terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Utrechts Nieuwsblad, 25-2-1997      

Kinderarbeid is rem op welvaart land

door:
Henk Boon en Gerard Oonk

Morgen en overmorgen vindt in Amsterdam de Child Labour Conference plaats. Inzet van deze internationale conferentie is de vraag hoe de ergste vormen van kinderuitbuiting zo snel mogelijk uit te bannen. Ook de minder schrijnende vormen zijn volgens Henk Boon en Gerard Oonk onacceptabel. Kinderarbeid is namelijk niet alleen schadelijk voor de kinderen zelf, maar ook voor de betrokken landen: het is eerder een oorzaak dan een gevolg van armoede.

Over de extreme vormen van kinderuitbuiting, waarbij fysiek en geestelijk geweld vaak aan de orde van de dag is, bestaat overeenstemming. Zaken als kinderslavernij, kinderprostitutie en het werken van kinderen in zeer gevaarlijke en ongezonde industrieën moeten de wereld uit.

Maar de meerderheid van de werkende kinderen valt niet in deze 'excessieve categorie'. En daarmee houdt de eensgezindheid over de wenselijkheid kinderarbeid uit te bannen op. De laatste maanden is er kritiek gekomen op de organisaties in Noord en Zuid die strijden tegen kinderarbeid. Ze zouden ongenuanceerd te werk gaan, alle kinderarbeid op een hoop vegen en alle kinderarbeid onterecht willen afschaffen. Excessen zijn natuurlijk onacceptabel, maar verder moeten kinderen het recht hebben om te werken en een inkomen te verdienen, zo luidt de redenering. Veel kinderen willen zelf werken. Ze moeten ook wel omdat hun inkomsten noodzakelijk zijn om het gezin te onderhouden. Of ze zijn onmisbaar op de familieboerderij. De aandacht zou ook te eenzijdig gericht zijn op de ontwikkelingslanden, terwijl hier in het westen ook kinderen werken. Soms halen de critici daarbij zelfs kinderen met een krantenwijk als voorbeeld aan. De werkende kinderen zouden tenslotte veel meer mee moeten kunnen praten over de (on)wenselijkheid van kinderarbeid.

Misvatting
Deze argumenten zijn deels gebaseerd op een misvatting omtrent het begrip kinderarbeid. De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) maakt een duidelijk onderscheid tussen kinderarbeid (child labour) en kinderwerk (child work). Dit onderscheid is essentieel en onduidelijkheid hierover vertroebelt de hele discussie. Bijna alle kinderen werken, ook zij die gevrijwaard zijn van kinderarbeid. Ze helpen thuis, doen boodschappen, helpen op de boerderij. Of ze lopen inderdaad een krantenwijk. Zo kunnen kinderen leren verantwoordelijkheid te nemen en trots te zijn op wat ze doen. Het helpt ze zich voor te bereiden op de volwassenheid.
Kinderarbeid is iets geheel anders. Het heeft betrekking op werksituaties die schadelijk zijn voor de gezondheid en opvoeding en onderwijs belemmeren. Op situaties die kinderen verhinderen nog kind te zijn. Van kinderarbeid is sprake wanneer kinderen te jong werken of te lange uren maken, wanneer het werk veel spanning met zich meebrengt, als kinderen op straat moeten werken of voor een schamel loon, wanneer het werk eentonig is, als de verantwoordelijkheid te groot is, of als kinderen onder intimidatie te lijden hebben. De bekritiseerde organisaties in Noord en Zuid zetten zich dan ook uitdrukkelijk in tegen kinderarbeid en niet tegen kinderwerk! Kinderarbeid komt wel voor in de rijke landen, maar het overgrote deel is te vinden in de ontwikkelingslanden.

Leeftijdsgrens
Een ander punt dat de discussie vertroebelt is de leeftijd. De ILO hanteert een grens van 14 jaar voor ontwikkelingslanden (15 jaar voor noordelijke landen). Deze leeftijdsgrenzen zien we terug in de arbeidswetgeving van de meeste landen. Boven deze leeftijd is er dus geen sprake van kinderarbeid. Eind vorig jaar vond in het Indiase Kundapur een conferentie plaats van 'werkende kinderen' op initiatief van de in Amsterdam gevestigde Internationale Werkgroep Kinderarbeid, een organisatie die vindt dat kinderen meer in de (beleids)discussies betrokken moeten worden. Bijna alle deelnemers waren evenwel tussen de veertien en achttien jaar, 'werkende jongeren' dus om wie het eigenlijk helemaal niet gaat.
Om wie het wel gaat als we het over kinderarbeid hebben, zijn de, volgens een schatting van de ILO, minstens 120 miljoen kinderen tussen 5 en 14 jaar oud die hele dagen werken en niet naar school kunnen gaan. Daarvan is een belangrijk aantal jonger dan 10 jaar. Je kunt je afvragen of deze jonge werkende kinderen wel het overzicht hebben om in een discussie over de (on)wenselijkheid van kinderarbeid, zaken als het belang van onderwijs voor hun toekomst, reëel in te kunnen schatten. Juist in dat onderwijs ligt de sleutel om de vicieuze cirkel van kinderarbeid en armoede te doorbreken. In tegenstelling tot wat vaak gesteld wordt, hoeft armoede niet nooozakelijkerwijs te leiden tot kinderarbeid, zoals de voorbeelden van Sri Lanka en de Indiase deelstaat Kerala aantonen. Ondanks de armoede komt kinderarbeid er relatief weinig voor, mede omdat de overheid prioriteit geeft aan het basisonderwijs. Omgekeerd leidt kinderarbeid wel tot armoede of bestendigt die! Door hun arbeid groeien kinderen op tot ongeletterde volwassenen, voorbestemd voor laaggeschoold, weinig productief werk en veroordeeld tot maatschappelijke machteloosheid. Door fysieke roofbouw zijn ze als volwassenen bovendien gauw opgebrand en relatief snel arbeidsongeschikt. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: kinderarbeiders groeien op tot armen die ook hun kinderen weer moeten laten werken, kortom een cultuur waarin kinderarbeid 'vanzelfsprekend' is.
Juist onderwijs is een basisvoorwaarde voor economische en sociale ontwikkeling. Investeren in basisonderwijs kan een uiterst belangrijke bijdrage leveren aan het nationaal inkomen van landen. Het Human Development Report 1996 van de UNDP stelt dat het bruto-nationaal product (bnp) van landen met 4 tot 9 procent kan stijgen voor elk jaar waarmee het gemiddelde onderwijsniveau stijgt.
Eenzelfde soort redenering geldt de gezondheidssituatie. Fysieke roofbouw op kinderen nu, heeft straks gevolgen voor gezondheidssituatie en productiviteit van de toekomstige volwassen beroepsbevolking. Het winstbejag van de individuele werkgever gaat dus ten koste van de (toekomstige) sociaal-economische ontwikkeling van het gehele land.

Prijskaartje
Uiteraard vergt een wereldwijde aanpak van kinderarbeid enorme inspanningen en tijd. Harde handelsboycots zijn niet de aangewezen weg en kunnen zelfs averechts werken. Daar is dan ook vrijwel niemand voor. Een succesvolle bestrijding staat of valt bij de beschikbaarheid van goed, toegankelijk en gratis basisonderwijs. Als aan die voorwaarde niet voldaan is heeft het weinig zin de kinderen 'uit hun werk te halen'. Daar hangt natuurlijk wel een fors prijskaartje aan. Om ervoor te zorgen dat in het jaar 2000 basisonderwijs algemeen beschikbaar en toegankelijk is voor ieder kind in elk land, is volgens berekeningen van het Instituut voor Ontwikkelingsstudies van de Universiteit van Sussex een extra investering van 60 miljard dollar nodig. Dat lijkt gigantisch veel, maar het is maar iets meer dan helft van de 100 miljard dollar die de Golfoorlog kostte.

Henk Boon en Gerard Oonk zijn werkzaam bij de Landelijke India Werkgroep (LIW) in Utrecht, initiatiefnemer van de handtekeningenactie 'Teken tegen Kinderarbeid'. De ruim 60.000 handtekeningen worden tijdens de conferentie aangeboden aan minister Melkert van Sociale Zaken. De ondertekenaars dringen bij de Nederlandse regering en de Europese Unie aan op steun voor programma's voor basisonderwijs in ontwikkelingslanden en keurmerken voor 'kinderarbeidvrije' producten (zoals Rugmark-tapijten en 'fairtrade' producten).



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 28 mei 2003