terug
Uit: India Nu 88 (jan-feb 1994)


India en de Europese Unie

Een relatie met toekomst?



India krijgt niet de aandacht van de Europese Unie (EU) waar het recht op meent te hebben als prominent derde-wereldland met 900 miljoen inwoners. Volgens de Times of India staat India bijna onderaan de prioriteitenlijst van de EU. Toch hebben beide op 20 december 1993 een nieuwe samenwerkingsovereenkomst ondertekend 'inzake partnerschap en ontwikkeling'. Eerdere overeenkomsten dateren van 1973 en 1981. Tijdens de recente onderhandelingen streefde India naar meer dan 'gewoon' een derde overeenkomst. "We willen dat het een model voor de Noord-Zuid relaties wordt", liet een Indiase diplomaat weten. Het is de vraag of dat is gelukt.

In de overeenkomst wordt vooral veel aandacht besteed aan het bevorderen van handel, investeringen en samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie. Telecommunicatie in de particuliere sector, energie, landbouw en toerisme zijn belangrijke sectoren voor gezamenlijke activiteiten. Andere artikelen van de overeenkomst gaan o.m. over de bescherming van intellectueel eigendom, voorlichting en cultuur, drugsbestrijding en ontwikkelingssamenwerking. Een Indiaas-Europese 'Gemengde Commissie' moet zorgen voor de uitvoering van de overeenkomst, die overigens ook voorziet in de mogelijkheid om deze tussentijds te herzien en uit te breiden.
Een duidelijk 'pijnpunt' voor India is het eerste artikel dat bepaalt dat de samenwerking berust op "de eerbiediging van de mensenrechten en democratische beginselen, welke een essentieel onderdeel van de overeenkomst vormen." Een woordvoerder van het Indiase Ministerie van Buitenlandse Zaken daarover: "Het kan geïnterpreteerd worden als een koppeling van economische samenwerking en mensenrechten. Wij zijn tegen dat principe." De EU ontkent een dergelijke koppeling. De Europese Raad van Ministers heeft de verplichting opgelegd om een clausule over de mensenrechten in elke overeenkomst met ontwikkelingslanden op te nemen. De mogelijke consequenties daarvan blijven, wellicht bewust, wat in het vage.

Het Europees Parlement heeft bij de EU-India overeenkomst letterlijk het nakijken. Terwijl de overeenkomst is getekend brengt het parlement daarover op zijn vroegst in maart 1994 advies uit. De overeenkomst is weliswaar formeel nog niet van kracht zolang het parlement niet heeft geadviseerd, maar haar adviezen hoeven niet te worden overgenomen. Het enige (paarde)middel dat het Europees Parlement had kunnen gebruiken om de overeenkomst tegen te houden zou zijn geweest: geen advies uitbrengen.
Toch is de mening van het parlement niet onbelangrijk. Haar aanbevelingen kunnen een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van de overeenkomst. Het is tenslotte een raamverdrag dat nog handen en voeten moet krijgen. Daarnaast heeft het parlement de mogelijkheid om de Europese Commissie aan te sporen tot onderhandelingen over uitbreiding van de overeenkomst. Volgens de Indiase Economic Times nemen de Zuid-Aziatische landen het Europees Parlement serieuzer dan de lidstaten van de EU zelf. Er wordt door India flink gelobbied om resoluties van het parlement, bijvoorbeeld over Kashmir of de Narmada-dammen, te beïnvloeden of de politieke schade ervan te beperken.


Nieuwe verhoudingen

Al staat India niet erg hoog op de Europese agenda, toch is de nieuwe overeenkomst een mijlpaal voor veranderende verhoudingen tussen beide grootmachten. Dit komt zowel door de liberalisering van de Indiase economie als door de economische en politieke eenwording van Europa. Juan Prat, een hoge ambtenaar van de Europese Commissie zegt daarover: "We kunnen nu uitgebreider met India samenwerken omdat het haar economisch beleid heeft veranderd. De beslissing is genomen om de economie te liberaliseren en meer in lijn te brengen met een open markt economie als de Europese Unie."
Voor de EU is het (potentiële) belang van India toegenomen door de vergrote mogelijkheden voor investeringen, joint-ventures met Indiase bedrijven, export naar de gigantische Indiase markt en 'uitbesteding van werk'. In Nederland hebben de recente plannen van de KLM om haar administratie naar India te verplaatsen veel discussie losgemaakt, omdat daardoor hoogwaardige arbeid verdwijnt. Europese software bedrijven besparen tegenwoordig fors op hun personeelskosten door goed opgeleide Indiase programmeurs het werk te laten doen.
Veel, vooral middelgrote, bedrijven aarzelen echter nog. Ze wachten af of de liberalisering zich doorzet, niet alleen op beleidsniveau maar ook in de dagelijkse - vaak nog vrij bureaucratische - praktijk. De Europese Commissie probeert deze bedrijven te ondersteunen, bijvoorbeeld met haar International Investment Partner Facility.

De EU is al jaren India's belangrijkste handelspartner. Een kwart van de Indiase export gaat naar de Unie en een derde van de Indiase importen komt er vandaan. India probeert nu haar export naar westerse markten sterk op te voeren. Zeker na het deels wegvallen van de markt in het voormalige Oostblok, heeft India er alle belang bij om de economische betrekkingen met Europa uit te breiden. De angst bestaat echter dat de EU nieuwe belemmeringen zal opwerpen voor de export van India en andere ontwikkelingslanden. Daarvoor is onder meer belangrijk hoe het nieuwe Algemeen Preferentieel Stelsel (APS) van de Unie er uit gaat zien. Het APS geeft ontwikkelingslanden de mogelijkheid om bepaalde (hoeveelheden) produkten naar de EU te exporteren tegen lagere importtarieven dan gebruikelijk. Nu de wereldhandelsovereenkomst (GATT) is afgerond en de tarieven wereldwijd zijn verlaagd, gaat de Unie haar APS herzien. India wil graag evenveel handelsvoordelen krijgen als de Afrikaanse landen via de Lomé Conventie. Maar ook de - politiek belangrijkere - Oost-Europese landen staan te dringen om een betere toegang tot de Europese markt te krijgen. India's kansen zijn dus niet erg groot. Wel wordt er momenteel - onder meer door milieu-organisaties - gesproken over de mogelijkheid om milieuvriendelijke produkten binnen het APS te bevoordelen. Minister Pronk heeft daar een onderzoek naar laten doen, dat ongetwijfeld ingebracht zal worden bij de besluitvorming binnen de EU.

In politiek opzicht wordt de EU belangrijker voor India. Door het wegvallen van de politieke steun van de voormalige Sovjet-Unie en de Oost-Europese landen, heeft India de EU in toenemende mate nodig als tegenwicht tegen een te grote politieke en ook economische invloed van de Verenigde Staten. In internationale onderhandelingen, zoals onlangs tijdens de UNCED conferentie, is het voor India (en andere ontwikkelingslanden) belangrijk om Europa zoveel mogelijk aan haar kant te krijgen om de vaak 'extremere' opstelling van de Verenigde Staten te neutraliseren. Het toegenomen belang van de EU betekent ook dat India gevoeliger is geworden voor Europese kritiek op de mensenrechtensituatie. Het is bijvoorbeeld een stuk moeilijker geworden om rapporten van Amnesty International af te doen als inmenging in interne aangelegenheden.


Hulp

Op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking tussen India en de EU kunnen belangrijke verschuivingen verwacht worden. India is - met een hulpbedrag van rond de 200 miljoen gulden per jaar - het land dat de meeste hulp van de EU krijgt. Samen met de bilaterale hulp van met name Duitsland, Engeland, Frankrijk en Nederland zijn de EU en haar lidstaten, de belangrijkste donor van India.
Ongeveer 40% van de rechtstreekse EU hulp aan India is sinds begin zeventiger jaren besteed aan zuivelhulp voor het programma Operatie Vloed. Volgend jaar zal de EU moeten beslissen of zij de hulp aan dit programma wil voortzetten. Er is, ook vanuit de LIW, veel kritiek geweest op de Indiase 'verslaving' aan Europese zuivelhulp en het geringe profijt dat vrouwen en landlozen van het programma hebben.
De rest van de EU-hulp aan India - sinds 1978 meer dan drie miljard gulden - is onder meer besteed aan kunstmestleveranties, irrigatieprojecten, opslagplaatsen van landbouwprodukten en een aantal projecten voor geïntegreerd water- en milieubeheer. Onlangs is besloten om het onderwijs in de deelstaat Madhya Pradesh met 330 miljoen gulden te ondersteunen. Belangrijke beleidsprioriteiten voor de EU zijn de komende jaren: het scheppen van werkgelegenheid op het platteland en kleine steden, milieuverbetering, het terugdringen van de bevolkingsgroei en het versterken van de positie van vrouwen. Een betere maatschappelijke positie van vrouwen zal naar verwachting bijdragen aan het afnemen van de bevolkingsgroei!
Ondanks de prioriteit voor werkgelegenheid weigert de Europese Commissie tot nu toe om serieus de mogelijkheid tot steun aan nieuwe werkgarantieprogramma's te overwegen.
Internationaal staat de EU-hulp niet zo goed bekend. De EU wordt een technocratische aanpak verweten. Uit projectbeschrijvingen is meestal niet duidelijk of en hoe de armste groepen van het project profiteren. Door gebrek aan personeel is er te weinig mogelijkheid projecten goed te begeleiden.

Te verwachten is dat de hulp van de lidstaten in toenemende mate zal worden geco÷rdineerd en dat de rol van de instellingen van de EU (Raad, Commissie en Parlement) daarbij toe zal nemen. Ook de gezamenlijke standpuntbepaling van de EU in organisaties als de Wereldbank en het IMF, zal daardoor waarschijnlijk worden versterkt. Een gevaar van het toenemende 'Unie-gehalte' van de hulp vanuit Europa is, dat vooral gekozen wordt voor de 'grootste gemene deler': het eigenbelang van de EU-lidstaten. De belangen van de armsten in de wereld zullen daarbij veel minder gewicht in de schaal leggen.


Ontwikkelingscontract

De grote zwakte van de overeenkomst tussen de EU en India is haar vrijblijvendheid. Er worden geen afspraken gemaakt met duidelijke wederzijdse verplichtingen. Sinds een aantal jaren pleiten verschillende gerenommeerde personen en organisaties, waaronder Dr. L. Emmerij van het Ontwikkelingscomité van de OESO en Dr. L. Jayawardena van de V.N. Universiteit in Helsinki, voor het sluiten van ontwikkelingscontracten tussen ontwikkelings- en ontwikkelde landen. Nederland is momenteel betrokken bij ontwikkelingscontracten met Costa Rica, Bhutan en Benin. De vereniging Inzet pleit voor een ontwikkelingscontract tussen de EU en Afrika.

In het kader van het lopende project 'India en de Europese Unie', heeft de LIW onlangs een brief aan een aantal Europarlementariërs gestuurd. Daarin pleit de vereniging voor een contract tussen de Europese Unie en India dat bijdraagt aan armoedebestrijding, milieuverbetering en rechtvaardiger economische relaties. Gebaseerd op ideeën die leven bij diverse Indiase en Europese organisaties, vakbonden en wetenschappers krijgen de leden van het Europees Parlement de volgende concrete aanbevelingen voor de inhoud van een dergelijk contract.

1. De handelsafspraken tussen de EU en India zouden moeten worden gekoppeld aan concrete afspraken over de uitvoering van minimum arbeidsnormen. Deze normen zijn vastgelegd in Conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Een grote meerderheid van landen, inclusief India en de EU-lidstaten, hebben deze onderschreven. De meest basale normen - ook wel de 'grondwet' van de ILO genoemd - betreffen het verbod op kinderarbeid en dwangarbeid, vakbondsvrijheid en een verbod op discriminatie van vrouwen in werk of beloning. Een van de zaken die de LIW in dit verband nadrukkelijk aan de orde wil stellen is de kinderarbeid in de Indiase tapijtindustrie. In de Indiase tapijtindustrie werken ca. 300.000 kinderen tussen zes en veertien jaar onder zeer slechte arbeidsomstandigheden of zelfs in slavernij. Zij produceren bijna geheel voor de export en het merendeel daarvan gaat naar de EU-landen.
Het Europees Parlement heeft een resolutie aangenomen waarin het vraagt om een importverbod van door kinderen geproduceerde produkten. De South Asian Coalition on Child Servitude pleit eveneens voor een importverbod van door kinderen gemaakte tapijten. Als alternatief hebben zij, samen met Indiase bedrijven en Duitse organisaties, een keurmerksysteem ontwikkeld voor 'kinderarbeidvrije' tapijten. Deze tapijten komen dit jaar op de Europese markt.
Voor de LIW is een boycot nog niet aan de orde. Wel zal de LIW kinderarbeidvrije tapijten gaan promoten en daarvoor ook de steun vragen van de tapijthandel, consumenten(organisaties), vakbonden en de politiek. NGO's in andere Europese landen gaan hetzelfde doen. In de brief aan de Europarlementariërs pleit de LIW verder voor het financieren van een gezamenlijk actieprogramma van India en de EU om kinderarbeid in de tapijtsector binnen drie jaar uit te bannen, de kinderen te rehabiliteren (onder meer door onderwijs) en de tapijtindustrie om te vormen tot een normale bedrijfstak waarin volwassenen kunnen werken op basis van de gangbare arbeidsvoorwaarden.

2. De EU zou een belangrijke bijdrage moeten leveren aan 'het recht op bestaanszekerheid' via steun aan werkgarantieprogramma's in India. Een dergelijke bijdrage, waarbij werkgarantie wordt gekoppeld aan milieuverbetering en participatie van vrouwen, zou de kern van de Europese ontwikkelingssamenwerking met India moeten worden. Nederland is inmiddels bereid om steun te geven aan nieuwe werkgarantieprogramma's in India. Als de EU en wellicht haar lidstaten afzonderlijk dat voorbeeld volgen dan betekent dat een belangrijke politieke en financiële steun aan de realisering van de rechten van de armen en met name de landarbeid(st)ers in India.

3. De EU en India kunnen gezamenlijk initiatieven nemen om het broeikaseffect terug te dringen. Beiden hebben tijdens de UNCED voorstellen gedaan die verder gaan dan het huidige Klimaatverdrag. Ze zouden een gezamenlijk plan kunnen maken en daarvoor steun zoeken bij de andere ontwikkelde en ontwikkelingslanden. India en de EU kunnen om 'een voorbeeld te stellen' zelf een oontract met de volgende elementen sluiten:
- de EU verplicht zich om de emissies ofwel uitstoot van broeikasgassen te reduceren (bijv. 20% in 2005 t.o.v. 1990)
- de EU draagt technologie aan India over om energie te besparen en daardoor de 'uitstoot' te verminderen
- de EU koopt emissierechten van India in overeenstemming met het 'overgebruik' van de atmosfeer door de EU en het 'ondergebruik' door India. Een alternatief voor dat laatste is het gebruiken van een deel van de momenteel bediscussieerde Europese energieheffing om de uitstoot van broeikasgassen in India en andere ontwikkelingslanden te beperken.
Deze drie voorstellen zijn van de ontwikkelingseconoom Dr. Faber en sluiten nauw aan bij de visie van de gerenommeerde Indiase organisatie Centrum voor Wetenschap en Milieu.

4. Vooruitlopend op het mogelijk opnemen van 'groen preferenties' in het Algemeen Preferentieel Stelsel van de EU, zouden India en de EU afspraken kunnen maken voor proefprojecten op dit gebied om daarvoor de beste vorm te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het stellen van wederzijdse normen voor vervuilingsreductie en het aanbieden van technologie en financiering voor schonere produktiemethoden. Ook kan gekeken worden naar de mogelijkheden om bepaalde produkten, bijvoorbeeld thee en katoen, zonder pesticiden te produceren. Een mogelijkheid is verder de bevordering van, door wetenschappers van de Vrije Universiteit bepleite, milieugerelateerde grondstoffenovereenkomsten, waarbij de minder vervuilende produktieprocessen worden gesteund uit een heffing op meer vervuilende produkten.

De contractuele afspraken tussen India en de EU kunnen vanzelfsprekend ook tussen de EU en andere ontwikkelingslanden of op internationaal niveau gemaakt worden. Vanwege de relatieve gelijkwaardigheid van India en de EU, de combinatie van markteconomie en overheidsinterventie in beide gebieden, hun beider parlementair-democratische traditie alsmede de actieve rol van NGO's in zowel India als de EU, kunnen India en de EU echter een voortrekkersrol vervullen in het werken aan een rechtvaardiger en duurzamer wereld. In de woorden van de Indiase ambassadeur bij de EU: 'India is niet zomaar een ontwikkelingsland, het is een speciaal geval'.

Gerard Oonk




begin document

tijdschrift India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 25 juni 2004