terug
Uit: India Nu 67 (jul-aug 1990)


Schuldverlichting
voor recht op werk



'India, schuldenland van de jaren negentig?' Dat was de kop waaronder het blad Internationale Samenwerking van het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking in mei 1989 een artikel wijdde aan de snel groeiende buitenlandse schuld van India. Die schuld bedraagt volgens de Wereldbank momenteel 130 miljard gulden. India is daarmee na Mexico en Brazilië het land met de grootste schuldenlast in de Derde Wereld. De afbetaling van rente en aflossingen kost India jaarlijks ongeveer 30% van haar inkomsten uit export. Volgens de Wereldbank zit een land met een percentage van 20% al in de gevarenzone.


hulplening

De Indiase schuld bestaat volgens de Wereldbank voor 65% uit 'officiële schulden' aan overheden en internationale organisaties en voor de resterende 35% uit commerciële schulden aan banken en andere financile instellingen. Ongeveer de helft van de officiële schuld is het gevolg van Wereldbankleningen en een bijna even groot deel komt voort uit bilaterale hulpleningen.
India heeft bijvoorbeeld een schuld van circa 2 miljard gulden aan Nederland uit in het verleden afgesloten hulpleningen en betaalt daarover jaarlijks een bedrag van 100 miljoen gulden aan rente en aflossing. Dat betekent dat niet minder dan de helft van de jaarlijkse 200 miljoen gulden bilaterale hulp van Nederland aan India nodig is om oude hulpschulden af te lossen. Volgens het 'Beleidsplan India 1989-1992' van het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking is de financiering van de investeringen die nodig zijn voor een snelle oplossing van de armoede in India een probleem, "met name gezien de snel toenemende schuldenlast". De Indiase hulpschuld aan Nederland neemt nog steeds toe omdat de helft van de bilaterale hulp uit leningen bestaat. India en Indonesië zijn nog de enige twee programmalanden (de landen waarop Nederland zijn hulp concentreert) die nog hulpleningen van Nederland krijgen. De bilaterale hulp aan andere programmalanden bestaat nu geheel uit schenkingen.
Naast hulpschulden heeft India nauwelijks schulden aan Nederland die voortkomen uit commerciële leningen en kredieten.


oorzaken

Het Indiase schuldenprobleem heeft twee belangrijke oorzaken. De eerste is de liberalisering van de Indiase economie sinds 1981 en vooral sinds de komst van Rajiv Gandhi in 1985. Mede onder invloed van het IMF en de Wereldbank (en dus ook gesteund door Nederland) werden de invoerbeperkingen teruggedrongen en de export aangemoedigd. De bescherming van de binnenlandse markt werd verminderd en voor buitenlandse bedrijven werd het makkelijker in India te investeren. India heeft daardoor haar economische groei kunnen verhogen tot rond de 5% per jaar, maar de buitenlandse schuld groeide nog veel sneller. In 1982 bedroeg die schuld nog 40 miljard gulden, die bovendien voor 90% uit leningen met lage rentes bestond.
Daarna is India op grote schaal gaan lenen bij de banken, waardoor het aandeel van de commerciële schuld, waarover hoge marktrentes betaald moeten worden is opgelopen tot éénderde van de totale schuld. Volgens het blad 'Business India' is de belangrijkste oorzaak van de snelle groei van het Indiase schuldenprobleem "het willekeurig aangaan van buitenlandse leningen en het gebruik van dat geld voor projekten van twijfelachtige levensvatbaarheid". Een tweede oorzaak van de snel groeiende Indiase schuld is de sterke vermindering van de 'zachte' hulpleningen van zowel de bilaterale donoren als de Wereldbank. De bilaterale stagneerde in omvang. De hulp van de Wereldbank groeide wel, maar gemiddeld tegen een veel hogere rente.
Die hogere rente was het gevolg van het succesvolle beroep dat Afrika en China de afgelopen jaren op de zachte leningen van de Wereldbank deden. India moest daardoor marktrentes gaan betalen over driekwart van haar nieuwe Wereldbankleningen. Op dit moment staat India voor ongeveer 40 miljard gulden in het krijt bij de Wereldbank.
Dat geld wordt niet altijd goed besteed. Diverse door de Wereldbank gefinancierde projekten, zoals de bouw van de Narmada stuwdammen voor grootschalige irrigatie en opwekking van elektriciteit, zetten grote gebieden onder water en verdrijven daardoor niet alleen honderdduizenden van hun woonplaats maar vernietigen ook op grote schaal het milieu. De Nationaal Front regering heeft erkend dat de buitenlandse schuld van India een probleem is dat uit de hand dreigt te lopen. De schuld wordt nog steeds op tijd terugbetaald en het is ook niet te verwachten dat India een wanbetaler wordt. Maar volgens de minister van Financiën, Madhu Dandavate, gaat die terugbetaling ten koste van de financiering van ontwikkelingsprojekten. Om de schuld niet onnodig te laten groeien heeft de nieuwe regering dan ook besloten tot het terugdringen van de 'verspillende en ongebreidelde' import van luxe goederen en niet-noodzakelijke buitenlandse technologie.


grondwet

De regering van V.P. Singh wil niet alleen minder afhankelijk van het buitenland worden maar ook veel meer nadruk leggen op plattelandsontwikkeling en kleinschalige industrie. Het belangrijkste uitgangspunt van het nieuwe beleid is het scheppen van meer produktieve werkgelegenheid op het platteland, waardoor ook beter voorzien kan worden in de basisbehoeften van de bevolking zoals voedsel en kleding. De regering wil het 'recht op werk' voor alle burgers zelfs als fundamenteel recht in de grondwet opnemen. De eerste konkrete stap daartoe zou een nationaal Werkgarantie Programma voor landarbeiders zijn.


strategie

Het nieuwe beleid sluit - als het inderdaad wordt uitgevoerd - goed aan bij de verlangens van de 'recht op werk beweging'. Dit is een groeiende beweging van landarbeidersbonden, plattelands- en milieu-organisaties, wetenschappers e.d. die al jaren aandringt op een wettelijk gegarandeerd recht op werk voor landarbeid(st)ers op het platteland. De achtergrond daarvan is de land loosheid van 40% van de Indiase plattelandsbevolking. Werkloosheid en lage lonen behoren tot hun grootste problemen.
Het overgrote deel van India's armen bestaat dan ook uit landarbeiders, waaronder veel vrouwen. Het loon van vrouwen ligt gemiddeld nog een kwart lager dan dat van mannen.
De recht op werk beweging wordt vooral geïnspireerd door wat in de deelstaat Maharashtra gebeurd, waar al 15 jaar een Werkgarantie Programma bestaat dat werklozen op het platteland loonarbeid garandeert in openbare werken. Het gaat om projekten op het gebied van irrigatie, erosiebestrijding, herbebossing en wegenaanleg. Het Werkgarantie Programma heeft - ondanks de nodige beperkingen - een belangrijke bijdrage geleverd aan de inkomensverbetering van landarbeiders. Meer dan de helft van de deelnemers aan het programma zijn vrouwen. Het recht op werk heeft ook bijgedragen aan minder migratie naar de steden, milieuverbetering en verhoging van de voedselproduktie.
Heel belangrijk is dat de garantie op werk, weliswaar onder bepaalde voorwaarden, de armen een juridisch afdwingbaar recht op (over)leven verschaft. Het is gebleken dat het rècht op werk inderdaad de organisatie van landarbeiders heeft gestimuleerd.
Om al deze redenen is er een sociale beweging ontstaan die recht op werk als een belangrijke strategie ziet om de positie van de ruim 200 miljoen landarbeiders en hun gezinsleden in India te verbeteren. Niet als blauwdruk tegen de armoede maar als belangrijke aanzet tot een strukturele verbetering van de positie van landarbeiders in India.


steun

De Landelijke India Werkgroep (LIW) start in september 1990 met een solidariteitscampagne met de Indiase recht op werk beweging. Een van de twee politieke hoofddoelen van de campagne is 'schuldverlichting voor recht op werk'. Schuldkwijtschelding voor recht op werk wordt bepleit door diverse Indiase organisaties voor landarbeiders. Het Young India Project uit Andhra Pradesh bijvoorbeeld, heeft de minister van Financiën aanbevolen om met de westerse landen te gaan onderhandelen over een schuldvermindering en, als dat lukt, het 'uitgespaarde' bedrag te gebruiken voor het financieren van het nationale Werkgarantie Programma voor landarbeiders. Een Europese campagne gericht op de politieke en financiële ondersteuning van de recht op werk plannen van de Indiase regering is voor hen een steun in de rug.


schulden

De LIW zal er bij de ministers Pronk en Kok op aandringen dat de Indiase buitenlandse schuld aan Nederland, die het gevolg is van hulpleningen, wordt 'omgezet' in steun aan het nieuwe werkgarantie programma van de Indiase regering. Pronk heeft begin mei gezegd dat ook hij ontwikkelingsgeld wil gebruiken voor het omzetten van schulden in sociale programma's ten behoeve van de armen en voor milieubescherming. In India ligt wellicht zijn eerste kans om dit waar te maken. Wij willen er eveneens bij Pronk en Kok voor pleiten om in internationaal verband ook andere westerse schuldeisers van India tot een dergelijk beleid aan te sporen.


leningen

De campagne van de LIW heeft als tweede politiek doel: het bewerkstelligen dat een belangrijk deel van van de Nederlandse bilaterale hulp aan India (200 miljoen gulden per jaar) wordt gebruikt voor steun aan het Indiase recht op werk programma voor landarbeiders. Tegelijk pleit de LIW ervoor dat de hulp, die nu voor de helft uit leningen bestaat, geheel wordt omgezet in niet aan besteding in Nederland gebonden schenkingen. Daardoor neemt de Indiase schuld aan Nederland niet verder toe. Direkte armoedebestrijding moet dan wel het centrale uitgangspunt van de hulp worden en landarbeiders de belangrijkste doelgroep.

Gerard Oonk




begin document

tijdschrift India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 28 juli 2008