terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: onzeWereld, april 1994      

Keurmerk 'kindvriendelijk' tapijt in de maak

door:
Udo Sprang

De consument krijgt op zijn vroegst voor het einde van dit jaar zekerheid of hij een Indiaas tapijt koopt dat is gemaakt zonder kinderhanden. Tegen die tijd zullen Indiase fabrikanten tapijten met een keurmerk op de markt brengen. In het Europese parlement wordt tevens een Europees importverbod bepleit voor Indiase tapijten die niet zo'n garantie hebben.

Novib en de Landelijke India Werkgroep (LIW) zijn de organisaties die werken aan de introductie van het keurmerk. Zij proberen de Nederlandse importeurs en detaillisten van oosterse tapijten zover te krijgen dat ze 'kindvriendelijke' tapijten gaan afnemen. Het tapijtkeurmerk is een initiatief van de Zuidaziatische Coalitie tegen Kinderslavernij (SACCS), een Indiase partner van Novib. Deze organisatie bestrijdt de kinderuitbuiting in de Indiase tapijtindustrie, waar ongeveer driehonderdduizend kinderen tussen zes en veertien jaar oud onder zeer slechte omstandigheden werken als tapijtwevers en -knopers. Na ruim een jaar onderhandelen bereikte SACCS vorig jaar overeenstemming met Indiase tapijtfabrikanten en de Indiase overheid over de instelling van een keurmerk onder de naam 'Rugmark'.
Uitwerking van de principe-afspraken neemt nog enige tijd in beslag. Het belangrijkste uitgangspunt bij het 'Rugmark' is de verplichting bij de fabricage van tapijten geen kinderarbeid te gebruiken. Daarnaast verplichten de fabrikanten zich om hun volwassen arbeiders het minimumloon te betalen. Deelname van grote Indiase tapijtexporteurs als Hills en Obeetee garandeen dat het keurmerk een aanzienlijk deel van de exportmarkt bestrijkt.
De opvallend grote bereidheid van de Indiase tapijtfabrikanten om mee te werken aan het keurmerk wordt ingegeven door de toenemende kritiek in het Westen op de kinderuitbuiting in de tapijtindustrie. De tapijtfabrikanten vrezen daardoor afzetverlies. Vooral de dreiging van een boycot van hun produkten door de Verenigde Staten is reëel. Momenteel inventariseren Amerikaanse ambassades over de hele wereld welke produkten met kinderarbeid worden gemaakt. Midden 1994 volgt een besluit over Amerikaanse handelsmaatregelen tegen dergelijke produkten.
De fabrikanten vrezen evenzeer een Europese boycot. Vooral de aanhoudende protesten van consumenten in Duitsland, een belangrijke afnemer van Indiase tapijten, tegen de kinderuitbuiting baren hen zorgen. Deze ongerustheid werd nog aangewakkerd doordat in het Europees Parlement regelmatig pleidooien te horen zijn voor handelsmaatregelen tegen produkten die met kinderhanden gemaakt zijn. Begin februari 1994 nam het parlement in Brussel nog twee resoluties aan met deze strekking, waarbij expliciet verwezen werd naar de praktijken in de Indiase tapijtindustrie.
De kans op een Europees invoerverbod wordt in India waarschijnlijk overschat. Europarlementariër Maartje van Putten (PvdA) verwacht wel dat het parlement over enige maanden zal instemmen met een keurmerk voor 'kinderloos' geproduceerde tapijten en een importverbod voor tapijten zonder dit keurmerk. Minder optimistisch is ze echter over de kans dat de Europese Commissie deze uitspraak zal overnemen. De discussie rond tropisch hardhout wijst volgens haar uit, dat de Commissie wel een keurmerk zal ondersteunen, maar geen importverbod.
Over de aanpak van de alom veroordeelde kinderarbeid bestaat inmiddels een heftige discussie. FNV en InZet zijn tegenstanders van een verbod op kinderarbeid als onderdeel van handelsverdragen. Aangezien armoede de belangrijkste oorzaak van kinderarbeid in ontwikkelingslanden is, denken ze dat een dergelijk verbod geen oplossing biedt. De huishoudens hebben de inkomens van de kinderen nodig, redeneren ze, en het land heeft geen middelen om alternatieven te scheppen. Een importverbod zou in deze omstandigheden neerkomen op 'protectionisme met een menselijk gezicht'.
Novib en LIW erkennen dit gevaar, maar vinden dat er in het geval van de Indiase tapijtindustrie een harde aanpak op z'n plaats is. LIW-medewerker Gerard Oonk: 'In een exportindustrie als deze moet het mogelijk zijn volwassenen aan te stellen die het minimumloon ontvangen. Bij andere industrieën is dat moeilijker.' Belangrijk is volgens hem dat de tapijtindustrie in India te boek staat als zeer gevaarlijk. 'Kinderen zitten in benauwde hokken. Er komt veel stof vrij, waardoor ze last krijgen van longen en ogen. Ze zitten op plankjes op de grond en maken heel lange werkdagen. Daardoor groeien ze krom. Hun gezondheid lijdt onder de chemicaliën die in wol zitten. Velen krijgen tbc.'
Ook Novib-medewerker Jan Klugkist benadrukt dat het niet gaat om afschaffing van àlle kinderarbeid. 'Het gaat om de uitwassen, zoals in de Indiase tapijtindustrie. De kinderen komen op hun zestiende als wrakken uit de produktiehallen.' Het argument dat hun arbeid broodnodig is voor het familie-inkomen gaat volgens Klugkist niet op. 'Kinderen stoten in wezen gezinnen het brood uit de mond. Als je die tapijten gewoon door ouderen laat maken, kunnen zij het gezin onderhouden. Kinderen krijgen dan de kans om naar school te gaan.'
Het warenhuis Bijenkorf staat sympathiek tegenover het 'Rugmark'. 'Als er werkelijk een keurmerk komt dat garandeert dat er geen kinderen aan werken, dan zullen we daar absoluut blij mee zijn,' zegt een woordvoerster.



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 26 juni 2003