terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Transit, november 1995      

Kinderarbeid vanuit Nederland bekeken

Onzuivere produkten en schone broeken

door:
Wim Baltussen

Nee, wij zijn geen verborgen kinderarbeid in eigen land op het spoor. Hetgeen natuurlijk nog kan veranderen zodra onze research-machine enigszins is warmgedraaid. Ja, we zijn ook hier wel degelijk met kinderarbeid bezig. Vakbond, winkeliers en andere welwillende mensen vertellen hoe.

Om maar met de deur in huis te vallen: "We steken eindeloos veel meer energie in het ontwikkelen van keurmerken dan in het organiseren van boycots van 'onzuivere' produkten." Aldus Annie van Wezel, beleidsmedewerkster van de FNV. Een boycot om kinderarbeid uit te bannen beschouwt zij als 'een laatste middel'. Van Wezel: "Het is grof, negatief. We steunen veel liever regeringen en organisaties die het probleem aanpakken. Is er geen enkele bereidheid, dan kan altijd nog het middel boycot gebruikt worden. Niet eens vanwege de economische effecten, maar meer naar de publieke opinie."

Een prijsverhoging van een paar gulden per broek is voldoende om het loon van kinderen in ontwikkelingslanden te verdubbelen. Beter nog is volwassen arbeiders méér betalen zodat ze hun kinderen naar school kunnen sturen. Er zou een keurmerk moeten worden ingevoerd om zeker te weten dat de prijsverhoging in de juiste zakken terecht komt. Aldus het Eerlijk Handels Handvest voor 'schone kleding' van de Dienstenbond FNV, de Industriebond FNV, de Novib en het Schone Kleren Overleg (waaraan ondermeer de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen deelneemt). Het overleg over deze voorstellen met de Vereniging van Grootwinkelbedrijven in Textiel (VGT) - waarvan onder andere V&D, C&A, Bijenkorf, Hij en Zij lid zijn - verkeert met één verkennend gesprek nog in een pril stadium. De organisaties achter het Handvest willen arbeidsnormen invoeren bij de produktie van kleding, ook over de grenzen. Het gaat om een minimumpakket: vrijheid van organisatie, het recht op collectieve onderhandelingen, het verbod op dwangarbeid en non-discriminatie van werknemers, aangevuld met invoering van een minimumleeftijd waarop mensen mogen werken (vijftien, dan wel veertien jaar).

Volgens Annie van Wezel vindt de VGT dit "te veel en te diep ingrijpend in de produktie". Ook heeft de VGT volgens de FNV-beleidsmedewerkster twijfels bij het voorgestelde controlemechanisme. Van Wezel: "Dat controlemechanisme moet volgens ons - dik onderstreept - onafhankelijk zijn. Je hebt voorbeelden van interne controle, bijvoorbeeld bij Nike en Reebok. Daarmee maak je je kwetsbaar. Er hoeft maar iets fouts geconstateerd te worden en het héle controlemechanisme komt ter discussie."

De heer Fokke, secretaris van de VGT, stelt: "Invoering van de hele set minimumnormen ineens, is in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar. Wij willen een fasegewijze aanpak, waarbij kinderarbeid als eerste aangepakt wordt." Ook onafhankelijke controle werkt volgens hem niet: "Men loopt de deur uit, waarna er allerlei gekke dingen kunnen gebeuren. Wij willen gedragscodes, waaraan onze leden zich binden. De inspectie wordt dan gedaan door de reguliere in het land werkende apparaten."

De Indiase tapijtexportindustrie kent sinds eind '94 het kinderarbeidsvrije keurmerk Rugmark, dat tevens garandeert dat werknemers tenminste het minimumloon krijgen. De Stichting Rugmark wordt bestuurd door Unicef, SACCS, de Duitse export-promotieorganisatie Indo-German Export Promotion Project, en de Vereniging van Tapijtfabrikanten zonder Kinderarbeid.

Rugmark heeft een eigen inspectieteam, en wordt in Nederland ondersteund door de Landelijke India Werkgroep, FNV, Novib en Kinderen in de Knel, het kinderprogramma van de protestantse kerken. Verwacht wordt dat binnenkort zo'n dertig procent van de in Duitsland geïmporteerde Indiase tapijten het Rugmark-label zal dragen. In Nederland hebben de Bijenkorf, V&D en IKEA in principe interesse.

De importeurs van de tapijten storten: één procent van de waarde van de tapijten in een fonds dat wordt beheerd door Unicef. Dit biedt kinderen die in de tapijtindustrie hebben gewerkt een betere toekomst, bijvoorbeeld door onderwijs.

Begin juni kreeg Rugmark concurrentie van een regerings-'keurmerk', Kaleen (tapijt). Om voor het merk in aanmerking te komen moet de exporteur ondermeer een beëdigde verklaring afleggen dat hij geen gebruik maakt van kinderarbeid. Een kwart procent van zijn exportinkomsten moet hij storten in een fonds. Steeksproefgewijs zou er door een nieuw op te zetten instantie gecontroleerd worden.

Het Kaleen-merk is per 1 oktober voor alle exporteurs verplicht. Volgens Gerard Oonk (Landelijke India Werkgroep) lijkt het er echter op dat het Kaleen-merk geen verplichte voorwaarde voor export zal zijn en dat de inspectie wordt uitgevoerd door de reguliere arbeidsinspectie, in plaats van door een onafhankelijk bureau. "Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het Kaleen-Mark is opgezet om het Rugmark in de wielen te rijden." De laatste noot is niettemin positief: Oonk: "Wellicht is het mogelijk Rugmark en Kaleen te combineren tot één effectief keurmerk, waarbij onafhankelijke controle vanzelfsprekend een essentiële voorwaarde is."



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 3 juli 2003