terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Derde Wereld, mei 1987      

Zuivelhulp aan India ter diskussie

door:
Gerard Oonk

'Zuivelhulp aan India werkt averechts', luidt de kop boven een artikel in het dagblad de Gooi- en Eemlander van 23 maart dit jaar. Het Agrarisch Dagblad maakt melding van 'een vernietigend rapport over zuivelhulp aan India'. Het NRC Handelsblad tenslotte, geeft de belangrijkste konklusie uit dat rapport weer in de kop 'Stop met zuivelhulp EG aan India'. Het bedoelde rapport is afkomstig van een team onafhankelijke deskundigen, die medio 1986 in opdracht van de Europese Commissie en de Wereldbank de zuivelhulp aan India hebben geëvalueerd.
Toch werd deze vorm van voedselhulp twee jaar geleden door EG kommissaris Claude Cheysson nog beschreven als een 'ideale vorm van ontwikkelingssamenwerking'. India kreeg toen al 15 jaar gemiddeld een kwart van alle EG-zuivelhulp voor 'Operatie Vloed', een programma dat er op is gericht om een nationale koöperatieve zuivelsektor op te bouwen. Jarenlang werd Operatie Vloed door de EG zelfs als model voor andere ontwikkelingslanden aangeprezen. Aan Dr. V. Kurien, de initiatiefnemer van het programma, werd nog in oktober vorig jaar door prins Claus de Wateler Vredesprijs uitgereikt. Bij die gelegenheid noemde de prins Operatie Vloed 'een van de meest veelbelovende ontwikkelingsprojekten, die het leven van honderden miljoenen mannen, vrouwen en kinderen in India kan veranderen'.

Dat is zeer in het kort de achtergrond waartegen de EG binnen enkele maanden een beslissing neemt over de nieuwe meerjarige zuivelhulp, waarom de Indiase regering al in 1985 heeft gevraagd. Het behoud van goede politieke en ekonomische betrekkingen met het voor de EG-landen steeds aantrekkelijker wordende India en de belangen van de Europese zuivelindustrie, zijn faktoren die daarbij ongetwijfeld ook sterk zullen meewegen.
Wat is er de afgelopen jaren gebeurd in de menings- en besluitvorming rond Operatie Vloed? Voor ik op die vraag inga, eerst iets over het programma zelf dat elders (onder andere in het door de Landelijke India Werkgroep uitgegeven boek India als melkkoe van de EG) veel uitvoeriger is beschreven. Aansluitend wil ik ingaan op een belangrijker en onderbelicht aspekt van Operatie Vloed: de manier waarop dit programma de positie van vrouwen heeft beïnvloed.

Konkurrentie van kunstmelk
Sinds 1970 heeft India van de EG ongeveer 500.000 ton gratis melkpoeder en boterolie ontvangen. Deze produkten worden in India doorverkocht aan stedelijke zuivelfabrieken, die er weer melk van maken. De opbrengst daarvan - enkele miljarden guldens, nog aangevuld met geld van de Wereldbank en de Indiase regering - zou vooral gebruikt worden voor verhoging van de melkproductie, de bouw van zuivelfabrieken en de uitbreiding van het melktransport van het platteland naar de steden. Een netwerk van koöperaties zorgt voor de aan levering van lokaal geproduceerde melk.
Het was oorspronkelijk de bedoeling dat 10 miljoen, merendeels kleine, melkproducenten daardoor hun inkomen aanzienlijk zouden kunnen verhogen en India in 1985 zelfvoorzienend in melk zouden maken. Daarnaast zouden ook de stedelijke armen van de vergrote melkaanvoer moeten profiteren. Uit een grote hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek is echter duidelijk geworden dat de resultaten anders zijn uitgevallen. Het zijn vooral de (middel)grote boeren en de middenklasse-konsumenten in de stad die van Operatie Vloed hebben geprofiteerd. Ook kleine melkveehoud(st)ers zijn wel lid van de koöperaties, maar door de niet op hun belangen toegesneden aanpak zijn de voordelen voor hen meestal zeer beperkt.
'Meer melk voor armen' is helemaal een illusie gebleken. Melk is voor de lagere inkomensgroepen een bijna onbetaalbaar voedingsmiddel. De konsumptie van melk is nu nog ongelijker verdeeld dan voor Operatie Vloed. Het programma heeft echter ook positieve kanten: het werken in koöperatief verband kan een goed middel voor de belangenbehartiging van kleine melkveehoud(st)ers zijn en is het soms ook. De koöperaties bieden een alternatief afzetkanaal voor de melkhandelaren en soms een betere prijs voor de melk.
Het is juist de EG-zuivelhulp die wat dat betreft steeds sterker kontraproduktief werkt. De daarvan gemaakte 'kunstmelk' drukt namelijk de prijs die Indiase veehoud(st)ers voor hun melk krijgen. In sommige deelstaten zijn onlangs 'melkvakanties' ingesteld, waarin de producenten hun melk niet bij de koöperatie kwijt kunnen. Zuivelhulp blijft voor de Indiase regering zo aantrekkelijk, omdat het veel geld oplevert, waarmee onder meer de melkprijs van de stedelijke konsument wordt gesubsidieerd. De hulp heeft dus verslavend gewerkt. Overigens heeft de in delen van India te lage melkprijs voor de producent, voor wie het daardoor onrendabel wordt om zijn of haar melkdier beter te voeden, mede geleid tot export van in India schaars krachtvoer naar de EG, Oost-Europa en het Midden Oosten. Met dat veevoer zou India acht tot tien keer zoveel melk kunnen produceren, als het tot voor kort via de EG zuivelhulp kreeg. Een vicieuze cirkel derhalve van zuivelhulp en veevoerimporten.

Vrouwen en zuivel
Wat heeft Operatie Vloed nu betekent voor de positie van vrouwen? Zowel vroeger als nu is de zorg voor het vee in het algemeen vrouwenwerk. Hoewel er verschillen zijn per streek, klasse, godsdienst en dergelijke besteden vrouwen in huishoudens met vee al gauw zo'n twee tot vier uur per dag aan veevoer verzamelen, het drenken en melken van het vee, het schoonhouden van dier en stal en het verkopen van de melk. Voor vrouwen van huishoudens met weinig of geen land komt deze taak bij het werk op het land en in het huishouden. Deze vrouwen werken vaak minstens 13 uur per dag. De vrouwen van rijke boeren houden vooral toezicht op het zuivelwerk dat door ingehuurde arbeid(st)ers wordt verricht. Overigens is in de gebieden waar Operatie Vloed niet aktief is, ook de verwerking van een deel van de melk tot boter en karnemelk meestal een taak voor vrouwen. Ondanks al het werk dat zij daarin steken, drinken vrouwen en meisjes veel minder van de beschikbare melk dan mannen en jongens.
Slechts ongeveer 10 procent van de leden van de zuivelkoöperaties zijn vrouwen. Een reden daarvoor is dat de man bijna altijd de wettelijke eigenaar van land en vee is. Ook zijn er aanwijzingen uit onderzoek, dat vrouwen nu minder zeggenschap over de zuivelinkomsten hebben dan vroeger. Deels komt dit doordat de melk, ook buiten de koöperaties om, nu meer opbrengt en deels door de wekelijkse of maandelijkse betalingen van de koöperaties (hoewel dat officieel dagelijks moet), die het voor de mannen aantrekkelijker maakt om deze relatief grote bedragen te innen. Vrouwen besteden het zuivelinkomen eerder binnen het huishouden, bijvoorbeeld aan voedsel, terwijl mannen het vaker voor zichzelf gebruiken.
Wat betreft de werkbelasting voor vrouwen is het beeld gevarieerder. Voor de vrouwen van (middel)grote boerenbedrijven is de hoeveelheid werk wellicht verminderd of gelijk gebleven. Het verkopen van de melk en het kunnen kopen van kant-en-klaar krachtvoer kan tijdsbesparend werken. Arme vrouwen worden echter gekonfronteerd met het feit dat de verkommercialisering van de melkverhandeling en melk konsumptie er toe leidt dat ze moeilijker aan veevoer kunnen komen. Grote landeigenaren eisen nu het gras op dat op hun eigen grond en op de dorpsweides groeit, terwijl dit vroeger meestal gratis beschikbaar was.
De organisatie die Operatie Vloed uitvoert, de Nationale Zuivel Ontwikkelingsraad, heeft duizenden mensen in dienst maar nauwelijks vrouwen. Hetzelfde geldt voor de zuivelfabrieken die onder zijn hoede vallen. Op alle nivo's, van de dorpskoöperaties tot de beter betaalde banen op professioneel of management-gebied, wordt weinig gedaan aan het organiseren, trainen en opleiden van vrouwen. Volgens de recente evaluatie-missie gebeurt er wel wàt, maar 'is de mannelijke dominantie in organisatie en uitvoering van Operatie Vloed een aspekt waarin dit programma niet verschilt van veel andere Indiase programma's'. De missie leden hebben ook aanwijzingen dat, naarmate het zuivelwerk een hogere status krijgt en meer geld oplevert, vrouwen minder van de baten daarvan zullen profiteren. De traditionele man-vrouw verhouding is daar in eerste instantie debet aan, maar de Zuivelraad heeft geen strategie ontwikkeld om de positie van vrouwen in de zuivelsektor veilig te stellen en te verbeteren.
Er is wel een toenemend aantal onafhankelijke vrouwenorganisaties die vrouwen organiseren en trainen om sterker te staan bij het oprichten van een vrouwenkoöperatie of het deelnemen aan een gemengde koöperatie. Vorig jaar heeft een aantal van die organisaties, waaronder de bekende SEWA (Self-Employed Women's Association) samen met personen van de Zuivelraad een groot aantal beleidsaanbevelingen gedaan om de inbreng van en de baten voor (in het bijzonder arme) vrouwen in de koöperatieve zuivelsektor te vergroten. De kern daarvan is het vastleggen van verplichte minimumpercentages voor de opleiding en deelname van vrouwen op alle nivo's van de besluitvorming en het uitvoerend werk. Er lijkt echter nog een lange weg te gaan om deze aanbevelingen uitgevoerd te krijgen.

Besluitvorming en aktie
Terug naar de Europese Gemeenschap. Aanvankelijk zou de EG al in de eerste helft van 1986 beslissen over mogelijke nieuwe zuivelhulp aan India. Door de sterk toenemende kritiek in India en Europa op Operatie Vloed liep het echter anders. In India is het programma al vele jaren zeer kontroversieel. Wat begon als een debat onder voornamelijk sociale wetenschappers en zuiveldeskundigen, mondde in 1983 uit in een heftige publieke en politieke diskussie die nog steeds voortduurt. In Europa kreeg deze diskussie pas in 1985 voldoende momentum om de Europese Commissie en het Europees Parlement te bewegen tot een heroverweging van de zuivelhulp aan India. In verschillende EG-landen gingen Derde Wereldorganisaties zich aktief met Operatie Vloed bezighouden. In Nederland ging de Landelijke India Werkgroep (LIW) eind 1985 van start met de kampanje 'Melk India Niet Uit', waarin wordt gepleit voor een snelle afbouw van de zuivelhulp aan en stopzetting van de veevoerimporten uit India. Zuivelhulp zou verder niet gebruikt moeten worden voor het bevorderen van flesvoeding en het op grote schaal kruisen van Indiase koeien met Westerse veerassen. Van dat laatste zou een groter tekort aan trekkracht voor de landbouw, veevoer en betaalbaar voedsel het gevolg zijn. Een Franse organisatie sloot zich bij de LIW-kampanje aan.
Al dit soort aktiviteiten en de steun daarvoor van een aantal Indiase wetenschappers en organisaties, leidden in maart 1986 tot uitstel van de beslissing over nieuwe zuivelhulp voor Operatie Vloed. Claude Cheysson maakte toen bekend dat het programma eerst grondig zou worden geëvalueerd. Ook zou India geen extra jaarlijkse zuivelhulp meer krijgen zoals in 1984 en 1985 was gebeurd. Aanvankelijk zou 1983 het laatste jaar zijn waarin de EG gratis zuivel aan India zou leveren. Tegelijk met de bovengenoemde beslissingen publiceerde de Europese Commissie een tussenrapport over Operatie Vloed. De toon daarvan was nog steeds overwegend positief, maar voor het eerst werden ook een aantal zwakke kanten en beperkingen van het programma genoemd. Zo werd erkend dat de zuivelhulp 'in sommige gevallen' konkurreert met lokale melk. Ook zou in het verleden te veel zijn verwacht van Operatie Vloed wat betreft het verminderen van armoede en sociale ongelijkheid.
In april vorig jaar kreeg de kritiek op Operatie Vloed een zeer brede ondersteuning. De Algemene Leden Vergadering van een 600-tal partikuliere ontwikkelingsorganisaties uit alle EG-landen, nam toen een resolutie aan waarvan de aanbevelingen voor een groot deel aansluiten bij de kritiek en de aktiepunten van de LIW.
Intussen was ook een tegenaktie van Dr. Kurien en van de Indiase ambassade in Brussel op gang gekomen. De Indiase ambassade produceerde een tegenrapport voor Euro-parlementariërs. Kurien noemde de aktiepunten van de LIW absurd en typeerde de leden als 'een stuk of vijftig langharige types'. Hij zei echter ook zijn twijfels te hebben of de nieuwe hulp wel gegeven zou worden 'gezien de omvangrijke propaganda tegen het projekt door bepaalde groepen in Nederland en West-Duitsland'.
In deze situatie van sterk uiteenlopende meningen en belangen, moest de evaluatiemissie in de zomer van 1986 aan een politiek zeer gevoelige klus beginnen. Het rapport van de missie is zeer kritisch uitgevallen en vermoedelijk daarom nog steeds niet gepubliceerd. Volgens de uitgelekte konklusies is 'een moratorium op de (Indiase) import van zuivelprodukten meer dan passend', waarmee in feite wordt gepleit voor het stopzetten van de EG-zuivelhulp. Ook de andere konklusies van het rapport sluiten in grote lijnen aan bij de resultaten van recent wetenschappelijk onderzoek. Zo wordt gekonstateerd dat het heel moeilijk is gebleken om juist de armste groepen te bereiken. Volgens de missie heeft het grootscheepse kruisfokprogramma gefaald en zou het beleid vooral gericht moeten worden op het genetisch verbeteren van inheemse melkveerassen. Naast talloze andere kritiekpunten, vindt de missie dat de technische aspekten van melkinzameling, -verwerking en -transport wel effektief worden aangepakt.
Kurien heeft intussen zijn tegenaanval uitgebreid. Hij dreigde de EG ermee dat hij zuivel in de VS of in afzonderlijke EG-lidstaten zou gaan vragen. De VS hebben echter laten weten dat zij momenteel geen gratis zuivel beschikbaar hebben, omdat zij vanwege de radio-aktieve besmetting van Europees melkpoeder door 'Tsjernobyl' hun eigen melkpoeder goed kwijt kunnen en daarom geen voorraden meer hebben. De EG zit in een moeilijk parket. De Engelse Financial Times voorspelde dat het op een kompromis uit zou draaien, waarbij India wel zuivelhulp krijgt, maar de opbrengst daarvan aan tevoren bepaalde specifieke doelen besteed zou moeten worden. De Algemene Leden Vergadering van Europese ontwikkelingsorganisaties heeft er in april 1987 in een vervolgresolutie over Operatie Vloed voor gepleit, dat een aanzienlijk deel van de huidige en mogelijk nieuwe Operatie Vloed-fondsen uit de zuivelhulp, besteed zal worden aan het versterken van de positie van vrouwen in de koöperatieve zuivelsektor.

Gerard Oonk is medewerker van de Landelijke India Werkgroep




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 18 augustus 2003