terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Utrechts Nieuwsblad, 29-4-1995      

Iqbal Masih wilde de Abraham Lincoln van Pakistan worden

Wie bevrijdt de kind-slaven?

door:
Maurice Wilbrink

De moord op de 12-jarige Pakistaanse activist Iqbal Masih heeft de wereld opnieuw gewezen op de gruwelijke praktijk van kinderslavernij. Hele bedrijfstakken in de Derde Wereld drijven op de inzet van kinderen en deze misstand neemt steeds grotere vormen aan. Westerse handelaren hebben de verantwoordelijkheid hiervoor jaren van zich afgeschoven; consumenten zijn niet in staat te beoordelen of een produkt met kinderhandjes is gemaakt; overheden in de Derde Wereld zijn bang voor de concurrentiepositie van hun land. Van wie kunnen de kleine dwangarbeidertjes nog steun verwachten?


In december 1994 bezocht Iqbal Masih de Amerikaanse stad Boston; daar werd deze foto van hem gemaakt. De 12-jarige actievoerder tegen kinderslavernij werd vorige week vermoord in zijn woonplaats Muritke in Pakistan.
Iqbal Masih, een 12-jarig Pakistaans jongetje, was niet de eerste die zijn strijd tegen kinderslavernij met de dood moest bekopen. Eerder al stierven activisten in India en Pakistan in hun strijd tegen de uitbuiting van kinderen. Maar met de moord op Iqbal, vorige week zondag, werden vele miljoenen kinderen in Derde-Wereldlanden èn daarbuiten beroofd van een symbool.
Iqbal belichaamde de hoop op bevrijding van kindslaven. Mensen die hem hadden gekend, vertelden vorige week allen hoe vitaal hij was, hoeveel kracht hij uitstraalde. Iqbal Masih was een kind dat angsten had overwonnen en ontzettend veel zin in het leven had gekregen. Hij was vier toen hij aan een weefgetouw werd vastgebonden en werd gedwongen twaalf uur per dag te werken in een schuur waar tapijten werden geproduceerd. En toen hij na zes jaar dwangarbeid werd opgezocht door een Pakistaanse organisatie tegen dwangarbeid, trof men een klein, angstig jongetje. "Uitgemergeld en zwaar ademend", herinnert Ehsan Ullah Kahn zich. Iqbal kroop in een hoekje, "alsof hij wilde verdwijnen. Maar ik voelde dat hij iets bijzonders had, een sterke wil".
Iqbal bevrijdde zichzelf en ging naar school. Niet naar de meest dichtstbijzijnde school, vertelde hij later, want zijn voormalige baas had daar gewaarschuwd hem niet toe te laten. Twee jaar later sloot hij zich aan bij de campagne tegen kinderarbeid. Zijn bevrijding en de twee jaren op school hadden een ander mens van hem gemaakt. Iqbal ging de strijd aan met tapijtfabrikanten die gebruik maakten van kinderarbeid, en hij bevrijdde duizenden kinderen. Hij was niet langer bang voor zijn oude baas. "Die is nu bang voor mij", zei Iqbal eind vorig jaar.
In november 1994 maakte hij een zegetocht naar Zweden en de Verenigde Staten, waar hij een mensenrechtenprijs kreeg van sportschoenenfabrikant Reebok en een studiebeurs van de Amerikaanse Brandeis-universiteit. Iqbal maakte indruk op iedereen die naar hem luisterde. Hij inspireerde leerlingen van de Quincy's Broad Meadows middelbare school in de Amerikaanse staat Massachusetts tot een grote brieven campagne, gericht op Amerikaanse en Pakistaanse politici.
Na zijn optreden in klassen en de kantine van deze school kwam er een spontane inzameling op gang en zijn Amerikaanse leeftijdgenoten herinneren zich nu nog hoe Iqbal moest lachen en vertelde dat hij de Abraham Lincoln van Pakistan wilde zijn. President Lincoln bevrijdde de zwarte Amerikanen 130 jaar geleden van de slavernij, maar zou later vanwege zijn verzoeningscampagne worden vermoord.
Iqbals verhaal over zijn dwangarbeid, over de mishandelingen die hij onderging en de gezondheidsproblemen die hij ervan over had gehouden, is het verhaal van tientallen miljoenen kinderen in de Derde Wereld. Waar de armoede het grootst is, worden de meeste kinderen gedwongen te werken, soms al op vierjarige leeftijd: in landen als Brazilië, Marokko, Egypte, Pakistan, India, China en Indonesië. Alleen al in India zouden naar schatting vijftig miljoen kinderen werken - ongeveer net zoveel als er in heel Europa wonen.
De moord op Iqbal is in feite niet eens zo uitzonderlijk. Criminelen - mensenmakelaars - in de Derde Wereld deinzen nergens voor terug bij het beschermen van hun markt. Kinderen zijn de goedkoopste en meest willoze arbeiders in de moordende, wereldwijde competitie om de laagste prijzen. En de verdenking is levensgroot dat Iqbal Masih is vermoord door de tapijtmafia die in Pakistan zo'n half miljoen kinderen te werk stelt.
De tapijtindustrie levert de meest schrijnende gevallen van kinderarbeid op, zo stellen actiegroepen. In de Pakistaanse en Indiase tapijtregio's worden kinderen van soms vijf jaar bij hun ouders weggehaald en honderden kilometers van hun ouderlijk huis als slaaf ingezet: Iqbal Masih vertelde hoe zijn vingers in hete olie werden gedoopt als hij ze tijdens het weven sneed. Andere getuigenissen gaan over het behandelen van wonden met pure zwavel, over slaag en kinderen die ondersteboven in bomen worden opgehangen om andere kindslaven te intimideren.

De verkoper van Jansen Perzische tapijten In Utrecht reageert als gebeten wanneer hem wordt gevraagd over de relatie tussen kinderarbeid en zijn produkt. Hij vindt dat er sprake is van een hetze tegen de tapijtsector. "Eerst moest de bontsector eraan geloven, en nu zijn wij aan de beurt. Ik verkoop al dertig jaar tapijten en 28 jaar krijg ik geen enkele vraag van mensen over kinderarbeid. Het wordt enorm opgeblazen allemaal". Waarna hij in de tegenaanval gaat: "Die spijkerbroek van u, daar is waarschijnlijk ook kinderarbeid aan te pas gekomen. Realiseert u zich dat?" Gerard Oonk, lid van de Landelijke India Werkgroep, is verrast door de felheid van de verkoper. Volgens Oonk heeft juist deze zaak een goede naam op te houden als het gaat om kinderarbeid. De eigenaar, F. Jansen, is een van de weinige Nederlandse tapijtimporteurs die al concrete stappen heeft gezet in de strijd tegen kinderslavernij.
Jansen heeft zich aangesloten bij Care & Fair, een initiatief waar (vooral Duitse) importeurs en winkels bij zijn aangesloten. De deelnemers storten één procent van de waarde van de geïmporteerde tapijten in een fonds, waarmee initiatieven worden gestart om kinderen op te vangen en te scholen, die anders hele werkdagen zouden moeten maken. Care & Fair wil de dwangarbeid door kinderen tegengaan. Als kinderen na school toch een paar uur werken, verzet de organisatie zich daar niet tegen.
Tapijtimporteur Jansen: "Je moet de kinderen een alternatief bieden. Ze worden door ons doorbetaald tijdens hun schooluren, zodat ze niet uit armoede gedwongen worden weer de hele dag tapijten te knopen". Jansen is de enige Nederlandse importeur die zich bij Care & Fair heeft aangesloten. Hij vindt dat hij zo structureel kan bijdragen aan de oplossing van het probleem. "Jaren geleden heb ik me inderdaad afgevraagd of ik wel door kon gaan met de handel. Ik heb er echt over nagedacht. Maar ik ben van mening dat je daar alleen dingen kunt veranderen, als je er zelf voor werk zorgt".
Zou hij niet wat meer enthousiasme in de tapijtbranche willen zien voor de strijd tegen kinderslavernij? Jansen aarzelt, hij wil zijn branchegenoten niet afvallen. Maar dan geeft hij toch toe dat de steun hem inderdaad "niet meevalt".
Gerard Oonk van de India Werkgroep bevestigt dat. Hij legde contact met de 35 importeurs van tapijten die in Nederland actief zijn; in een poging ze warm te maken voor de invoering van een speciaal keurmerk op handgeknoopte tapijten die gegarandeerd zonder kinderarbeid zijn geproduceerd. Het initiatief werd met vrij veel scepsis ontvangen. Eén importeur, Janssens Orient Carpets Holland (niet te verwarren met de eerder genoemde F. Jansen uit Utrecht), ontkende aanvankelijk zelfs het bestaan van kinderarbeid.
Oonk: "De handel heeft heel lang de verantwoordelijkheid voor wantoestanden van zich afgeschoven. Ze stelde zich op het standpunt dat de landen waar kinderarbeid bestaat zelf het probleem maar moesten aanpakken". Dat standpunt is tegenwoordig niet meer vol te houden. Beducht voor een slecht imago moeten handelaren, grootwinkelbedrijven en detailzaken op zoek naar oplossingen die de consument gerust stellen en de winsten niet aantasten.

Bij discounter Kwantum liggen tapijten met een Engelstalige sticker waarop de verzekering wordt gegeven dat het handgeknoopte produkt in India zonder kinderarbeid tot stand is gekomen. Maar hoe betrouwbaar is dit? Een verkoper weet te melden dat handgeknoopte tapijten zonder sticker nog uit oudere partijen komen, toen er nog geen stickers werden gebruikt.
Het keurmerksysteem, dat door onder meer de India Werkgroep en Novib wordt gepropageerd, is in Nederland echter nog door geen enkel bedrijf ingevoerd, ook al laat een woordvoerster van V&D weten dat het bedrijf nu bereid is ermee te beginnen, Veel handelaren denken echter dat dit systeem, waartoe het initiatief werd genomen door de Zuidaziatische Coalitie tegen Kinderslavernij (SACCS) in India, niet waterdicht is.
De Bijenkorf, op zich een van de grootste voorstanders van een keurmerk, heeft twijfels over de controleerbaarheid. K. van Tuijn, woordvoerster voor De Bijenkorf: "Onze inkoper bezoekt twee keer per jaar de fabrieken waar we tapijten betrekken. Hij kan zelf constateren of er kinderen worden ingezet. Maar hij kan niet vaststellen of die fabrieken hun produktie weer uitbesteden in het thuiswerkcircuit, waar ook kinderen kunnen werken. We vragen ons af of die controle binnen het keurmerksysteem goed genoeg zal zijn".
Van Tuijn wordt daarin bijgevallen door importeur Jansen, lid van Care & Fair. Jansen heeft geen vertrouwen in de controleurs die in India de fabrieken moeten bezoeken die het keurmerk mogen voeren. "India is een zeer corrupt land. Het is heel moeilijk goede, onafhankelijke controleurs aan te stellen die niet omkoopbaar zijn".
De Bijenkorf ziet meer bezwaren. Het warenhuis wil dat alle soorten tapijten een keurmerk kunnen krijgen, en niet alleen de handgeknoopte. Om verwarring te voorkomen, zegt Van Tuijn: "Handgeweven tapijten worden niet door kinderen gemaakt, want daarvoor is kinderarbeid niet geschikt. Maar een klant die op zo'n tapijt geen keurmerk ziet, zou kunnen denken dat er wèl kinderarbeid aan te pas kwam". Bovendien wil De Bijenkorf dat niet via het nummer op het keurmerk is te herleiden in welke fabriek het tapijt is gemaakt. Van Tuijn: "Dat is een commerciële overweging. Wij willen niet dat de concurrent te weten komt waar wij onze tapijten inkopen".
Opmerkelijk is dat in de tapijtbranche zelf ook nog steeds allerlei misverstanden bestaan over het verschijnsel kinderarbeid. Een rondgang langs enkele tapijtzaken en tapijtafdelingen leert dat verkopers kinderarbeid nog steeds proberen te verklaren door erop te wijzen dat ze met hun kleine vingertjes goed het fijne werk kunnen doen.
Onzin, legt Gerard Oonk uit: "Juist de moeilijke, kostbare, fijngeknoopte tapijten laten ze niet door kinderen doen. Want een fout is snel gemaakt en dan daalt de waarde van zo'n produkt sterk".
Een veelgehoorde opmerking is ook dat kinderarbeid eigenlijk een beetje hoort bij 'de cultuur van die landen' en dat kinderen zo tenminste geld verdienen voor hun familie. Daarbij wordt totaal voorbijgegaan aan de dwang waaraan deze kinderen bloot staan. Ook is men stellig in de bewering dat het afschaffen van kinderarbeid de tapijten flink duurder maakt. Importeur F. Jansen gelooft daar niets van. "Het is geen financiële kwestie. Als de dwangarbeid wordt afgeschaft dan kost dat tapijt nog steeds vrijwel hetzelfde. De lonen van die mensen vormen maar een klein deel van de kosten".
Toch spelen financiële motieven wel degelijk een rol bij het zetten van nieuwe stappen in het gevecht tegen dwangarbeid door kinderen. Jansen zou de afdracht aan het fonds van Care & Fair willen verdubbelen naar twee procent van de importwaarde van een tapijt. "Maar dan moeten wel alle Europese importeurs meedoen. Want anders verslechteren wij onze positie ten opzichte van degenen die niets afdragen. De marges waarmee wij werken zijn niet zo ruim als men veronderstelt". Gerard Oonk wijst erop dat Westerse handelsblokken zoals de Europese Unie en de Amerikaanse vrijhandelszone met hun importtarieven een heel geschikt instrument hebben om tegen kinderarbeid op te treden. "Sectoren waarvan is vastgesteld dat er geen kinderarbeid voorkomt zouden beloond moeten worden met een lager importtarief. Dat zou gunstig uitwerken op de prijs van de produkten die hier in de winkel liggen".

De consument moet het voorlopig doen met verklaringen van bedrijven dat ze kinderarbeid principieel afwijzen. Van Tuijn (De Bijenkorf): "Onderdeel van de onderhandelingen met de Indiase exporteur en de tapijtfabrieken is dat er geen kinderarbeid bij de produktie mag voorkomen. Gebeurt dat toch, dan gaan we erachter aan. Bij herhaling verbreken we de relatie. Dat is tot nu toe één keer gebeurd, waarbij het overigens niet een geval in de tapijtsector betrof'.
In landen waar veel kinderarbeid voorkomt, wordt de druk die westerse organisaties uitoefenen intussen wel degelijk gevoeld en ontstaat er langzaam meer bereidheid mee te doen aan een keurmerk. Zelfs in Pakistan, waar de situatie in de tapijtregio voor kinderen zeer slecht is, tonen exporteurs nu interesse voor een keurmerk. Eerder al begonnen Indiase tapijtfabrikanten de invoering van een keurmerk te steunen, bevreesd als ze zijn dat kinderdwangarbeid uiteindelijk teveel kritiek zal losmaken en hun markt zal aantasten. Oonk vindt het belangrijk dat overheden van Derde-Wereldlanden dit streven actief gaan ondersteunen, in plaats van de ogen te sluiten uit angst dat een verbod op kinderslavernij hun concurrentiepositie zou aantasten. "De Indiase premier Rao heeft op Onafhankelijkheidsdag voor het eerst het thema kinderarbeid aangesneden. Hij wil dat het voor het jaar 2000 is uitgebannen. Volgens de Indiase wet mag kinderarbeid in feite niet, maar goed, het is nu toch uitgesproken".
Voor Rao ligt er dan een kolossale uitdaging, als hij meent wat hij zegt. Want de kinderslavernij is de laatste jaren in India alleen maar gegroeid, in de tapijtindustrie en elders. Dat is ook de reden dat de Zuidaziatische Coalitie tegen Kinderslavernij nu steun van het rijke Westen heeft gevraagd, omdat er meer kinderen in dwangarbeid terecht kwamen, dan de actiegroep kon bevrijden.
Tegelijkertijd wordt de koopkrachtige middenklasse in India bewerkt. Een Indiase krant somde vorig jaar liefst twintig produkten op die in een gangbaar middle class huishouden worden gebruikt. Ze waren alle door kinderhanden gemaakt onder verbijsterend slechte omstandigheden. Een deel daarvan wordt ook naar Nederland geëxporteerd en belandt in onze huishoudens: thee, glaswerk, edelstenen, koperwerk, leren portemonees, tapijten, kleding en aardewerk.



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 2 juli 2003