terug
Fragment uit het verslag van de FNV-conferentie      
"Een baan om de aarde, naar een rechtvaardige wereld-arbeidsmarkt",      
10 februari 1995
, De Rode Hoed, Amsterdam
      

Een baan om de aarde, naar een rechtvaardige wereld-arbeidsmarkt

Wel of geen boycot?

Is een boycot van door kinderen gemaakte produkten nou wel of niet in het belang van werkende kinderen? Over die vraag trad Ben White van het Institute of Social Studies in het krijt tegen Lodewijk de Waal, de federatiebestuurder van de FNV die ook ontwikkelingssamenwerking in zijn portefeuille heeft.

Niet mee eens, zo zegt een bescheiden meerderheid van de zaal tegen de stelling: 'Een boycot van door kinderen gemaakte produkten is niet in het belang van werkende kinderen.' Sommigen reageren met boe-geroep als Ben Whites getuige-deskundige erop wijst dat veel kinderen in ontwikkelingslanden ook zelf heel goed kunnen beoordelen wat goed voor ze is. Het belangrijkste effect van een boycot is dat kinderen verdreven worden uit sectoren die produceren voor de wereldmarkt, aldus White en zijn getuige. En juist in die sectoren zijn de arbeidsomstandigheden nu vaak beter.

Schandpaal
Lodewijk de Waal op zijn beurt nuanceert de effecten van een boycot: het kan nooit hèt middel zijn, maar helpt wel om de publieke opinie te mobiliseren en druk uit te oefenen op bedrijven die nu van kinderarbeid profiteren. De Waal: 'Waarom praat C&A eigenlijk met ons over kinderarbeid? Omdat ze bang zijn voor publieke acties. Omdat wij tegen hen gezegd hebben: als jullie niet ophouden met kinderen te misbruiken om jullie produkten goedkoop te houden, dan nagelen we jullie aan de schandpaal. Alleen al het dreigen met een boycot is dus een effectief middel. Het gaat ons er dan niet om om de kinderen uit het werk te halen en ons verder niet meer om ze te bekommeren. Het gaat ons erom via een aanpak van armoede kinderarbeid tegen te gaan, de ouders aan het werk te krijgen en de kinderen naar school.'
Lodewijk de Waal haalt er zijn getuige-deskundige bij: Gerard Oonk van de Landelijke India Werkgroep. Die werkgroep heeft de laatste jaren veel contacten opgebouwd met organisaties in India die zich inzetten tegen kinderarbeid, vooral tegen kinderuitbuiting. Oonk onderscheidt twee soorten boycot: de consumentenboycot, waarbij je het publiek oproept om bepaalde produkten niet meer te kopen, en de politieke boycot, waarbij Nederland of de Europese Unie de invoer van bepaalde produkten stopt of bemoeilijkt door handelsbarrières, zoals hogere tarieven. Volgens Oonk is de consumentenboycot van groot belang om de politieke opinie in beweging te brengen en gerichte druk uit te oefenen op bedrijven of bedrijfstakken. Zeker in het geval van kinderslavernij en daaraan grenzende situaties is het wenselijk dat een importstop mogelijk is als andere maatregelen gefaald hebben. Oonk: 'De campagne tegen kinderarbeid in de tapijtindustrie is een goed voorbeeld. Ongeveer tien procent van de fabrikanten is bereid mee te werken aan het keurmerk voor tapijten zonder kinderarbeid - overigens met de extra bepaling dat de volwassenen die voor hen in de plaats komen tenminste het minimumloon moeten krijgen. Tegelijkertijd verplichten ze zich om geld te storten in een rehabilitatiefonds waarmee scholing voor werkende kinderen wordt betaald. Deze consumentenactie met een element van boycot erin is dus pure winst voor werkende tapijtkinderen.'

Dit keurmerk voor tien procent van de tapijtmarkt lost het totale probleem van slavernij en uitbuiting niet op. Daarom wil Oonk dat in de toekomst een nieuw element aan de actie wordt toegevoegd. Bijvoorbeeld een bepaling dat op termijn alle tapijtfabrikanten zonder kinderen beneden een bepaalde leeftijd gaan werken.

Niet wenselijk
Ben White is niet tegen het middel boycot op zich, maar vindt dat de voorgestelde campagnes ook een gevaar voor werkende kinderen vormen. 'Bijna iedereen die zich uitspreekt voor een boycot heeft het over produkten die door een kinderhand zijn aangeraakt. Dat geldt voor senator Harkin in de Verenigde Staten, voor Duitsland, voor het IVVV. Produkten zijn pas in orde als ze vrij zijn van kinderarbeid. En niet: als er geen slavenarbeid van kinderen aan te pas is gekomen, als er geen kinderen aan gewerkt hebben die werkdagen maken van achttien tot twintig uur. De eis is: wij willen alleen een tapijt als het niet door een kind is aangeraakt. In de formele definitie een kind beneden de vijftien jaar. Zelfs al zou dit mogelijk zijn, ik denk niet dat het wenselijk is.'
White wijst erop dat ook respectabele organisaties op dit terrein het middel van een boycot afwijZen, zoals de ILO, het Save the Children Fund en haar regionaal bureau in Zuid-Azië en Anti-Slavery International, de oudste organisatie op dit gebied die al honderdvijftig jaar campagne voert tegen alle vormen van Onvrije arbeid, inclusief de uitbuiting van kinderen.
White: 'Wat willen boycotacties bewerkstelligen? Dat meisjes en jongens in de industrie worden vervangen door vrouwen en mannen met dezelfde slechte arbeidsomstandigheden? En tegen een kinderloon? Dat zou kunnen gebeuren. In Bangladesh hebben kort geleden sommige ondernemers in de produktie van textiel voor de export hun werkende kinderen ontslagen. De ILO heeft onderzocht wat met die kinderen is gebeurd. Van de honderden kinderen die ze hebben onderzocht is er geen een terug naar school gegaan. De meesten zijn verhuisd naar de informele sector met meer gevaarlijke en minder geregelde omstandigheden tegen ongeveer de helft van hun loon in de fabriek. Het is misschien voor ons een vervelend feit, maar werken in de exportindustrie in Bangladesh of elders in de wereld is niet noodzakelijk het ergste wat een kind kan overkomen. Noch is naar school gaan per se het beste wat een kind kan overkomen. Ik had een paar jaar. geleden een vergelijkbare discussie in Amsterdam met een Pakistaanse collega van een instituut voor arbeidsonderzoek. Hem werd ook dezelfde vraag gesteld: wil je niet dat kinderen naar school gaan. 'Naar school?' zei hij. 'Ik zou niet eens mijn hond naar school sturen in Pakistan.'
White vindt dat je moet zoeken naar andere, meer doeltreffende middelen om de leefomstandigheden van werkende kinderen te verbeteren. Manieren die bovendien acceptabeler zijn voor de kinderen zelf en waar ze samen met hun ouders en hun plaatselijke gemeenschappen campagne voor kunnen voeren, met steun van organisaties van buiten zoals FNV, Novib, enzovoort.

Staken
Aan het applaus te horen blijft de zaal echter lichtelijk op de hand van Lodewijk de Waal, die zegt dat het onderscheid tussen aanvaardbare en onaanvaardbare vormen van kinderarbeid maar moeilijk te maken is. De Waal: 'Ik denk dat kinderarbeid eigenlijk altijd de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van kinderen schaadt, met in een aantal bedrijfstakken zeer extreme voorbeelden. Juist in die bedrijfstakken is een boycot in sommige situaties een effectief uiterste middel.' De FNV streeft naar een geleidelijke uitbanning van kinderarbeid, volgens een norm die in de wereld al een kleine honderd jaar aanvaard wordt. En ze zet het middel boycot niet in om er zelf een goed gevoel aan over te houden. De Waal: 'Ook ik ben tegen een boycot als die er is om het geweten van ons te ontlasten of als hij gebruikt wordt als protectionisme. Een boycot moet je inzetten in extreme omstandigheden, als andere partijen zich niet willen houden aan de norm die al meer dan honderd jaar door de internationale gemeenschap wordt aanvaard, dat kinderen niet moeten werken maar leren en spelen.

[....]



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 2 juli 2003