terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: InZet, april 1994      

Ontwikkelingscontracten minder soft

door:
Gerard Oonk

Het lijkt erop dat het enthousiasme voor ontwikkelingscontracten een snelle dood is gestorven. Werd in InZet nr.6 (februari 1993) nog gerept over 'jong en dynamisch', een jaar later worden deze contracten afgeschilderd als een 'doodgeboren kind'. Het is jammer dat de discussie hierover vooral blijft hangen in de vraag of we iets kunnen leren van Benin, Bhutan en Costa Rica en omgekeerd (zie Inzet nr.12). Dit stelt Gerard Oonk, medewerker van de Landelijke India Werkgroep. Er moet volgens hem meer worden uitgegaan van de 'uitruil' van belangen van de betrokken partijen. Een pleidooi voor reële wederkerigheid.

Wellicht is het goed in de herinnering te brengen, dat het begrip ontwikkelingscontract aanvankelijk een heel andere inhoud werd gegeven dan nu met de Nederlandse contracten gebeurt. In InZet nr.6 worden ontwikkelingscontracten als alternatief voor de aanpassingsprogramma's van de Wereldbank gepresenteerd. Volgens de daar uitvoerig geciteerde Lal Jayawardena, directeur van de onderzoeksuniversiteit van de VN, moet op een aantal gebieden worden afgeweken van het traditionele aanpassingspakket. Daarbij hoort onder meer dat ontwikkelingslanden zelf hun prioriteiten stellen en hun produktie stimuleren, terwijl de ontwikkelde landen meerjarige aanvullende financiering garanderen voor zowel het veiligstellen van de importcapaciteit als voor onderwijs, gezondheidszorg en een minimumlevensstandaard voor iedereen. Andere belangrijke elementen zijn het integreren van duurzaamheid in de ontwikkelingsstrategie en het kwijtschelden van schulden om daaraan een bijdrage te leveren. Jayawardena noemt India als voorbeeld van een land dat een aanpassingsprogramma 'op de rand van het haalbare' uitvoert en een contract met de internationale donorgemeenschap zou kunnen afsluiten om deze aanpassing niet ten koste laten gaan van de armen en het milieu.

Hardere belangen
Tussen de ideeën van Jayawardena en de ontwikkelingscontracten met Bhutan, Costa Rica en Benin zit een wereld van verschil; niet alleen qua schaal, maar ook waar het de invulling van wederkerigheid betreft. Dit begrip heeft bij Jayawardena vooral te maken met de bereidheid van de partijen om zich voor een langere periode te verbinden aan afspraken over economisch, sociaal en milieubeleid in ontwikkelingslanden en de financiering daarvan door het Noorden. De verplichtingen van de ontwikkelde landen zijn in de visie van Jayawardena vooral financieel van aard, maar hij spreekt deze landen niet aan op hun overbelasting van het wereldmilieu. De ontwikkelingscontracten met Bhutan, Benin en Costa Rica doen dit wel en dat is op zich een goede zaak.
Waar het Jayawardena ontbreekt aan visie op,de duurzaamheid van de eigen samenleving, lijkt het in de contracten met Costa Rica, Bhutan en Benin te ontbreken aan duidelijke wederzijdse afspraken over de uitvoering en financiering van beleid op langere termijn. Beide benaderingen leggen niet de verbinding tussen ontwikkelingen die met hulp of andere financiële middelen gestimuleerd kunnen worden, en de hardere belangen die samenhangen met handelsverhoudingen, de wereldarbeidsmarkt en het ongelijke gebruik van de milieugebruiksruimte in de wereld.

Iets te bieden
Ik zou vooral willen pleiten voor ontwikkelingscontracten van de Europese Unie (EU) met groepen kleinere landen (bijvoorbeeld in Afrika) of met grote ontwikkelingslanden als India, China en Brazilië. Een begin zou gemaakt kunnen worden met landen of groepen landen die elkaar iets te bieden hebben.
Neem bijvoorbeeld het broeikasprobleem. Europa heeft er belang bij dat het energieverbruik van landen als China en India niet te hard groeit. Dat kan er toe leiden dat de EU bereid is haar eigen energieverbruik te verminderen en te betalen voor haar 'overgebruik' van de atmosfeer. Tenminste, als met dat geld gewerkt wordt aan de vermindering van de groei van het energiegebruik in die landen. De EU kan daarmee bijvoorbeeld de omschakeling van Chinese en Indiase kolengestookte centrales naar minder vervuilende gascentrales en (vooral) duurzame energiebronnen als zon en wind medefinancieren.
Er bestaan andere mogelijkheden om op basis van gezamenlijke of uitwisselbare belangen een (deel)contract af te sluiten. Denk bijvoorbeeld aan het verlagen van de Europese handelsbarrières, gecombineerd met afspraken over gezamenlijke actieprogramma's om kinderarbeid en ongelijke beloning tussen mannen en vrouwen in de exportsectoren terug te dringen. Als niet alle zuidelijke landen daarvoor voelen, kunnen daarover afspraken met specifieke landen gemaakt worden.
Naast deze 'rode preferenties' kunnen op soortgelijke wijze ook 'groene preferenties' voor meer duurzaam geproduceerde produkten worden ingevoerd. De betreffende ontwikkelingslanden krijgen daardoor meer kansen op onze markt, maar niet door sociale of ecologische 'dumping' ten koste van kinderen, vrouwen of het milieu. Het laatste voorbeeld maakt duidelijk dat de inhoud van dergelijke contracten niet alleen afhangt van regeringen en Europese Raad van Ministers, maar ook van de kracht waarmee maatschappelijke organisaties hier èn daar bepaalde belangen - bijvoorbeeld die van kinderen, vrouwen en milieu - weten te behartigen.

India
De Landelijke India Werkgroep (LIW) bepleit een ontwikkelingscontract tussen India en de Europese Unie. Onlangs is weliswaar een nieuwe samenwerkingsovereenkomst afgesloten, maar een ontwikkelingscontract is het niet. Als raam verdrag zou het echter wel gebruikt kunnen worden om toe werken naar een contract. De relatieve gelijkwaardigheid van India en de EU, de combinatie van markteconomie en overheidsinterventie in beide gebieden, hun beider parlementair-democratische traditie alsmede de actieve rol van NGO's in zowel India als de EU, zijn evenzoveel redenen waarom een contract niet alleen wenselijk, maar ook haalbaar zou kunnen zijn.
Maar natuurlijk gaat het vooral om de inhoud van zo'n contract. Gebaseerd op ideeën die leven bij diverse Indiase en Europese organisaties, vakbonden en wetenschappers denkt de LIW daarbij aan het volgende:

  1. De Europese Unie zou een belangrijke bijdrage moeten leveren aan 'het recht op bestaanszekerheid' via steun aan werkgarantieprogramma's in India. Een dergelijke bijdrage, waarbij werkgarantie wordt gekoppeld aan milieuverbetering en participatie van vrouwen, zou de kern van de Europese ontwikkelingssamenwerking met India moeten worden. Nederland is inmiddels bereid om steun te geven aan nieuwe werkgarantieprogramma's in India. Als de EU en lidstaten van de EU dat voorbeeld volgen, dan betekent dat een belangrijke politieke en financile steun aan de realisering van de rechten van de armen, en met name de landarbeid(st)ers, in India.

  2. De handelsafspraken tussen de EU en India zouden moeten worden gekoppeld aan concrete afspraken over de uitvoering van de vijf minimum-arbeidsnormen, die ook wel de 'grondwet' van de VN-arbeidsorganisatie ILO wordt genoemd: het verbod van kinderarbeid en dwangarbeid, vakbondsvrijheid, het recht op collectieve onderhandelingen en een verbod op discriminatie van vrouwen in werk of beloning. Financiële steun daarvoor vanuit de EU kan worden gecombineerd met de verplichting dat over drie jaar diverse produkten een keurmerk moeten hebben dat ze niet door kinderen zijn gemaakt.

  3. De EU en India kunnen gezamenlijk initiatieven nemen om het broeikaseffect terug te dringen. Ze zouden een gezamenlijk plan kunnen maken en daarvoor steun zoeken bij de andere ontwikkelde en ontwikkelingslanden. India en de EU kunnen om 'een voorbeeld te stellen' zelf een contract met de volgende elementen sluiten:

    • de EU verplicht zich om in 2005 twintig procent minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990;

    • de EU 'koopt' emissierechten van India door een prijs te betalen voor elke ton CO2 die zij uitstoot boven het duurzame niveau. Ook, of in plaats daarvan, zou een deel van de Europese energieheffing gebruikt kunnen worden om de uitstoot van broeikasgassen in India en andere ontwikkelingslanden te beperken;

    • de EU draagt technologie aan India over om energie te besparen en daardoor de groei van haar broeikasemissies te beperken;

    • de EU en India spreken af de opnamecapaciteit voor broeikasgassen niet aan te tasten of ze juist uit te breiden, door bos behoud en nieuwe aanplant van bos.

  4. Vooruitlopend op het mogelijk opnemen van 'groene preferenties' in het Algemeen Preferentieel Stelsel van de EU, zouden India en de EU afspraken kunnen maken voor proefprojecten op dit gebied om daarvoor de beste vorm te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het stellen van wederzijdse normen voor vervuilingsreductie, en het aanbieden van technologie en financiering voor schonere produktiemethoden. Ook kan gekeken worden naar de mogelijkheden om bepaalde produkten, bijvoorbeeld thee in India en bloembollen in Nederland, met minder of zonder pesticiden te produceren.

Model
'We willen dat het een model voor de Noord-Zuidrelaties wordt' zei een Indiase diplomaat tijdens de onderhandelingen over de nieuwe samenwerkingsovereenkomst tussen India en de Europese Upie. Dat lijkt een mooie voorzet voor een ontwikkelingscontract van de EU met India, waarbij afspraken zoals hierboven geschetst als prikkel kunnen werken om de daarin aangepakte problemen ook in breder verband te lijf te gaan. Ontwikkelingscontracten moeten een concreet instrument zijn om te werken aan een rechtvaardiger en duurzamer wereld.




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 23 juni 2003