terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Trouw, 24-6-1995      

Zinvolle strijd tegen kinderarbeid

door:
Astrid Kaag en
Gerard Oonk

'Armoede is de oorzaak van kinderarbeid, het zal nog lang duren voor dat probleem is opgelost en het Westen moet dus niet zo drammen over het uitbannen van kinderarbeid. Een keurmerk voor tapijten zonder kinderarbeid is niet geloofwaardig en slechts eigenbelang van westerse bedrijven.' Dat is de teneur van het artikel "Alleen de Derde Wereld kan een eind maken aan kinderarbeid" (Trouw 17 juni 1995). De auteur, Kees Broere, lijkt zich daarbij te baseren op de opinies van een doorsnee van activisten tegen kinderarbeid in India. Deze schijn bedriegt echter. Het beeld dat hij schetst is eenzijdig en deels onjuist.

Het oplossen van het probleem van kinderarbeid in India is natuurlijk een gigantisch karwei. We hebben het over 55 tot 100 miljoen werkende kinderen, in een land waarin (naast rijkdom) grote armoede heerst en 60 procent van de kinderen tussen de 6 en 14 niet naar school gaat.
Natuurlijk zijn verplicht lager onderwijs en banengarantieprogramma's voor volwassenen de belangrijkste middelen om het probleem aan te pakken. Dat dit niet gebeurt heeft niet zozeer met armoede, maar veel meer met politieke onwil te maken, gebaseerd op zeer ongelijke machtsverhoudingen.
In Kerala, een van de armste deelstaten van India, blijkt dat het anders kan. Daar gaan de meeste kinderen naar school en werkt slechts circa 3 procent. Sri lanka besteedt in verhouding zes keer zoveel geld aan onderwijs als India en kent veel minder kinderarbeid.
Dat kinderarbeid ook in arme gezinnen meestal niet nodig is, is aangetoond in een arme plattelandsregio van de deelstaat Andhra Pradesh. Daar slaagt de MV Foundation, gesteund door Unicef en het Nederlandse Hivos, erin ook de armste kinderen naar school te krijgen. De ouders worden gemotiveerd door hen nauw bij het onderwijs te betrekken. Zij brengen zonodig het geld voor een voorlopige school bij elkaar. De overheid moet de school binnen drie jaar overnemen. Nu de kinderen niet meer werken is de werkgelegenheid toegenomen. Hun loon is gestegen omdat er minder concurrentie is van 'goedkope kinderen'.
Kortom, kinderen en volwassenen zouden veel beter af zijn als de ruim 50 miljoen werklozen boven de veertien jaar het werk zouden doen dat nu wordt verricht door ongeveer evenveel kinderen.
Het gaat daarbij om kinderen die lange dagen maken onder zeer slechte omstandigheden en die nauwelijks een toekomstperspectief hebben. Dat kinderen na school thuis meewerken is een andere zaak. Maar kinderen die ongeletterd blijven en voor hun twintigste zijn afgebeuld, komen niet uit de armoedespiraal. Vandaar de uitspraak van de Zuidaziatische Coalitie tegen Kinderarbeid (SACCS) dat kinderarbeid meer een oorzaak dan het gevolg van armoede is.

Het bovenstaande is overigens ook de mening van de door Kees Broere genoemde organisatie CCCL, alsmede de door hem niet genoemde SACCS, zoals ons in gesprekken met hun vertegenwoordigers is gebleken. Deze laatste organisatie heeft de discussie in India over kinderarbeid het meest onder de aandacht gebracht door voettochten door heel India, druk op politici, vakbonden en religieuze leiders, bevrijding van kinderslaven en opvang van deze kinderen. Daarnaast heeft SACCS de hoofdrol gespeeld bij het mobiliseren van de westerse publieke opinie.
De gewekte indruk dat alle anti-kinderarbeidorganisaties in India tegen westerse betrokkenheid zijn is onjuist. Zowel SACCS als CCCL maken er geen geheim van dat zij voor een sociale paragraaf in de nieuwe wereldhandelsovereenkomst zijn, die onder meer kan leiden tot handelsmaatregelen tegen landen die kinderarbeid inzetten bij de exportproduktie. Wel vragen zij daarbij aan de westerse landen om hun beleid op dit punt te ondersteunen met positieve maatregelen, zoals hulp voor het onderwijs en tariefsverlagingen voor produkten zonder kinderarbeid.
Het is nogal vreemd dat diverse mensen in het artikel hun bedenkingen uiten tegen het keurmerk voor tapijten zonder kinderarbeid, terwijl de Indiase initiatiefnemers daarvan niet aan het woord komen.
Wat wordt aangeduid als een Duits-Indiaas initiatief, dat door 200 organisaties 'zou worden gesteund', bestaat uit SACCS, Unicef India, vertegenwoordigers van de Indiase tapijtindustrie die zonder kinderarbeid werken en het semi-gouvernementele Indo-German Export Promotion Project (IGEP). Het keurmerk is een initiatief van SACCS als onderdeel van hun jarenlange werk om kinderen in de tapijtindustrie te bevrijden.
Nadat SACCS was gebleken dat de regering zich nauwelijks inspande om de wet uit te voeren die kinderarbeid in de tapijt- en andere gevaarlijke industrieën verbiedt en steeds meer nieuwe kinderen door de tapijtindustrie werden gerecruteerd, heeft zij de hulp van de westerse publieke opinie en regeringen ingeroepen.
Niet toevallig werd de tapijtindustrie gekozen. De tapijten worden bijna geheel voor de export gemaakt. In deze industrie werken volgens het meest recente en betrouwbare onderzoek (gepubliceerd door de ILO) ruim 400 000 kinderen in afschuwelijke omstandigheden. 'Bijzonder' aan deze bedrijfstak is, dat de helft van de kinderen wordt geronseld in verder weg gelegen gebieden, dus niet thuis wonen en feitelijk als slaven worden behandeld.
Een keurmerk voor tapijten zonder kinderarbeid is natuurlijk geen doel op zich, maar een middel. Een goede uitvoering is inderdaad niet makkelijk, maar het keurmerk staat niet op zich. Het maakt deel uit van een maatschappelijke beweging tegen kinderarbeid in diverse bedrijfstakken, die vruchten begint af te werpen. De Indiase regering gaat zich geleidelijk meer inspannen voor onderwijs aan deze kinderen en heeft onlangs zelfs aangekondigd dat ze zelf een keurmerk voor tapijten gaat toekennen en de bedrijfstak daarop gaat controleren. Maar onder meer de recente arrestatie van SACCS-voorzitter Satyarthi en diverse Pakistaanse anti-kinderarbeidactivisten maakt duidelijk dat ook buitenlandse aandacht voor het probleem hard nodig blijft.

Dat er nog een lange weg te gaan is voordat de kinderarbeid is uitgebannen is zeker. Maar afwachten zal daarbij niet helpen. Inderdaad moet 'de Derde Wereld' zelf een einde maken aan de kinderarbeid. Maar onze steun aan organisaties ter plekke die zich daarvoor inzetten kan dat proces versnellen.

De auteurs zijn medewerker van respectievelijk de FNV en
de Landelijke India Werkgroep (LIW)




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 3 juli 2003