terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Milieudefensie, mei 1992      

De overlevingsstrategie van Maharashtra

door:
Manus van Brakel

Voor de vicieuze cirkel van armoede en milieuproblemen heeft India een unieke oplossing in huis: het laat landlozen en kleine boeren tegen minimumloon ecologisch nuttige arbeid verrichten. De Wereldbank is enthousiast; de UNCED stelt de methode zelfs de hele wereld ten voorbeeld. Maar het IMF is tegen en het Westen wil niet betalen.

De Indiase deelstaat Maharashtra heeft al 18 jaar een uniek werkgelegenheidsplan. Tegen betaling van het minimumloon kunnen landlozen en kleine boeren er ecologisch nuttige arbeid verrichten. Zoals bomen planten, de bodem beschermen en voor wateropvang zorgen. Daarmee helpen ze het milieu en verbeteren ze tegelijkertijd hun eigen situatie. In India is men enthousiast over deze opzet. Diverse Indiase milieu-activisten hebben daarom de UNCED opgeroepen het plan op te nemen in de aanstaande wereldmilieutop van Rio en brachten daartoe een manifest uit: "Een eerlijke discussie over het redden van de aarde is niet mogelijk wanneer de wereld is verdeeld tussen arm en rijk. Terwijl de rijken zich zorgen maken over de toekomst van de aarde, zijn het de armen die in de meest kwetsbare gebieden leven. Omdat die armen
Milieuherstel
als inzet van werk-
garantieplan
veelal werkloos zijn, hebben juist zij bij uitstek de mogelijkheid te werken aan het herstel van de natuur waarvan zij zelf afhankelijk zijn. Als overal in Latijns Amerika, Afrika en Azië op dorpsniveau lokale ecosystemen worden gered door herbebossing, bodembescherming en waterbeheer, is de neerwaartse spiraal van armoede en milieuvernietiging te doorbreken. Een dergelijk plan zou de hele wereldbevolking ten goede komen."
Volgens het manifest zouden mensen in de rijke landen het plan moeten bekostigen. Per slot van rekening consumeren zij ook het meest van wat de aarde levert, voeren de milieu-activisten aan. En het benodigde bedrag is gemakkelijk op te brengen; volgens hun berekening in totaal zo'n 40 miljard dollar, rond één tiende procent van wat in de rijke landen wordt verdiend.
De UNCED heeft het plan inderdaad overgenomen, het staat vermeld in de Agenda 21 die in Rio ter sprake komt. Maar dat niet alleen: volgens de UNCED moet duurzame armoedebestrijding ook samengaan met aanpassing van de consumptie in het noorden, zodat de druk op natuurlijke hulpbronnen in het zuiden afneemt. Toch, hoewel het plan slechts één tiende procent van de Westerse inkomsten zou kosten, hebben de rijke regeringen er vooralsnog geen geld voor over. Dat terwijl wereldwijd meer dan een miljard mensen onder de absolute armoedegrens leven en moeten zien te overleven, vaak ten koste van de natuur waarvan zij afhankelijk zijn. Het Indiase model kan die vicieuze cirkel juist zo mooi doorbreken.

Uniek experiment
Hoe het plan in de praktijk werkt, is te zien aan het dorpje Ralegan Shindi in het Ahmednagar-district van de deelstaat Maharashtra. Hier vandaan zijn de meeste mensen naar de steden weggetrokken; de streek rond Ralegan Shindi is berucht om haar structurele droogte. In het dorp wonen 1500 mensen, bijna alleen kleine boeren.
Middenin in de uitgestrekte dorheid oogt het dorp nu als een groene oase. Via het Werkgarantieplan is men er in 1976 begonnen met de reparatie van een lek waterreservoir. Om overlopend water van het reservoir op te vangen, zijn vervolgens 32 kleinere bekkens gebouwd. Er zijn ook 20 bronnen gegraven, en duizenden bomen in en rond het dorp geplant om het water vast te houden en de grond te verbeteren. Op een nabijgelegen heuvel wordt de grasproduktie gestimuleerd door er geen geiten meer te laten grazen - die blijven nu in het dorp - maar het gras zelf te maaien en naar het dorp te brengen. Dank zij het Werkgarantieplan hebben de mensen er een aanmerkelijk beter leven dan voorheen. De voedselproduktie is verhoogd, er zijn meer fruitbomen, er wordt gekookt op biogas en er is voldoende drinkwater.
Ralegan Shindi staat niet op zich zelf, talloze dorpen zijn gevolgd. Dat is het resultaat van een jarenlange strijd die al eind jaren zestig begon. Toen na 1970 drie jaren van extreme droogte volgden die de landarbeiders en kleine boeren in hun bestaan bedreigden, werd op grote schaal gedemonstreerd voor werk en betaling van het minimumloon. De acties hadden succes. De deelstaat Maharashtra voerde in 1974 het Werkgarantieplan in; en verhief dat vijf jaar later zelfs tot wet, zodat werkgarantie een afdwingbaar recht werd.
Daarmee begon een uniek experiment. Volgens de wettelijke regeling van het Werkgarantieplan heeft elke volwassene die ongeschoolde arbeid wil verrichten terwijl er geen lonend werk beschikbaar is, recht op betaalde arbeid in openbare werken: vooral kleine en grote irrigatiewerken, bodembeheer, landverbetering, herbebossing, aanleg van plattelandswegen en woningbouw. Het werk wordt zoveel mogelijk binnen 5 kilometer van de woonplaats aangeboden. Als dat niet lukt, wordt volgens de wet voor tijdelijke huisvesting en kinderopvang gezorgd. In het oogstseizoen is er veel werk te doen, dus zijn er dan weinig projecten. Maar buiten het seizoen zijn er meer. Iedereen die zich aanmeldt, moet in principe binnen 15 dagen werk krijgen tegen betaling van het geldende minimumloon - dat grotendeels in geld en voor de rest in voedselbonnen wordt uitbetaald. Zijn er geen projecten voorhanden, dan krijgt de werkzoekende een uitkering (lager dan het minimumloon, dat wel). Het geld komt voor ongeveer de helft uit de staatskas.

Gemeenschapsgrond geprivatiseerd

In India leven bijna 850 miljoen mensen, waarvan 600 miljoen op het platteland. Bijna de helft van die plattelandsbevolking is chronisch ondervoed; niet alleen de 250 miljoen landlozen, maar ook de kleine boeren met hun minieme lapjes grond lijden eronder. Een uitkomst bieden nog de zogenaamde gemeenschapsgronden: weidegronden, dorpsbossen, braakliggende terreinen, meertjes, rivieren en rivieroevers, waar driekwart van de arme huishoudens haar brandhout, drinkwater, veevoer en voedsel vandaan haalt. Maar gemeenschapsgrond is schaars. Vroeger bezat elk dorp gemeenschappelijke bos- en weidegronden; sinds het midden van de vorige eeuw heeft de Britse koloniale regering ze veelal in beslag genomen en bossen gekapt voor de aanleg van spoorwegen. Na de onafhankelijkheid, in 1947, heeft de Indiase regering dit beleid voortgezet. India wilde moderniseren; de gemeenschapsgronden waren goed te gebruiken voor bijvoorbeeld plantages, en bossen verdwenen om in de behoeften van de papier-, verpakkings- en tabaksindustrie te voorzien. Zo is er een bloeiende industrie ontstaan en kunnen ongeveer 100 miljoen Indiërs zich steeds meer consumptiegoederen veroorloven.
Maar de rest leeft in armoede. Een armoede die vooral op het platteland steeds structureler lijkt te worden. Als bossen en gemeenschapsgronden verdwijnen, verdwijnt de bestaansbasis van mensen. Het wordt steeds moeilijker om aan brandhout en veevoer te komen; honderdduizenden die de kost verdienen in ambachten zoals mandenvlechten, bezems en matten maken en pottenbakken, raken werkloos omdat ook bamboe, brandhout en klei schaarser worden. De milieucrisis maakt het alleen maar erger. Want door ontbossingen is een derde van India hard op weg in een woestijn te veranderen. Nog elk jaar verdwijnt rond de 1,3 miljoen hectare bos. Verder is naar schatting 70 procent van het oppervlaktewater vervuild.
Verzet tegen zo'n ontwikkeling kan natuurlijk niet uitblijven. De acties tegen het Narmada-project, de bouw van twee grote stuwdammen waarvoor honderdduizenden mensen van hun grond zouden worden verdreven, hebben in heel India opzien gebaard. Dat geldt ook voor de acties tegen eucalyptusplantages, die zoveel water gebruiken dat boeren in de omgeving hun grond bedreigd zien met verwoestijning. De recht-op-werkbeweging ligt in het verlengde hiervan. De mensen moeten weer zelf over gemeenschapsgronden kunnen beschikken.

Voor de andere helft komt het uit speciale belastingen die vooral door de stadsbewoners worden opgebracht. Dat is een soort solidariteitsheffing, maar een waarvan de stadsbewoners zelf ook profiteren: als de situatie op het platteland uitzichtloos wordt, vluchten veel landlozen en kleine boeren naar de stad en dan zijn uiteindelijk ook de stadsbewoners zelf de dupe.

Dorpsraad
Sinds eind jaren zeventig heeft het programma ongeveer een miljoen mensen gemiddeld zes maanden werk bezorgd. Rond tweederde van die mensen zijn vrouwen. Zij waarderen het plan speciaal omdat het werk vaak dicht bij huis is, en omdat ze zo veelal met familieleden kunnen samenwerken wat de kans op seksueel geweld verkleint. Natuurlijk is er ook kritiek op het plan. Met name landlozen worden niet structureel geholpen, dus blijft het voor hen noodhulp. En degenen die het meest van het plan profiteren zijn toch de middelgrote boeren, want vooral hun grond wordt er beter van.
Sinds het midden van de jaren tachtig is aan die kritiek tegemoetgekomen. De plannen kregen als nieuwe doelstelling het scheppen van duurzame gemeenschappelijke hulpbronnen en uitbreiding van de belangrijkste bron van werkgelegenheid: de landbouw. In de nieuwe opzet worden voor de financiering ook andere voorwaarden gesteld. Zo moet een plan met tweederde meerderheid door de dorpsraad zijn goedgekeurd en heeft werk op het land van kleine boeren eerste prioriteit. Belangrijkste doel is herstel van het ecologisch evenwicht door een gecombineerde aanpak van waterconservering, bodemverbetering, het tegengaan van overbegrazing en ontbossing, herbebossing, landbouw, veeteelt en tuinbouw. Door de gemeenschapsgronden te herstellen en ze lokaal te beheren op basis van een 'ecosysteem-planning' kunnen de dorpsbewoners in gelijke mate van de werkgarantieplannen profiteren.

Strijdfonds
Hoewel het Werkgarantieplan nog steeds geen blauwdruk is voor het oplossen van de armoede onder landlozen, is het wel een belangrijke stap voorwaarts om aan de vicieuze cirkel van armoede en milieuvernietiging te ontkomen. Waar projecten zijn uitgevoerd, is door herbebossing en beter water- en bodembeheer verdere milieuvernietiging voorkomen. Dat heeft, volgens Indiase berekeningen, de landbouwproduktie gemiddeld met een kwart vergroot. En daarmee ook meer werk opgeleverd: door irrigatie en landverbetering zijn nu meerdere oogsten per jaar mogelijk, wat in veel gevallen de werkloosheid met een derde verminderd heeft. Bovendien loopt het geboortencijfer terug doordat vrouwen nu lonend werk vinden: vrouwen die deelnemen aan het Werkgarantieplan blijken gemiddeld één kind minder te krijgen.
Tekortkomingen zijn er ook. Vooral dat de armoede niet wordt opgeheven. Al is het levenspeil wel gestegen, het lukt de meeste landarbeiders niet om hun gezinsinkomen boven de armoedegrens te brengen.
Tot nu toe zijn werkgarantieplannen alleen in de deelstaat Maharashtra uitgevoerd. Maar de waardering is groot en in heel India is inmiddels een beweging voor recht op werk ontstaan. In 1990 heeft een groot aantal organisaties zich gebundeld in een Strijdfonds voor Recht op Werk. In een gezamenlijke verklaring stelt dit Strijdfonds dat de Indiase regering moet kiezen voor het welzijn van haar burgers en dus voorrang moet geven aan werkgarantie voor de armen, in plaats van aan grootschalige projecten die de armen juist bedreigen. Om die reden, zegt het Strijdfonds, dienen de gemeenschapsgronden op het platteland weer onder beheer van de dorpen te komen, net zoals voor de Britse overheersing, en moeten ze voor werkgelegenheid worden ingezet.
De strijd voor werkgarantie krijgt steeds meer steun. Opmerkelijk is de ommezwaai van dr. Swaminathan, de geestelijke vader van India's Groene Revolutie - en dus voorvechter van landbouwontwikkeling naar Westers model: nu stelt hij dat de huidige ontwikkelingsstrategie en economische groei niet leiden tot de verwachte daling van armoede en werkloosheid, maar vooral tot vernietiging van natuurlijke hulpbronnen. Zijn hoop voor de toekomst is een Werkgarantie voor Ecologische Zekerheid, waarin armoedebestrijding, ecologisch herstel, wetenschap, technologie en beroepstraining samen dienen te gaan. Ook de man die in november 1989 als premier van India aantrad, V.P. Singh, staat achter de recht-op-werkbeweging. In de verkiezingstijd beloofde hij het recht op werk in India's Grondwet op te nemen en een Nationaal Werkgarantieplan te ontwikkelen. Voor projecten op het platteland zou 8 miljard gulden nodig zijn, voor projecten in de steden 6 miljard.
Singh heeft zijn best gedaan. Maar zijn kabinet trad af en de nieuwe regering van premier Rao heeft de plannen voorlopig in de ijskast gezet.

Vrije markt
Omdat India in een economische crisis verkeert en bovendien wordt geconfronteerd met een buitenlandse-schuldenlast - inmiddels opgelopen tot 130 miljard gulden - zit een nationaal werkgarantieplan er voorlopig niet meer in. India verkeert in betalingsproblemen en moet onder regie van het Internationale Monetaire Fonds IMF zijn economie herstructureren. De overheid moet bezuinigen, dus is er geen extra geld

Indiërs betogen massaal voor hun recht op werk.
voor nieuwe werkgelegenheidsplannen. Integendeel: het IMF wil juist dat de overheid meer steun geeft aan de privé-sector om zo de export te stimuleren. Het gevolg is dat het platteland de rijken in hun consumptiebehoeften moet bedienen, in plaats van degenen die er het meest behoefte aan hebben. Toch kan de recht-op-werkbeweging nog é'én succes melden: de deelstaat Tamil Nadu gaat, dwars tegen de plannen van de landelijke overheid in, plannen voor werkgarantie opzetten.
De rijke landen juichen over de door het IMF gestimuleerde liberalisering van de economie, maar voor de problemen van de 300 miljoen armen geven ze geen oplossing. Dat terwijl werkgarantie niet alleen de beste manier is om honger te bestrijden, maar ook betaalbaar en gunstig voor de economie als geheel. Internationale onderzoekers hebben dat aangetoond. Niet voor niets prijst ook de Wereldbank de aanpak van de deelstaat Maharashtra: in haar World Development Report 1991 adviseert ze, zulke werkgarantieplannen in heel India uit te voeren. De UNCED stelt ze zelfs de hele wereld ten voorbeeld. Maar zo worden veelbelovende plannen dus om zeep geholpen. Als het erop aan komt, blijken de rijke landen meer te geloven in de plannen van het IMF dan in de UNCED-voorstellen. Illustratief is de manier waarop de Europese Commissie via een brief aan de Landelijke India Werkgroep op het werkgarantieplan reageerde: "Wij zijn enthousiast over het nieuwe Indiase beleid om meer te vertrouwen op de vrije markt; we vertrouwen erop dat dit beleid de grondslag biedt om de situatie van de armen in India te verbeteren". Gelukkig heeft de Nederlandse minister Pronk in het jaarlijkse overleg tussen India en zijn donors afgelopen september nog getracht steun voor de werkgarantieprogramma's te verwerven. Een onderzoeksmissie bekijkt de mogelijkheden.



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 2 juli 2004