terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Source, maart-april 1997      

De vele gezichten van kinderarbeid

door:
Mark Blaisse

Wie beelden ziet van magere jongetjes in een Indiaas kledingatelier kan met afschuw uitroepen: stop de kinderarbeid! Maar valt er wel zo'n gemakkelijk oordeel te vellen? Want voor de kinderen van het Indiase platteland kan het naaien van T-shirts een


DIT ARTIKEL IS EEN BEWERKING VAN EEN UITZENDING OP RADIO SOURCE OVER KINDERARBEID. AAN DIT RONDETAFEL-GESPREK NAMEN DEEL: OLGA NIEUWENHUYS, PEDAGOOG AAN DE UVA; LILIAN PETERS VAN DE ORGANISATIE KINDEREN IN DE KNEL; NANDO VAN MAARSSEVEEN, DIRECTEUR VAN ESPRIT EN GERARD OONK VAN DE LANDELIJKE INDIA WERKGROEP. HET DISCUSSIEPROGRAMMA STOND ONDER REDACTIE VAN MENNO BOSMA.

middel van bestaan zijn. Wat schieten zij er mee op wanneer die bron van inkomsten hun wordt ontnomen door een verbod op kinderarbeid? Een rondetafel-gesprek onder leiding van journalist Mark Blaisse.

Met kinderarbeid is meer aan de hand dan een ongenuanceerde afwijzing ervan suggereert. Kinderarbeid een probleem van de ontwikkelingslanden? Vergeet het maar. Alleen al in Nederland werkt volgens onderzoek van het ministerie van Sociale Zaken driekwart van de kinderen tussen twaalf en zestien jaar. Maar moet je het optreden van Danny de Munck in de film Ciske de Rat of van de kinderen in de Soundmix-show van Hennie Huisman gelijk stellen aan het werk van de jongetjes in de Indiase leerlooierij? En hoe zit het met kinderen die op de zaterdag meehelpen in de winkel of met het oudere broertje of zusje dat op de kinderen past wanneer moeder en vader buitenshuis werken?
'Het grensgebied tussen wel of geen arbeid is zo rekbaar dat er enorm veel mogelijkheden zijn om een kind aan het werk te zetten. Alleen we noemen het geen werk, dan lijkt het minder erg, dan voelt een volwassene zich minder op z'n geweten aangesproken', zegt Olga Nieuwenhuys die aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek doet naar kinderarbeid. Is het wel werk, zoals bij een krantenwijk, wie zou de jongere het zakcentje dan niet gunnen? Het blijkt heel moeilijk om alleen op grond van het al of niet werken door een kind te spreken van kinderarbeid.
'Kinderarbeid begint als het andere rechten van het kind in de weg staat', zegt Lilian Peters van de organisatie Kinderen in de Knel. 'Een kind heeft recht op onderwijs en ontwikkeling. Als het dat niet krijgt, komt het verder ook nooit meer aan de bak.' Als een kind moet werken en daardoor niet naar school kan gaan, is arbeid een belemmering voor de opleiding van het kind. Als het werk duidelijk schadelijk is voor de lichamelijke ontwikkeling van het kind - omdat het in een gevaarlijke omgeving moet werken, te lang in een bepaalde houding moet zitten of te ver moet reizen - dan hoort het niet. Peters beschouwt dit als definities van kinderarbeid.
Uitgaan van de rechten van het kind betekent dat het in sommige situaties mogelijk moet zijn dat een kind arbeid verricht. Peters: 'Kinderen hebben ook recht op een goede levensstandaard. Dat kan betekenen dat een kind mee moet werken om voor zichzelf en z'n familie een redelijke levensstandaard te bereiken. In dat geval mag je het kind dat recht op werk niet ontzeggen.' Het was ook een van de conclusies van een grote regionale conferentie over kinderarbeid die onlangs in Peru is gehouden. 'Kinderen daar zeiden: wij hebben recht op arbeid. Als wij niet kunnen werken, dan kan onze familie niet leven. Ontneem ons dat recht niet. Ontsla ons niet, bescherm ons, zorg dat we goed kunnen werken, veilig kunnen werken, maar garandeer ook ons inkomen.'
Die laatste opmerking past precies in het straatje van Olga Nieuwenhuys. 'Dat kan ik niet genoeg benadrukken: je moet de ervaring en wensen van het kind bij je oordeel over kinderarbeid betrekken. Bij ons is de relatie tussen vrije tijd, school en werk in vrij rigide wetgeving vastgelegd. Maar in heel wat landen liggen die grenzen niet duidelijk. Werken kan ook ontplooiing zijn.' 'Pas wel op', reageert Gerard Oonk van de Landelijke India Werkgroep. 'In India is er een elite die denkt, ach die kinderen van de armen hoeven niet naar school, die gaan toch werken, daar hebben ze meer aan. Ik wil daarom een heel duidelijke norm stellen: kinderen moeten naar school kunnen. Het gaat om het recht op onderwijs voor alle kinderen en goed onderwijs.' Nieuwenhuys is het daar 'uiteraard' mee eens.

Extreme omstandigheden
India wordt veel genoemd als voorbeeld van een land waar kinderarbeid een massaal verschijnsel is. Volgens cijfers van de regering betreft het twintig miljoen kinderen, waarvan er twee miljoen onder extreem zware omstandigheden werken. Onafhankelijke organisaties komen tot getallen tussen de vijftig en honderd miljoen kinderen. Die honderd miljoen is ongeveer het aantal kinderen dat niet naar school gaat. Dat is de helft van het aantal kinderen tussen de zes en veertien jaar. Wat extreme arbeidsomstandigheden zijn, is gedefinieerd in de Indiase wetgeving. Zo zijn het werken in bijvoorbeeld de tapijtindustrie, cementindustrie, glasindustrie en vuurwerkindustrie bij wet verboden. In andere bedrijfstakken gelden voorgeschreven werktijden: de kinderen mogen niet meer dan zes uur per dag werken, inclusief drie kwartier pauze.
Maar de praktijk is een heel andere. Zo worden kinderen uit de armste streken als Bihar door zogenaamde bemiddelaars voor een bepaald bedrag van de ouders weggehaald met het verhaal dat het kind geld zal verdienen en een opleiding krijgt als tapijtknoper. De kinderen moeten dan honderden kilometers verderop, twaalf tot zestien uur per dag tapijten zitten knopen, op de grond zittend of op een laag krukje. 'Ze hebben geen keus, want ze zijn min of meer gekocht door de bemiddelaar. En naarmate een kind verder weg gaat van z'n oorspronkelijke omgeving, spreekt hij de taal niet en weet hij de weg niet, is hij dus kwetsbaarder en loopt hij meer risico te worden uitgebuit. Ik noem dit pure economische slavernij', zegt Lilian Peters verontwaardigd.
Nieuwenhuys kan het niet nalaten de andere kant van het verhaal te laten zien, al vindt ze het ongemakkelijk om over zichzelf het beeld af te roepen dat ze altijd maar relativeert. 'We moeten oppassen om aan kinderen een slachtofferrol op te dringen. In het woord slaven komt dat wel heel erg naar voren. Het is gewoon heel complex en daarom ook heel moeilijk aan te pakken. Vaak is het een keuze van de kinderen zelf, ook in het geval van die zogenaamde schuldenslaven.' Ze noemt het voorbeeld uit een dorp in Zuid-India, waar ze zelf onderzoek heeft gedaan. Het bleek dat de kinderen die schuldenrelatie helemaal niet uitsluitend als iets negatiefs zien. Ze zijn blij dat ze een beschermheer hebben gevonden. Later kwam ze een ondernemer tegen die een jongetje in dienst had, ver van huis. 'Hij vertelde me: dat jongetje is me door zijn broers opgedrongen, ik werd haast gedwongen hem in dienst te nemen.' Volgens de broers is in het dorp niets te doen, lopen kinderen maar rond, halen kattenkwaad uit, terwijl ze bij de baas tenminste kunnen wennen aan een baan. 'Die ondernemer zag er dus totaal geen kwaad in en die broers waarschijnlijk ook niet. Terwijl ze moesten werken in een kippenslachterij waar het werkelijk gruwelijk en afschuwelijk is, waar ik niks goeds in kon ontdekken.'
Gerard Oonk protesteert: 'Je schetst de situatie van een kind dat vanuit heel moeilijke omstandigheden in een iets minder erge situatie terecht komt en om die reden z'n eigen werk positief definieert. Maar je moet als onderzoeker toch verder kijken. Je moet van de samenleving of de overheid verlangen dat ze een ander perspectief voor die kinderen biedt, waarin zij zich wèl kunnen ontplooien.' 'Olga heeft gelijk dat niet alle kinderen slachtoffer zijn', voegt Lilian Peters toe. 'Maar voor kinderhandel bestaat geen goed woord. Kinderen moeten in hun eigen omgeving onder zodanige omstandigheden kunnen leven dat ze niet weg hoeven als ze acht of tien jaar oud zijn.'

Een keurmerk?
Als je iets tegen de ongewenste vormen van kinderarbeid wilt doen, hoe moet dat dan? De Landelijke India Werkgroep pleit al langere tijd voor een keurmerk 'niet gemaakt door kinderhanden'. Nando van Maarseveen, directeur van het kledingbedrijf Esprit, ziet daar niets in. Terwijl zijn bedrijf er toch prat op gaat moreel verantwoord te handelen. 'Het probleem is: je kunt het nooit waarmaken. Je kunt nooit voor honderd procent garanderen dat er geen kinderhanden aan te pas zijn gekomen.' Bovendien zegt hij, ook al is er in India veel kinderarbeid, de hoeveelheid producten die ze maken is een schijntje op de totale export. 'Het is alleen zo moeilijk te controleren.' Wat overigens niet wil zeggen dat kinderarbeid bij Esprit geen item zou zijn. 'Als we constateren dat een fabrikant van kinderarbeid gebruik maakt, dan nemen we zijn producten niet af. We maken van te voren afspraken dat Esprit niet geïnteresseerd is in producten die niet milieuvriendelijk of onder erbarmelijke sociale omstandigheden of met kinderarbeid zijn gemaakt. We voeren ook regelmatig controles uit bij onze leveranciers, we doen ons uiterste best, maar waterdicht is het niet.' Volgens Olga Nieuwenhuys kan die controle inderdaad niet waterdicht zijn. 'Het merendeel van de kinderarbeid in India gebeurt op het platteland, bij de productie van de katoen of de zijde. Je bant de kinderarbeid echt niet uit door ze alleen in de naai-ateliers te verbieden. Ook bij het hoeden van de geiten worden kinderen ingeschakeld. Je moet het probleem in z'n gehele context zien, anders los je niks op.'
Gerard Oonk wil zijn campagne voor een keurmerk graag nog wat toelichten. 'Natuurlijk is een keurmerk geen oplossing voor de kinderarbeid in z'n algemeenheid. Maar wanneer het probleem van de kinderarbeid heel erg breed en algemeen wordt geformuleerd, dan maak je elke oplossing per definitie onvoldoende.' Hij ziet het keurmerk vooral als een hulpmiddel. 'Neem het voorbeeld van tapijt. Dat is een beperkt product. Maar de discussie over een keurmerk heeft een enorme uitstraling, er is een grote bewustwording van uit gegaan. Tegelijkertijd moet je niet in bewustwording blijven steken: zo'n keurmerk heb je nodig om het hard te maken, om onafhankelijke controle te introduceren.' En het helpt volgens hem. 'De Indiase regering is uit z'n sluimer ontwaakt en gaat nu zelf een heleboel geld besteden aan het verbeteren van het onderwijs.'

Negatieve middelen
Een keurmerk, of mogelijk zelfs een boycot om kinderarbeid uit te bannen; het zijn middelen die erg negatief zijn gericht. 'Als je kans ziet te emigreren naar de stad en het lukt je in een atelier werk te vinden, maar dat werk wordt door een keurmerk getroffen, dan moet je terug naar het platteland, moet je weer schapen hoeden in de bergen. Is dat een alternatief?' vraagt Olga Nieuwenhuys. Nando van Maarseveen onderkent het bezwaar. 'Ik zie ook veel meer in de positieve werking: zorg dat kinderen opleidingsmogelijkheden krijgen, dan haal je ze vanzelf bij de kinderarbeid vandaan.' Wat doet hij daar zelf als bedrijf aan? Hij noemt het voorbeeld van de winkels in Hong Kong waar katoenen tassen worden verkocht die zijn gemaakt van overgebleven stoffen. De opbrengst ervan - er zijn er inmiddels meer dan één miljoen van verkocht - gaat naar opleidingsprojecten in China. Een ander voorbeeld is de verkoop van beelden in de showroom. De opbrengst gaat naar een crèche in Zimbabwe, waar 110 kinderen opgevangen kunnen worden. 'Het voordeel van dergelijke projecten is dat je er emotioneel bij betrokken bent. Iedereen die op een positieve manier iets wil doen aan kinderarbeid kan ze initiëren', meent Van Maarseveen.
Lilian Peters noemt het voorbeeld van projecten in India. Het gaat om kinderen in de stad die van het platteland in de omgeving komen, de taal niet spreken en daardoor geen enkele aansluiting hebben bij het reguliere onderwijs. Ze krijgen taal- en andere bijlessen zodat ze op een gegeven ogenblik het reguliere onderwijs kunnen volgen. Daarnaast wordt ook aan de ouders van die kinderen aandacht besteed, bijvoorbeeld door de moeders te scholen. Zodat de familie in staat is een zekere vorm van welstand te handhaven als de kinderen niet meer werken.
Hoe inspirerend de lokale projecten ook klinken, het zijn niet veel meer dan de bekende druppels op een gloeiende plaat, weet Lilian Peters. 'Hulporganisaties kunnen de problemen van de kinderen niet oplossen, dat is een verantwoordelijkheid van de betrokken overheid. Maar het helpt wel de problematiek op de politieke agenda te krijgen, Met al onze activiteiten is er meer aandacht voor kinderen gekomen.'
Dat beroep op de overheid wordt bijvoorbeeld gedaan in het stappen plan van Unicef voor India. Deze organisatie heeft voorgesteld om eerst alle kinderen die zes jaar oud zijn naar school te krijgen en daar te houden, vervolgens breidt dat zich in de loop der jaren uit naar de hogere klassen. Is zo'n aanpak wel realistisch als er in India honderd miljoen kinderen niet naar school gaan? Gerard Oonk: 'Als de politieke wil er is, dan kan er veel binnen ëën generatie.' Hij noemt het voorbeeld van Bombay, waar de autoriteiten in het jaar 2001 alle kinderen naar school willen hebben. Daarbij wordt ook het bedrijfsleven ingeschakeld om geld te fourneren voor kleuterscholen. 'Het bedrijfsleven doet actief mee, omdat ze rond het jaar 2000 maar liefst zeshonderdduizend geschoolde computeroperators nodig denkt te hebben. Het belang van goed opgeleide werknemers wordt daar heel duidelijk ingezien.'
Nando van Maarseveen van Esprit kan zich in die redenering heel goed vinden. 'De mentaliteit in een onderneming is heel belangrijk, daar draait het om. Is er het besef dat je als ondernemer uiteindelijk veel verder komt wanneer je goed geschoold en gemotiveerd personeel hebt? Dat proberen we in onze contacten met bedrijven in ontwikkelingslanden over te brengen. De morele overwegingen tegen kinderarbeid vallen hier samen met de economische voordelen van een goede opleiding.'




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 2 juni 2003