terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Utrechts Nieuwsblad, 26-6-1995      

India in offensief tegen kinderarbeid

door:
John Verhoeven

Amsterdam - De Indiase overheid ziet een duidelijk complot in de negatieve publiciteit die in het Westen over de kinderarbeid in haar tapijtindustrie wordt uitgestort. "Uitgerekend in westerse landen waar India met haar produkten succes heeft, worden we geconfronteerd met pogingen om onze export een slag toe te brengen", klaagt minister voor textielindustrie G. Venkat Swamy. "Dat kan geen toeval zijn".

India heeft een offensief ingezet om kinderarbeid in de tapijtindustrie uit te bannen. Om het geschonden imago van deze bedrijfstak op te vijzelen moet een nieuw keurmerk de koper garanderen dat het kleed zonder kinderarbeid is gemaakt.
Afgelopen zaterdag was de minister even in Nederland om de nieuwe aanpak van de kinderarbeid in zijn land toe te lichten. Dit jaar nog zal het keurmerk Kaleen ('tapijt') zijn intrede doen. Het initiatief is afkomstig van de Indiase tapijtexporteurs, maar wordt gesteund en deels gefinancierd door de Indiase overheid.
De export van Indiase tapijten is volgens cijfers van de regering de afgelopen vier jaar verdubbeld. Daar dreigt nu de klad in te komen na groeiende kritiek in landen als Duitsland, Zweden, de Verenigde Staten en - in mindere mate - Nederland op de inzet van kinderen bij het knopen van tapijten. Dat heeft in Duitsland al geleid tot een afvlakking van de importgroei.

In Nederland is er volgens Indiase functionarissen van een terugval nog nauwelijks iets te merken, maar de ongerustheid over het aangetaste imago is groot. Minister Venkat Swamy: "Het uiteindelijke doel van de overheid blijft de totale afschaffing van kinderarbeid. Dat is in het belang van India. Maar gezien de omvang van het probleem en de armoede in grote delen van het land is dat niet op korte termijn te realiseren. Bovendien kan de overheid het nooit alleen. De steun van het bedrijfsleven en van hulporganisaties is cruciaal".
Om de invoering van het nieuwe keurmerk mogelijk te maken, zijn de landelijke overheid en de regering van de noordelijke deelstaat Uttar Pradesh begonnen met een inventarisatie en toezicht op de weverijen in deze 'tapijtengordel', waar ongeveer tachtig procent van de totale produktie vandaan komt. Alle bedrijfjes die hun produkten willen (blijven) exporteren - ruim 95 procent gaat naar het buitenland - moeten een contract tekenen waarin ze beloven af te zien van kinderarbeid.

Controle
Bovendien moeten de bedrijven opgeven waar hun weefgetouwen staan, wat erop gemaakt wordt en wie de opdrachtgever is. Die gegevens worden aan de hand van de exportorders gecontroleerd door de douane. De exporteurs beloven bovendien een kwart procent van hun opbrengsten te doneren aan een fonds waarmee sociale en onderwijsprojecten worden bekostigd voor kinderen die achter weefgetouwen worden aangetroffen. Een commissie moet toezien op de naleving en kan onaangekondigde inspecties uitvoeren.
Controle op deze commissie zal worden uitgevoerd door een comité waarin naast overheid en bedrijfsleven Indiase mensenrechtenorganisaties, Unicef en de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) zitting hebben.
In Uttar Pradesh zijn volgens officiële cijfers tot op heden bijna tienduizend weverijen geïnspecteerd. In 122 gevallen werd kinderarbeid aangetroffen, waarbij het om 370 kinderen onder de veertien jaar ging. Over enkele maanden zullen de inventarisatie en toezicht in de deelstaat voltooid zijn.
In hoeverre het nieuwe keurmerk zijn pretenties kan waarmaken, is vooralsnog niet duidelijk. Een zegsman van de Landelijke India Werkgroep reageert met de constatering dat er in India "soms een geweldig groot verschil bestaat tussen wat de overheid zegt te zullen doen en wat er daadwerkelijk gebeurt". De controle door het internationale comité lijkt echter een goede waarborg.

Positief
De Utrechtse tapijtimporteur F. Janssen is positief. Hij is als enige Nederlandse tapijthandelaar lid van de vorig jaar opgerichte organisatie 'Care & Fair'. Ook die club van - merendeels Duitse - importeurs maakt zich sterk voor het beëindigen van kinderarbeid in de Indiase weverijen, en werkt daarbij al samen met de overheid en de bond van Indiase exporteurs. Kinderarbeid beneden de veertien jaar is in India formeel verboden; voor bepaalde gevaarlijke industrieën geldt een leeftijdsgrens van zestien jaar. In het land verrichten volgens officiële cijfers bijna twintig miljoen kinderen arbeid. Het overgrote deel van de kinderen werkt in familieverband en ontvangt geen werkelijk salaris.
Zij worden derhalve door de overheid niet tot kind-arbeiders gerekend. Onafhankelijke organisaties trekken die grens ruimer. Zij stellen dat er 400.000 tot 500.000 kinderen onder de veertien jaar zijn die als 'werknemer' kunnen worden omschreven, al dan niet in familieverband. De overheid houdt het in haar definitie van kinderarbeid op ongeveer een tiende daarvan.

Traditie
Vooral op het platteland is er een sterke, eeuwenoude traditie dat kinderen al jong een vak moeten leren van hun ouders of oudere broer of zus. Dat 'leerproces' valt niet onder het verbod op kinderarbeid, al is het verschil met werk soms miniem. Het verbod richt zich specifiek op kinderen onder de veertien jaar, die tegen - vaak zeer geringe - betaling lange werkdagen moeten maken.
Soms worden de kinderen jarenlang 'uitgeleend' aan schuldeisers van de familie. Ook hier komt traditie om de hoek kijken. In India gaan schulden over van ouders op kinderen. Volgens importeur Janssen komt het wel voor dat families schulden aan het aflossen zijn waarvan ze niet eens meer weten wanneer of hoe die ooit ontstaan zijn. Alleen de hoogte ervan, en het jaarlijks af te lossen bedrag is dan bekend. Voor die jaarlijkse aflossing wordt dan vaak een kind uitgeleend, dat door de 'baas' als slaafje behandeld wordt en nauwelijks iets verdient naast kost en inwoning.



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 3 juli 2003