terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Elseviers Magazine, 4-10-1986      

De ongelooflijke melkboer

Idealist Verghese Kurien organiseerde 's werelds grootse zuivelproject

door:
Juriaan Kamp

Hij wordt de tsaar van de Indiase zuivelindustrie genoemd, de melkbaron, de vader van de witte revolutie, of eenvoudigweg de ongelooflijke melkboer uit Anand. Hij ziet zichzelf graag als een nederig dienaar van de Indiase boer, maar in een onbewaakt ogenblik zegt hij lachend: "Ik ben een superstier," vereerd en verguisd, maar onbetwist de verpersoonlijking van 's werelds grootste zuivelproject.

Dr. V. Kurien

Dr. Verghese Kurien (65) voorzitter van de Indiase nationale zuivelontwikkelingsraad kijkt met lichtjes toegeknepen ogen op van zijn bureau naar de bezoeker. Is dit weer zo'n vermaledijde vertegenwoordiger van de pers die "zijn" Operatie Vloed komt aanvallen? In die ineengekrompen houding lijkt Kurien inderdaad op een stier die de toreador beloert. Aanval is de beste verdediging, besluit hij na luttele seconden en hij biedt een kartonnetje chocolademelk aan, de nieuwste innovatie van zijn zuivelfabriek.
Door een toevallige samenloop van omstandigheden belandde Kurien veertig jaar geleden in de, toentertijd in zijn kringen bepaald niet hoog aangeschreven, Indiase zuivelindustrie. Als jonge ingenieur, afgestudeerd aan de universiteit van Madras, begon Kurien zijn carrière in 1944 in het staalconcern van de toonaangevende Indiase ondernemersfamilie Tata. Zijn oom was in die tijd general manager van Tata Steel in Bombay, dus Kuriens weg leek geplaveid. Maar Kurien zag het anders: "Ik was te trots voor zo'n situatie. Ik wilde mijn carrière op eigen krachten opbouwen."
Hij zei Tata Steel vaarwel, liet zijn oom verbijsterd achter en solliciteerde naar een studiebeurs van de Indiase regering. De voorzitter van de selectiecommissie was een Brit, die Kurien vroeg: "Wat is pasteurisatie?" Aarzelend antwoordde Kurien dat dat iets te maken had met boter en melk. "Gefeliciteerd," zei de voorzitter, "U krijgt een studiebeurs voor zuivelonderzoek."
Tijdens de daaropvolgende studie aan de universiteit van Michigan State in de Verenigde Staten drong de betekenis van zijn keuze tot Kurien door: "De standaard van de mensen in de zuivel was wel erg laag." Hij verlegde zijn studie alsnog naar de staalindustrie, haalde de nodige tentamens en kreeg een mooie baan aangeboden door het chemieconcern Union Carbide dat bezig was een fabriek op te zetten in Calcutta. Op dat moment greep de Indiase regering echter in en herinnerde Kurien aan de verplichtingen in verband met zijn studiebeurs. "Voor een zevende van het salaris dat ik bij Union Carbide had kunnen verdienen, werd ik naar Anand gestuurd," herinnert Kurien zich.
Als "christen en vrijgezel" was er in Anand slechts een garage voor hem beschikbaar naast de plaatselijke zuivelfabriek, maar toch schikte Kurien zich gauw in zijn lot. "Bij Tata had ik nooit gevoeld dat men mij nodig had. Maar het is bevredigender te werken waar je kwaliteiten het meeste nodig zijn, dan waar ze het beste worden beloond. Ik zag de mogelijkheden van Anand en daarom bleef ik. Geld is niet het enige dat men zich kan wensen," vertelt hij. "Ik had ook bij Hindustan Lever kunnen werken. Dan had ik shampoo gemaakt. Maar dat is een triviaal produkt in de context van India's werkelijke behoeften."
Desalniettemin speelde dat idealisme Kurien nog even parten. Een gearrangeerd huwelijk kon geen doorgang vinden toen de ouders van de uitverkoren bruid met ontzetting vernamen dat hun toekomstige schoonzoon "manager van een zuivelcoöperatie" was.
Het incident bracht Kuriens zuivelcarrière echter niet in gevaar. In Anand kwam Kurien in aanraking met voor hem nieuwe waarden. Van de voorzitter van de zuivelcoöperatie Tribhuvandas Patel leerde hij respect te hebben voor de boeren. Kurien: "Aanvankelijk keek ik neer op die 'onontwikkelde' man die geen Engels sprak en zich hulde in Indiase kleren, maar later realiseerde ik mij dat taal en kleding niet de enige kenmerken van beschaving zijn. Een boer is vaak een van de wijste leraren." Maar ook het oude vuur bleef branden. "Mijn levensmotto is altijd geweest: je moet zo goed mogelijk presteren," zegt Kurien. Met gezonde ambitie en tomeloze inzet wierp hij zich op "zijn taak" ("Al mijn vrienden zeiden dat ik de juiste man op de juiste plaats was"): het opzetten van een efficiënte zuivelindustrie in het land met de grootste veestapel en de tweede grootste bevolking ter wereld. "In dit vak kon ik invloed hebben op de ontwikkeling van mijn land. Ik kon bijdragen aan het verhogen van de levensstandaard in India," mijmert hij.
Zoals het leven van zovele pioniers, wordt ook het leven van Kurien gekenmerkt door strijd. Kurien vond talloze dichte deuren. Tradities en verstarde structuren op zijn weg. "Ik heb altijd iets gehad om tegen te vechten," zegt hij, terwijl de strijdlust zelfs na veertig jaar nog in zijn ogen gloeit.

Operatie Vloed
Operatie Vloed, met een budget van thans 1,3 miljard gulden 's werelds grootste zuivelproject maar ook een zeer omstreden project, ging in 1970 van start met als doel de melkconsumptie in India te vergroten door het opvoeren van de melkproduktie.
Operatie Vloed is gegrondvest op zuivelhulp van de Europese Gemeenschap - een kwart van alle door de EG geschonken zuivelhulp is in de afgelopen zestien jaar naar het project gegaan -, maar om te voorkomen dat die Europese voedselhulp de lokale melkproduktie zou destabiliseren werd een ingenieus systeem opgezet.
De Europese melkoverschotten worden niet simpelweg gedumpt op de Indiase markt, maar samen met de op het Indiase platteland geproduceerde melk geleverd aan consumenten in de steden. De opbrengst van die verkopen wordt gebruikt voor lange termijn-investeringen voor de ontwikkeling van een eigen Indiase zuivelindustrie: de aankoop van stierensperma om koeien te fokken die meer melk leveren, het oprichten van zuivelcoöperaties op het platteland, het bouwen van zuivelfabrieken, koelcentra en veevoer fabrieken en het opzetten van een transportnetwerk door het hele land. Deze investeringen moeten de Indiase zuivelsector versterken totdat deze sterk genoeg is om op eigen benen te staan en EG-zuivel hulp niet langer nodig is. Het wijds opgezette zuivelnetwerk moet de melkproduktie bovendien lonend maken voor landlozen, kleine boeren of boeren die wonen in verafgelegen gebieden. Zo draagt Operatie Vloed bij aan de verbetering van de sociale en economische omstandigheden van de arme plattelandsbevolking terwijl door de grote vloed van melk naar de steden ook de stedelijke armen kunnen profiteren.
Volgens de oorspronkelijke opzet hadden deze ambitieuze, deels tegenstrijdige doelstellingen in zes jaar moeten zijn verwezenlijkt. Dat dat niet lukte, zal nauwelijks verbazing wekken. Operatie Vloed werd verlengd, ging een tweede fase in en sinds het begin van dit jaar is Operatie Vloed hier van kracht.
Maar er is in zestien jaar indrukwekkend veel bereikt. Zo verdubbelde de melkproduktie van 20 tot thans 41 miljoen ton per jaar. In 1970 waren er nog geen 1600 zuivelcoöperaties in India, nu zijn dat er 40.000 met in totaal 4,1 miljoen leden. Per dag brengen die 4,1 miljoen leden in het hoogseizoen (winter) bijna tien miljoen liter melk bijeen. De beschikbaarheid van melk per hoofd van de bevolking steeg van 107 naar 147 gram per dag. Weliswaar is dat nog steeds zeer laag (het zou ongeveer het dubbele moeten zijn), maar hier wreekt zich India's grootste probleem: de bevolkingsgroei: de Indiase bevolking is tussen 1950 en 1985 verdubbeld.
"Operatie Vloed is over het geheel genomen een succesvol programma. Het aantal melkproducenten is enorm toegenomen. En al die miljoenen coöperatieleden krijgen iedere dag een vaste prijs voor hun melk. Dat was toch de belangrijkste doelstelling," zegt Andrew Standley van de EG-vertegenwoordiging in New Delhi.

Tevredenheid
Bij de consumenten in de grote steden heerst ook tevredenheid. Huisvrouwen in New Delhi genieten van het feit dat zij in elke wijk, elke dag met een eenvoudige druk op de knop melk kunnen kopen bij een van de vele huisjes van de distributieorganisatie Mother Dairy. "Ik herinner me nog hoe je vroeger aan melk moest zien te komen. Je had geluk als je een doedwallah (melkbezorger) te pakken kon krijgen en dan wist je nog niets over de kwaliteit van de melk," zegt Reva Kumar. Dat neemt niet weg dat Operatie Vloed de laatste jaren in toenemende mate aan kritiek is komen bloot te staan. Kritiek die snel werd overgenomen door buitenlandse ontwikkelingsorganisaties. In Nederland voerde de Landelijke India Werkgroep begin dit jaar een actie tegen Operatie Vloed.
Operatie Vloed zou India afhankelijk hebben gemaakt van Europese voedselhulp, de toegenomen melkconsumptie in de steden zou ten koste zijn gegaan van de melkconsumptie op het platteland, de gekozen strategie was te kapitaalintensief en ging niet uit van Indiaas omvangrijke arbeidspotentieel: de met Westerse rassen gekruiste meer melk leverende koeien zouden niet bestand zijn tegen het Indiase klimaat etc. etc.
"Met de Europese zuivelhulp heeft Operatie Vloed het paard van Troje binnengehaald. Nu krijgen we de melkpoeder nog gratis, straks mogen we ervoor betalen en dan hangen we," zegt Shanti George, schrijfster van het boek "Operation Flood" en een van de felste actievoerders tegen het project in India.
Het overkoepelende orgaan van Operatie Vloed, de National Dairy Development Board, is niet grif met het verstrekken van cijfers, zeker niet wanneer deze Operatie Vloed in een kwaad daglicht kunnen stellen. Ruwweg kan men echter zeggen dat tien procent van de Indiase melkproduktie wordt afgehandeld in de door Operatie Vloed opgezette zuivelsector. De overige negentig procent wordt nog gewoon als vanouds verkocht en verspreid door doedwallahs op fietsen. De EG-zuivelhulp bedraagt tot nu toe ongeveer 40.000 ton per jaar, ofwel slechts één procent van de totale melkstroom die door de georganiseerde zuivelsector gaat. Dat pleit voor de claim van de voorzitter van de National Dairy Development Board en de grote man achter Operatie Vloed, die beweert dat de melkvoorziening niet in gevaar komt als de EG de zuivelhulp stopt. Aan de andere kant menen critici dat veruit het grootste deel van de EG-zuivelhulp naar de melkdistributie van de vier grote steden (Madras, New Delhi, Calcutta en Bombay) gaat en dat, als de EG haar hulp staakt de National Dairy Development Board niet meer in staat zal zijn aan de vraag in de steden te voldoen.
Andrew Standley van de EG-vertegenwoordiging in New Delhi ziet het met de Indiase afhankelijkheid van de EG niet zo'n vaart lopen: "Dit jaar hebben verschillende zuivelfabrieken vakantiedagen moeten invoeren omdat ze de melkaanvoer niet konden verwerken. Als de fabrieken die overschotten in melkpoeder kunnen omzetten, moet het vertrek van de EG opgevangen kunnen worden, het programma is echt ongebruikelijk succesvol. Vrijwel overal drukt voedselhulp de plaatselijke boeren uit de markt. Hier heeft de voedselhulp bijgedragen aan de ontwikkeling van de sector waarin die hulp werd opgenomen."
Oe "afhankelijkheidsrelatie" staat bovendien in een merkwaardig perspectief. India exporteert namelijk veevoer naar de Europese Gemeenschap. Shanti George: "Als we dat veevoer zouden gebruiken voor ons eigen ondervoede vee, zouden onze koeien meer melk leveren dan we nu importeren." De produktiviteit van de Indiase koeien is overigens een ander punt van kritiek. "Er zijn meer boeren bijgekomen, daardoor kon de afzet stijgen, maar de toeneming van de produktiviteit per boer laat te wensen over," zegt Andrew Standley.
Verbetering van de produktiviteit zou moeten komen door het fokken van meer melk gevende koeien. Volgens een recent rapport aan het Europees parlement over Operatie Vloed is nog geen tien procent van de koeien en buffalo's in de gebieden die Operatie Vloed bestrijkt van verbeterde kwaliteit. Operatie Vloed heeft zich geconcentreerd op het opzetten van een duur afzetkanaal zonder de produktie die dat kanaal moet voeden serieus aan te pakken, luidt de algemene kritiek.
Dertien procent van de uitgaven van het project zijn naar verbetering van de melkproduktie gegaan, 87 procent ging daarentegen naar het bouwen van zuivelfabrieken, koelcentra, melktankers etc.
Desalniettemin wijst Shanti George het op grootscheepse schaal invoeren van mengrassen van de hand, omdat die rassen niet bestand zouden zijn tegen het Indiase klimaat en bovendien dure voeding vereisen. "Het mag niet zo zijn dat boeren landbouwgrond gaan opofferen aan het verbouwen van veevoer," zegt zij, "dat kan hiet in een land waar nog zo veel ondervoeding heerst."

Voor en tegen
De Deen Moguns Jul, leider van een delegatie van de Verenigde Naties die ooit een rapport over Operatie Vloed opstelde, benaderde het probleem van de andere kant: "Operatie Vloed is het belangrijkste ontwikkelingsproject ter wereld, niet omdat het de melkconsumptie van India heeft verhoogd, maar omdat het het inkomen van een miljoen families op het platteland heeft verdubbeld."
Zo zijn er talloze argumenten voor en tegen Operatie Vloed. Wie zich erin verdiept raakt al gauw bedolven onder een stroom van cijfers en logische redeneringen. De conclusie kan echter simpel zijn: een zo groot project dat miljoenen mensen en dieren in een enorm land omvat, heeft op verschillende plaatsen verschillende resultaten. Als er al een eindoordeel mogelijk is, is dat er ontegenzeggelijk veel tot stand is gebracht door Operatie Vloed. Een bezoek aan het kloppend hart van project Anand in de deelstaat Gujarat, is voldoende om onder de indruk te raken. De zuivelfabriek ter plaatse is een toonbeeld van moderne technologie en, het moet gezegd, met opvallend veel in India geproduceerde machinerie. Negentig procent van de zuivelmachinerie die in het kader van Operatie Vloed wordt gebruikt, wordt tegenwoordig in India gemaakt, zeggen de bestuurders van Anand. Ook het kantorencomplex van de National Dairy Development Board met aanverwante trainings- en onderzoeksinstituten hoort nauwelijks in India thuis. De zeker voor Indiase begrippen verblindende schoonheid is het eerste dat opvalt, vervolgens de vlekkeloze organisatie.
Anand staat op zichzelf, werpen critici tegen. Dat is ongetwijfeld waar, maar van zo'n centrum is in India iets tot stand te brengen. Het komt niet zo vaak voor dat je in India ergens het gevoel hebt dat er werkelijk iets gebeurt.
Het is overigens opmerkelijk dat de kritiek die tegenwoordig in India op Operatie Vloed wordt geuit, een milder karakter heeft dan voorheen. "Absolute vijandigheid is nu niet meer terecht. Operatie Vloed heeft veel goeds gedaan. Revoluties zijn noodzakelijk. De groene revolutie heeft ons in staat gesteld nu graan te exporteren. De witte revolutie heeft tot gevolg gehad dat nu overal in het land melk verkrijgbaar is. Het gaat erom Operatie Vloed thans door het hele land tot een succes te maken. Daarbij hebben wij, critici, hetzelfde doel voor ogen als de National Dairy Development Board: melk voor het land en onafhankelijkheid van de Europese Gemeenschap."
Overigens heeft de vele kritiek op het project binnen de Europese Gemeenschap voor de nodige deining gezorgd. Zo moet de EG nog steeds beslissen of de Indiase aanvraag voor zuivelhulp voor Operatie Vloed III (1989/90), die inmiddels al is ingegaan, zal worden gehonoreerd. Afgezien van de genoemde overwegingen van critici, vraagt men zich binnen EG-kringen af of India nog wel meer geld nodig heeft voor ontwikkeling van de zuivelsector. Na de eerste twee fasen van Operatie Vloed zit de National Dairy Development Board nog ruim bij kas. Daarmee samen hangt de vraag of de melkconsumptie in India bij de huidige prijs nog wel kan worden uitgebreid. Melk blijft een duur produkt voor vele Indiërs.

Juriaan Kamp in New Delhi




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 14 augustus 2003