terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Binder (uitgave van het NAJK), mei 1986      

Operatie Vloed

Een betere vorm van EG-zuivelhulp?

door:
Theo de Rouw

Al jarenlang wordt er in de Europese Gemeenschap meer melk geproduceerd dan gekonsumeerd. De voorraden magere melkpoeder en boter stijgen nog steeds. Voedselhulp en goedkope zuiveleksporten zijn manieren om de voorraden te verkleinen. Vrijwel iedereen is er echter wel van overtuigd, dat goedkope of gratis zuivelimport op de langere termijn geen oplossing is voor de honger in de Derde Wereld. Over het EG-hulpprogramma Operatie Vloed aan India zijn de meningen echter verdeeld.

Via het programma Operatie Vloed ging ongeveer een kwart van alle EG-zuivelhulp waaronder Nederlandse melk, naar India. In de eerste fase van het programma van 1970 tot 1981 bedroeg het budget 350 miljoen gulden. Voor de tweede fase van 1978 tot 1985 was het budget 1,5 miljard gulden. In de eerste helft van dit jaar beslist de EG over de voortzetting van de zuivelhulp voor Operatie Vloed. India heeft de EG opnieuw om vijf jaar zuivelhulp voor Operatie Vloed gevraagd. De Landelijke India Werkgroep is dit voorjaar van start gegaan met een voorlichtingsaktie onder het motto: 'Melk India niet uit'. Op 13 juni beantwoordde Minister Schoo van Ontwikkelingssamenwerking, mede namens de Minister van Landbouw kamervragen over de EG-zuivelhulp aan India.

Koöperaties
De EG-zuivelhulp aan India is een onderdeel van het Indiase programma Operatie Vloed. Volgens Minister Schoo was het de belangrijkste doelstelling van de eerste fase van Operatie Vloed om de vier grootste steden van India (Bombay, Calcutta, Delhi en Madras) van voldoende melk te voorzien. Dáárvoor werden op het platteland koöperaties van boeren opgericht die de melk aan de stad leveren.
In de droge periode werd de produktie van verse melk aangevuld met geïmporteerde melkpoeder en boterolie. Gezien de resultaten van de eerste fase, werd op verzoek van de Indiase overheid besloten het Operatie Vloed-programma in de tweede fase uit te breiden tot vrijwel alle produktiegebieden in India. Uiteindelijk zouden 10 miljoen boeren bij het programma betrokken moeten worden. Deze doelstelling is echter nog niet gehaald. Daarom vinden de Ministers Schoo en Braks dat nog tot 1990 EG-zuivelhulp aan India nodig zal zijn.

Afhankelijk
De Landelijke India Werkgroep (LIW) meent dat de EG beter kan stoppen met de zuivelhulp aan India. Zij meent dat India afhankelijk zal blijven van de EG-zuivelhulp. Met behulp van de zuivelhulp zijn de overheden van verschillende Indiase deelstaten in staat om de melkprijs in de steden laag te houden. Het blijkt dat in Bombay, waar de melkprijs hoog is, het aandeel van de geïmporteerde zuivel in de totale konsumptie kleiner is dan in Delhi, waar de melkprijs lager is. Zij stellen dus dat de zuivelhulp de afzet van Indiase melk belemmert en dus de afhankelijkheid in stand houdt. Volgens de Ministers Schoo en Braks wordt de EG-melkpoeder in het droge seizoen verwerkt tot konsumptiemelk om aldus ook in de periode van geringe aanvoer de steden van voldoende konsumptiemelk te voorzien en de prijzen te stabiliseren.

Kruising
De opbrengsten uit de verkoop van de melk uit de zuivelhulp, worden gebruikt voor de verhoging van de melkproduktie en de verbetering van de afzet. Volgens de LIW wordt ongeveer een kwart van de opbrengst besteed aan het verhogen van de melkproduktie. Dit wil men bereiken door het kruisen van Indiase koeien met westerse melkveerassen en het verbeteren van het aanbod van ruw- en krachtvoer. Volgens de LIW kan het kruisingsprogramma geen sukses worden, omdat het rundvee op het platteland op de eerste plaats als trekkracht gebruikt wordt. De koeien dienen voor het voortbrengen van de trekossen, die driekwart van de in de landbouw benodigde energie leveren. Melk is voor de meeste boeren slechts een bij produkt. De kruising met melkvee zal het Indiase rundvee verzwakken. Volgens de Nederlandse ministers zijn effekten van het kruisingsprogramma pas na verloop van een langere periode te meten.

Veevoer EG
India eksporteert per jaar ongeveer 1,5 miljoen ton veevoedergrondstoffen. Het gaat daarbij vooral om de eiwit-rijke resten van oliehoudende zaden. Ongeveer de helft van deze veevoedergrondstoffen wordt geëksporteerd naar de EG! Melkveerassen zijn pas rendabel als ze goed worden gevoed. Voor boeren met weinig grond geldt, dat zij naast de voedselgewassen geen ruimte hebben om dát voor hun vee te verbouwen. Hun inkomen is te laag om voer te kopen. Het grootste deel van de boeren is dus niet in staat om de melkproduktie te verhogen. Verhoging van de melkprijs en verlaging van de prijs voor krachtvoer zou de produktie kunnen stimuleren. Beperking van de zuivelhulp en van de import van veevoedergrondstoffen van de EG kan hier, volgens de LIW, een bijdrage aan leveren. Volgens de LIW wordt ongeveer tweederde van de opbrengst van melk uit de zuivelhulp in de steden, bestemd voor de bouw van zuivelfabrieken, voor een verbeterde inzameling van melk op het platteland en voor een verbeterd transport van verse melk naar de stad. Naar de indruk van de ministers Schoo en Braks heeft de EG-zuivelhulp een belangrijke bijdrage geleverd aan het moderniseringsproces van de koöperatieve zuivelsektor in een twintigtal deelstaten van India.

Zij stellen dat dit heeft bijgedragen aan de toeneming van de melkproduktie in India van een nivo van circa 22,5 miljoen ton in 1971/72 tot circa 38,7 miljoen ton in 1984/85 (schatting van de Indiase regering). Dankzij deze toename is de beschikbare hoeveelheid melk per hoofd van de bevolking gestegen van 112 gram gemiddeld per dag (1971/72) tot ca 142 gram (1984/85).

Vrouwenwerk
Volgens de LIW is de melkvoorziening van de mensen met de hogere inkomens in de steden wel verbeterd. Ongeveer de helft van de stedelijke bevolking kan echter de melk van Operatie Vloed niet betalen. Ook op het platteland zou de konsumptie van melk gedaald zijn doordat het aantrekkelijker wordt om de melk te verkopen dan om de melk zelf te verwerken en te konsumeren. Traditioneel was de verwerking van melk tot boter het werk van vrouwen. De karnemelk was voor de kinderen bestemd. Met de verkoop van de melk verdwijnt dus ook een inkomstenbron voor vrouwen van het platteland.

Babyvoeding
De LIW heeft vastgesteld dat de koöperatieve zuivelindustrie steeds meer babyvoeding produceert omdat dit meer opbrengt dan melk. Deze babyvoeding in poedervorm, wordt vaak met teveel en dikwijls verontreinigd water aangelengd. Dit veroorzaakt diarree en sterfte onder kinderen. De reklamekampagnes van de Indiase zuivelindustrie geven moeders de indruk dat deze babyvoeding beter is voor hun kind dan de eigen borstvoeding.
Volgens de Ministers Schoo en Braks wordt sinds januari 1983 geen EG-melkpoeder meer gebruikt voor de bereiding van flesvoeding. De EG-melkpoeder wordt vooral gebruikt om tijdens de droge periode het aanbod van melk in de stad op peil te houden.
Zij noemen een voorbeeld van een Indiase zuivelkoöperatie die als een van de eerste hun reklame aanpasten aan de richtlijnen van de Wereld Gezondheids Organisatie. Flesvoeding is in India geen omstreden vraagstuk omdat slechts 2% van de babies flesvoeding krijgt. In India woonden in 1983 ongeveer 700 miljoen mensen. De LIW stelt hier tegenover dat de zuivelhulp de Operatie Vloed-fabrieken in staat stelt om de Indiase melkpoederproduktie voor ongeveer de helft te gebruiken voor het maken van flesvoeding. De zuivelhulp zorgt voor het aanvullen van de melkvoorziening. Een relatief klein deel van de zuivelhulp wordt zelfs direkt aan zowel partikuliere als koöperatieve bedrijven doorverkocht om er babyvoeding van te maken.

Positief alibi
De LIW vraagt zich af of de positieve geluiden over de gevolgen van Operatie Vloed de enige reden is om door te gaan met het geven van EG-zuivelhulp aan India. Het lijkt erop dat die positieve geluiden dienst doen als alibi/argument om eksportmarkten voor zuivelprodukten te ontwikkelen onder het mom van hulp, zolang er nog grote zuivelvoorraden in de EG bestaan.
Joris Schouten bracht begin dit jaar een bezoek aan India. Hij vindt de kritiek op de eksport van goedkope melkpoeder voor Operatie Vloed niet helemaal terecht. Men heeft de melkpoeder gebruikt om tijdelijke daling in de produktie van verse melk in de droogteperiode op te vangen en om koöperatieve zuivelfabrieken op te zetten. Men is er in geslaagd de boeren meer te laten verdienen en er is meer melk ter beschikking gekomen van de mensen die het nodig hebben. Via de zuivelkoöperaties van Operatie Vloed worden de grote verschillen die in India bestaan binnen het kaste-systeem, een stuk verminderd.
Bij het afleveren van de melk aan zuivelkoöperaties staan de paria's (onaanraakbaren) netjes in de rij te wachten tussen de mensen van de hogere kasten. De konklusie van Joris Schouten luidt dan ook dat Operatie Vloed door moet gaan. Hij pleit ervoor dat ook in de derde fase van Operatie Vloed 1990 die nu ingaat, er melkpoeder uit de EG ter beschikking komt.

Het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) heeft tot op heden geen standpunt ingenomen in deze omstreden kwestie. De zuivelwerkgroep van het projekt ontwikkelingssamenwerking onderzoekt wat de eksport van EG-zuivel naar Derde Wereldlanden betekent voor de melkveehouders dáár en voor melkveehouders in Nederland. Op basis van de resultaten kan het NAJK een standpunt innemen of de gesubsidieerde zuiveleksport gestopt, beperkt of bevorderd moet worden.




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 13 augustus 2003