terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: onzeWereld, november 1992      

Kanttekeningen bij Pronks Azië-beleid

Geopolitieke overwegingen zijn - naast directe armoedebestrijding en ecoomische verzelfstandiging - altijd van belang bij het al dan niet geven van Nederlandse ontwikkelingshulp. Dat was de boodschap van minister Pronk aan de Vaste Kamercommissie voor Ontwikkelingssamenwerking. Eind september werd daar gedebatteerd over Pronks beleidsplannen (tot 1995) voor een aantal Aziatische landen: de programmalanden Bangladesh, India en Pakistan; de sector landen Filipijnen en Sri Lanka en de Mekong-regio.
Zowel VVD-Kamerlid Terpstra als PvdA-er De Pree zetten vraagtekens bij de bilaterale hulp aan Pakistan. Voor dit programmaland is voor 1993 57 miljoen gulden uitgetrokken. De Pree constateerde wel dat Pronks beleidsplan voor Pakistan van alle plannen voor de regio het meest kritische was. De situatie van de mensenrechten is er in de nieuwe regering van premier Nawaz Sharif eerder op achteruit dan vooruit gegaan; de defensie-uitgaven blijven hoog, terwijl vooral aan onderwijs weinig wordt gespendeerd. Kortom, wat hem betreft vormt Pakistan een 'negatief klapstuk'. Terpstra vroeg de minister of het daarom niet tijd werd de hulp aan Pakistan te stoppen. Kwamen de plannen van de minister de hulp meer te richten op de sociale sectoren niet neer op 'roeien tegen de stroom op'?
Continuering van de hulp vond Pronk zinvol zolang de kwaliteit van de door Nederland gesteunde projecten op het gebied van milieu en kleinschalige industrie hoog genoeg was. Gezien de gespannen geopolitieke verhoudingen achtte hij het contraproduktief als aan India en Bangladesh wel geld gegeven zou worden en niet aan Pakistan. De moeizame relatie tussen Pakistan en India maakte de Nederlandse aanwezigheid in Pakistan tot een 'vorm van politieke wijsheid'. Maar vanwege de hoge militaire uitgaven en de vele hulp die Pakistan uit andere bronnen krijgt (met name de VS), is gekozen voor stabilisering in plaats van voor verhoging van de hulp, aldus de minister.

Sprong in 't diepe
India is onbedreigd het land dat de meeste Nederlandse hulp krijgt, zeker na het wegvallen van de hulp aan Indonesië. De minister deelde mee dat in de vorm van import- en begrotingssteun meer macrosteun gegeven wordt dan volgens het beleidsplan de bedoeling was. Zestig procent van het kasplafond van 160 miljoen gulden zal voortaan besteed worden aan specifieke projecten en veertig procent aan programmahulp, in plaats van de huidige fifty-fifty-verdeling. Maar gezien de moeilijke overgangssituatie in de richting van economische liberalisering, is voorlopig toch gekozen voor meer macrosteun, aldus de minister.
Pronk noemde de op gang gezette liberalisering een onvermijdelijke 'sprong in het diepe'. Of de Indiase overheid daarbij zorgt voor een sociaal vangnet voor de meest kwetsbare groepen in de Indiase samenleving - door werkgelegenheidsprojecten bijvoorbeeld - moet daarbij als toetssteen gelden. De Pree zag het accent van de Nederlandse hulp - in tegenstelling tot VVD-collega Terpstra die juist een versterking van India's verzelfstandiging bepleitte - toch liever liggen op de directe armoedebestrijding. Het probleen zag het PvdA-Kamerlid niet zozeer in een stagnerende groei, als wel in de onevenwichtige verdeling van de welvaart waar met name landarbeiders de dupe van zijn.

Mekong-regio
Zowel de Landelijke India Werkgroep als de FNV hebben de Tweede Kamer en minister Pronk opgeroepen landarbeiders (mannen en vrouwen) tot de belangrijkste doelgroep van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking met India te maken. Sociaal-economisch zwakke groepen als landlozen zullen meer te lijden hebben van stijgende prijzen dan bij voorbeeld industrie-arbeiders met een geïndexeerd inkomen.
De hulp aan programmaland Bangladesh - voor 95 miljoen op de begroting - blijft sinds 1989 gericht op directe armoedebestrijding waarbij niet-gouvernementele organisaties een grote rol spelen. Ondanks verbeteringen op democratisch terrein, werd gewezen op de schending van mensenrechten van minderheden in de Chittagong Hill Tracts in het bergachtige westen van Bangladesh.
De Pree betreurde het dat met de Mekong-regio - Thailand, Laos, Cambodja, Vietnam en Burma - geen normale bilaterale hulprelatie bestaat, terwijl zeker Laos en Vietnam tot de allerarmste landen behoren. Voor de totale Mekong-regio is het kasplafond voor 1993 met 25 miljoen gulden gelijk gebleven. De hulp aan Burma blijft sinds 1988 opgeschort.

Oude garde
Terpstra signaleerde dat van lieverlede toch menige missie naar Vietnam afreist ondanks de belofte dat er wat Vietnam betreft - buiten een aantal onderwijs- en onderzoeksprojecten van de Universiteit van Amsterdam - geen nieuwe activiteiten zullen worden ondernomen 'zolang de oude garde nog steeds in het zadel zit'. Minister Pronk blijft het betreuren dat samenwerking met Vietnam vanuit Ontwikkelingssamenwerking door het eerdere nee van de Kamer niet mogelijk is. Maar: 'behoefte om dit Kamerbesluit aan te vechten, heb ik niet meer'.
De Filipijnen en Sri Lanka blijven voorlopig sectorland. De (beperkte) hulp aan de Filipijnen op het gebied van plattelandsontwikkeling en milieu loopt via niet-gouvernementele organisaties en multilaterale instellingen. Het besluit om nieuwe hulp voor Sri Lanka ook uitsluitend via deze kanalen te laten lopen, geldt niet meer in 1993. De Srilankaanse regering reageen positief op aanbevelingen van Amnesty International en de ontwikkelingsdialoog tussen Nederland en Sri Lanka loopt zodanig dat bilaterale relaties weer mogelijk zijn, aldus Pronk. Ook al is nog lang niet alles pais en vree op het eiland. Dat Sri Lanka ondanks de verkoeling in de betrekkingen intussen toch maar een ambassade in Den Haag heeft geopend, noemde Pronk een gunstig teken.

W.v.R.




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 5 juli 2004