden. De veehouders in de EEG - en dus ook in Nederland - zijn daarvan de belangrijkste afnemers. Tegelijkertijd krijgt India al sinds 1970 omvangrijke zuivelhulp van de EEG uit overschotten die deels met Indiaas veevoer geproduceerd zijn.

Melk luxe
Het voedselpakket van de meerderheid van de Indiase bevolking bestaat grotendeels uit granen zoals tarwe en rijst, aangevuld met kleine hoeveelheden peulvruchten, vis en groenten. Vlees, melk en eieren komen er nauwelijks in voor, want ze zijn duur en arm aan kalorieën. Bij ondervoeding is het kalorieëntekort veel nijpender dan het gebrek aan eiwitten. Kinderen die voldoende kalorierijk voedsel tot zich nemen, lijden praktisch nooit aan eiwitgebrek. Naar schatting 50 tot 70% van de kinderen heeft een kalorieëntekort. De voedselsituatie hangt dus sterk af van de graanproduktie en niet zozeer van die van melk en vlees.

Vee als trekkracht
De belangrijkste funktie van het Indiase rundvee (de zeboe) is het zorgen voor voldoende trekkracht in de landbouw. Trekossen leveren minstens driekwart van alle energie op het Indiase platteland. De vrouwelijke zeboes leveren nauwelijks trekkracht maar zorgen, naast het op peil houden van het aantal mannelijke trekossen, voor melk. De hoeveelheid melk die geproduceerd wordt is echter naar verhouding erg gering, m.n. door het gebrek aan veevoer.
Het vee in India wordt vooral gevoed met bijprodukten van de verbouw van voedselgewassen zoals stro en schillen, en met wat er aan groenvoer als gras en onkruid langs de wegen of op de dorpsweides is te vinden. De dorpsweides zijn vaak sterk overbegraasd, en vooral in de droge tijd kunnen kleine boeren en landarbeiders moeilijk aan groenvoer komen. Het komt weinig voor dat grotere boeren zelf hoogwaardig groenvoer verbouwen. Slechts 5 % van alle landbouwgrond in India wordt hiervoor gebruikt. Tenslotte wordt het vee ook gevoerd met krachtvoer ofwel produkten met een zeer hoge voedingswaarde zoals ruwe granen (mais, gerst en gierst), katoenzaad, en de perskoeken die overblijven uit oliezaden en kokosnoten nadat daar de spijsolie uit is gewonnen. Voor de ontwikkeling van de Indiase veeteelt is juist krachtvoer van groot belang. Toch wordt een belangrijk deel daarvan - 6 à 10 % - geëxporteerd.
De laatste jaren is er een groeiende vraag naar melk van de stedelijke middenklasse. Dm daarin te voorzien worden Indiase koeien op grote schaal gekruisd met Westerse melkveerassen. Het melkproducerend vermogen van de 'kruiskoe' zou daardoor moeten toenemen. Dit gebeurt echter alleen als deze voldoende groenvoer en krachtvoer te eten krijgen. Voor trekdieren die tot voor kort de helft van het krachtvoer op aten en voor inheemse koeien en buffels blijft er nu nog minder van dit schaarse veevoer over.

EEG-landbouwpolitiek
India exporteert al vele jaren veevoer, vooral rijstzemelen en tot meel vermalen perskoeken van diverse oliegewassen als aardnoten, katoenzaad, sesam en sojabonen. Sinds 1973 is de Indiase export van veevoer sterk gestegen tot een gemiddelde van 1.5 miljoen ton per jaar met een opbrengst van 5 à 600 miljoen gulden. Vanaf 1980 is vooral de export van sojameel zeer sterk toegenomen. Sojameel is nu het belangrijkste exportprodukt in de kategorie veevoer geworden. Van april 1984 tot april 1985 leverde sojameel 240 miljoen gulden aan exportinkomsten op.
De EEG is met een aandeel van ongeveer 60 % verreweg de belangrijkste importeur van Indiaas veevoer. Produkten als katoenzaad-, raapzaad-, aardnoten- en sojameel worden in de Europese landen aangekocht door de mengvoederindustrie die dit met ander veevoer verwerkt tot hoogwaardig mengvoer voor koeien, varkens en pluimvee. Ook Nederland is een belangrijke importeur van Indiaas veevoer. De afgelopen jaren is de import zelfs toegenomen van 29 miljoen gulden in 1981 tot 87 miljoen in 1983 (dat is 1/5 van de Indiase export). De Nederlandse import van Indiaas veevoer bestaat voorhet grootste deel uit raapzaadmeel.

Waarom wordt er zoveel Indiaas veevoer geëxporteerd terwijl er in India zo'n groot tekort is? De belangrijkste reden is dat de prijzen die door Westerse importeurs betaald worden, hoger liggen dan de marktprijzen in India. De export van veevoer zou nog groter zijn zonder de huidige exportplafonds voor diverse soorten krachtvoer. Die plafonds zijn er vooral om in de koopkrachtige vraag naar krachtvoer in de steden te kunnen voorzien en de prijs daar niet te sterk te laten oplopen. Duur veevoer betekent dure melk voor de stedelijke middenklasse, en hun belangen vinden bij de regering een gewillig oor. Toch willen de Indiase veevoerexporteurs graag nog meer profiteren van de vraag in het buitenland. Ook hun belangen wegen zwaar voor de Indiase regering omdat de export van veevoer buitenlandse deviezen oplevert. De exportplafonds worden dan ook flexibel gehanteerd, onder meer door de konstante druk van de belangenorganisaties van de exporteurs op de regering om de exportplafonds te verhogen of af te schaffen. Gezien het exportgerichte beleid van de regering van Rajiv Gandhi, is het te verwachten dat die druk in de toekomst nog meer succes zal hebben.
De vraag vanuit Europa naar Indiaas veevoer wordt vooral veroorzaakt door het EEG-landbouwbeleid. Tot voor kort werd de melkproduktie in de EEG steeds verder opgevoerd, omdat alle melk tegen een gegarandeerde minimumprijs kon worden afgezet. Grote overschotten waren het gevolg. Het voor de melkproduktie nodige krachtvoer wordt voor een belangrijk deel ingevoerd uit de Derde Wereld (en de VS) omdat de prijs daarvan vaak lager ligt dan de eveneens gegarandeerde minimumprijs van het in de EEG verbouwde voedergraan. Daardoor is er ook een graanoverschot waarmee de veestapel in de EEG, bij een selektiever importbeleid, geheel gevoed zou kunnen worden. Voor de Nederlandse mengvoederindustrie en de veehouderij is een groter gebruik van Europees voedergraan echter niet aantrekkelijk omdat deze juist het meest heeft kunnen profiteren van relatief goedkoop veevoer uit de Derde Wereld vanwege de nabijheid van Rotterdam als aanvoerhaven.

Zelfvoorziening in gevaar
Eén van de gevolgen van de Indiase export van krachtvoer is dat daardoor het bestaande tekort verergert, met name op het platteland. Het is ook een verdere stimulans voor de produktie en afzet ten behoeve van de stedelijke en buitenlandse markt, ten koste van de veevoervoorziening in de dorpen. Het zijn vooral de kleine veehouders die door deze ontwikkeling benadeeld worden, omdat die het voor hen moeilijk maakt om aan betaalbaar krachtvoer voor hun trekdieren of melkvee te komen.
De export van veevoer heeft ook gevolgen voor de voedsel produktie en met name de voedselvoorziening van arme groepen. Hoe meer voedermeel er geëxporteerd wordt, des te meer voedsel graan er aan vee gevoerd zal worden, evenals groenvoer waarvoor geïrrigeerde landbouwgrond nodig is. Groenvoer kan krachtvoer namelijk voor een deel vervangen. Ook de snel toenemende produktie van sojabonen voor de veevoerexport, die vooral plaatsvindt in Madhya Pradesh, gaat direkt ten koste van landbouwgrond.
Tenslotte de gevolgen voor de melkproduktie en de pogingen van India om daarin zelfvoorzienend te worden via het met EEG-zuivelhulp gefinancierde Operatie Vloed-programma. Uit berekeningen blijkt dat de hoeveelheid melk die in India geproduceerd zou kunnen worden met het naar de EEG geëxporteerde veevoer, vele malen groter is dan de hoeveelheid melk die India kan maken van de door de EEG geschonken melkpoeder en boterolie. Bijvoorbeeld in 1980/1981 stonden die hoeveelheden tot elkaar in verhouding van dertig tot een. Geen wonder dat zelfs het officiële eind-evaluatierapport over de eerste fase van Operatie Vloed de veevoerexport als volgt bekommentarieert: "Dit veevoer zou gebruikt kunnen worden voor de binnenlandse veeteeltontwikkeling. Het algehele voordeel van een kwalitatief betere veevoervoorziening zou ruim op kunnen wegen tegen het verlies aan buitenlandse deviezen." De opstellers van het rapport 'vergaten' echter de belangrijkste konklusie te trekken: het EEG-landbouwbeleid is de belangrijkste oorzaak van de veevoer- en zuivelkringloop tussen India en de Europese Gemeenschap, die vooral ten koste gaat van het armere deel van de Indiase bevolking.

Gerard Oonk is medewerker van de Landelijke India Werkgroep



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 12 augustus 2003