terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Tijdschrift voor de Rechten van het Kind, maart 1997      

Kinderarbeid op de voorpagina's

over arbeid van kinderen en werkgelegenheid van jongeren

door:
Stan Meuwese

Het verschijnsel kinderarbeid is de laatste tijd weer volop in de schijnwerpers. De discussie lijkt een andere draai te hebben genomen. Het gaat niet alleen meer om een radicale uitroeiing van kinderarbeid. Er komt steeds meer nuance in de verschillende vormen van kinderarbeid. Wat is acceptabel en wat niet?

Leve de kinderarbeid
Met grote letters stond het op de cover van het novembernummer van het tijdschrift OnzeWereld: leve de kinderarbeid. Menno Bosma interviewde op de binnenpagina' s Ben White van het Haagse International Institute of Social Studies en Clare Feinstein van de in Amsterdam gevestigde International Working Group on Child Labour (IWGCL). De stelling was: kinderen hebben het recht om te werken. Het meest interessante aan deze stelling is uiteraard de uitleg van de woorden: wat is een kind? En: wat is werk: de child labour-child work-discussie, die in het Engels (de moedertaal van beide geïnterviewden) al moeilijk genoeg is, maar in andere talen helemaal snel tot misverstanden leidt. Ik sta zelf niet neutraal in deze discussie, ik ben lid van de IWGCL en DCI-NL verschaft deze IWGCL een organisatorisch onderdak. Eén van de centrale elementen in deze discussie is daarbij dat men de kinderen onrecht doet door niet hun feitelijk situatie te erkennen: er werken dagelijks miljoenen en miljoenen kinderen, of wij dat nu leuk vinden of niet. Waarop moet nu de inspanning gericht zijn? Op het verbeteren van deze situatie door regulering van de arbeidsomstandigheden en de beloning of op het geheel verwijderen van deze kinderen van de arbeidsmarkt? Recent onderzoek laat zien dat in veel Europese landen de meer dan honderd jaar lange strijd tegen de kinderarbeid erin geresulteerd heeft dat fulltime child labour is overgegaan in parttime child work en dat dit geldt voor tamelijk grote delen van de samenleving en niet alleen voor de sociaal-economisch laagste klassen. Wat zijn de alternatieven voor het familie-inkomen en voor de tijdsbesteding van talloze kinderen in het zuiden? Onderwijs? Wat is de kwaliteit van het onderwijs in veel ontwikkelingslanden? De centrale vraag bij dit alles is: wat vinden de kinderen er zelf van? Zij hebben toch het recht om mee praten over alles wat hun aangaat, volgens artikel 12 van het VN-kinderrechtenverdrag.
Dit artikel in OnzeWereld werd als provocerend ervaren. Max van den Berg, de hoofddirecteur van de NOVIB, voelde zich gedwongen in een ingezonden brief in het decembernummer te verklaren dat OnzeWereld onafhankelijk van de NOVIB is. En in dezelfde brievenrubriek reageerde de NOVIB nog een keer, maar nu samen met de partners in de actie Tegen de Kinderarbeid: ABOP-NLG, Bilance, Fair Trade, FNV, de Landelijke India Werkgroep, UNICEF en FNV. Deze reactie bevatte een sterk punt: het VN-kinderrechtenverdrag spreekt niet van een recht op arbeid van kinderen, maar gaat uit van bescherming tegen kinderarbeid. En de kwaliteit en kwantiteit van het nu beschikbare onderwijs is geen argument om niet te trachten via de leerplicht kinderen zo veel mogelijk onderwijs te laten volgen: werken van kinderen, zo besluit deze tamelijk woedende reactie, is vooral naar school gaan.

ILO: Intolerable farms
Intussen was op 12 november 1996, precies tussen de beide nummers van OnzeWereld in, een nieuw kinderarbeidrapport van het International Labour Office verschenen: Child Labour: Targetting the intolerable. ILO-directeur Michel Hansenne zei bij de presentatie, dat de strijd tegen kinderarbeid vooral een strijd tegen de armoede is en dat het nog vele jaren zal duren voordat kinderarbeid verdwenen is, maar dat we ons nu met onmiddellijke ingang moeten concentreren op de onaanvaardbare vormen van kinderarbeid. De lijst van onacceptabel werk van kinderen is allang genoeg: vormen van slavernij en gedwongen arbeid (vooral als schuldaflossing), in de prostitutie, werken met pestici- den in de landbouw, in de mijnen, in glas- en aardewerkfabrieken, in de vuurwerkindustrie, diepzeevissen (muro ami fishing, met als gevolg decompressie-ziekten), in het huishoudelijk werk, vooral als dienstmeisje met het ernstige risico door de baas voor seksuele doelen misbruikt te worden.
De ILO vraagt speciaal aandacht voor de 'onzichtbaarheid' van deze risico-kinderen. Het eerste ILO-verdrag uit 1919 ging over de aanpak van kinderarbeid. De ILO roept nu op tot een nieuw verdrag, dat juist zou moeten gaan over 'intolerable forms of child labour'; dit nieuwe verdrag zou in 1998 tot stand moeten komen. De ILO is op dit moment met het IPEC-programma actief in 25 landen. IPEC staat voor: International Programme for the Elimination of Child Labour. De doelstelling van dit programma (uitroeiing van alle vormen van kinderarbeid) is in de praktijk bijgesteld en concentreert zich meer en meer op de onaanvaardbare vormen van kinderarbeid. De ILO acht een toegespitst verdrag nodig, wellicht ook omdat het algemene verdrag tegen kinderarbeid, het ILO-verdrag 138, samen met Aanbeveling 145, geen effectief internationaal instrument is gebleken. Slechts 45 landen hebben dit verdrag uit 1973 geratificeerd.

UNICEF: vier mythen over kinderarbeid
Op 11 december presenteerde UNICEF zijn jaarrapport: 'State of the World Children 1997'. Dit jaarrapport bevat nieuwe statistieken over hoe het wereldwijd met kinderen gaat. De meest heldere maatstaf is de U5MR, de Under 5 Mortality Rate, oftewel hoeveel kinderen van de 1000 geborenen sterven voor hun vijfde levensjaar. In Nederland is dat 8 en in Niger 320.
In het themagedeelte van het UNICEF-rapport 1997 wordt aandacht besteed aan kinderarbeid. UNICEF, met toch jarenlang geconcentreerde aandacht voor jonge kinderen (en terecht!) heeft mede onder invloed van het VN-kinderrechtenverdrag zijn aandacht verruimd tot andere problemen van kinderen. Het jaarrapport van 1996 gaat in het bijzonder over kinderen in oorlogssituaties en nu gaat het jaarrapport van 1997 over werkende kinderen. In het rapport wordt - en dat is meteen opvallend - afgerekend met vier mythen rondom het thema kinderarbeid:
- kinderarbeid komt alleen voor in ontwikkelingslanden;
- kinderarbeid is alleen een armoede-verschijnsel;
- kinderarbeid komt alleen voor in de exportindustrie;
- kinderarbeid is alleen te bestrijden door sancties en boycots.
UNICEF lanceert een stappenplan met zes elementen:
- uitbanning van extreme uitbuiting;
- verplicht en gratis onderwijs;
- betere nationale wetgeving in overeenstemming met internationale standaarden;
- verplichte geboortenregistratie (zonder geboortebewijs geen recht op gezondheidszorg en onderwijs en geen controle op leeftijden van werkende kinderen);
- meer onderzoek en studie;
- gedragscodes: garanties bij inkoop door bedrijven dat er geen sprake is van kinderarbeid. UNICEF heeft (mede naar aanleiding van eerdere negatieve ervaringen) zelf zo'n gedragscode.

KUNDAPUR: kinderen aan het woord
Van 29 november tot 10 december 1996 vond in Kundapur in de Zuidindiase staat Karnataka op het terrein van de Bima Sangha de eerste wereldbijeenkomst van werkende kinderen plaats. Na gedegen voorbereiding met bijeenkomsten in Bangalore (India) en Dakar (Senegal) kwamen ongeveer 35 kinderen bijeen uit 14 landen: uit Nepal en Colombia, uit Mali en Thailand, uit Brazilië en Senegal, uit India en Nicaragua.
Deze bijeenkomst was georganiseerd door een aantal organisaties waarin kinderen zelf actief zijn, zoals Mantoc uit Peru, de straatkinderenbeweging uit Brazilië, ENDA uit Senegal en de Bima Sangha van Concerned for Working Children uit India. De International Working Group on Child Labour behoorde bij de initiatiefnemers van deze bijeenkomst en had vanuit het secretariaat in Amsterdam veel organisatorisch werk verricht om er voor te zorgen dat alle kinderen op dezelfde tijd op dezelfde plaats waren.
Plaats van samenkomst was Namma Bhooml, een soort vakinternaat voor kinderen uit deze kuststreek. Op het internaat leren zij een vak om te voorkomen dat ze migreren naar het 1000 kilometer noordelijker gelegen Bombay (Mumbai moet je tegenwoordig zeggen).
De bijeenkomst was alles behalve eenvoudig. Taal- en vertaalproblemen bijvoorbeeld. De besprekingen hadden daardoor een traag tempo. Maar ook hadden kinderen uit Latijns-Amerika moeite met het scherpe Indiase eten, ook al hadden de organisatoren hun best gedaan het allemaal niet zo pittig te maken. Het programma was zwaar en overbelast. Begrijpelijk als men zich realiseert hoeveel moeite en geld het kost om zoiets te organiseren. Er was veel belangstelling van de (voornamelijk) lokale pers; een dagelijkse persconferentie was onderdeel van het dagprogramma.
Wat was nu de uitkomst van deze tiendaagse vergadering van deze 13- tot 17-jarige kinderen uit drie continenten? Vooral erkenning van hun situatie en hun recht om mee te praten. Dat komt neer op verbetering van de arbeidsomstandigheden, invulling van het recht op kwalitatief goed onderwijs dat aansluit bij hun behoeften en geen uitstoting uit hun werk door sancties en boycots. Het recht zich te organiseren is ook belangrijk. In veel landen waar kinderarbeid formeel door de wet verboden is zijn de vakbonden soms niet bereid de belangen van werkende kinderen te verdedigen, en kunnen de kinderen niet als lid toelaten.
Er waren ook verschillen tussen de kinderdelegaties op te merken; de opvatting van de straatkinderenbeweging uit Brazilië week met name op het punt van het recht op werk (en de leeftijd waarop dat zou moeten ingaan) af van de delegaties van andere landen.

Het recht om geld te verdienen
Op 17 december 1996 organiseerde de Leidse studentenvereniging voor internationale betrekkingen SIB in de statige aula van de Rijksuniversiteit Leiden een Cambridgedebat over de stelling Een kind heeft het recht om geld te verdienen. Deze stelling werd verdedigd door Jaap Doek, hoogleraar jeugdrecht aan de VU, Jan Piebe Tjepkema, een student met ervaring in India, en de auteur van dit artikel. De aanvallende ploeg bestond uit Willy Wagemans van de FNV, Lilian Peters van het protestants-christelijk kinderfonds Kinderen in de Knel en Bert van Ruitenbeek van UNICEF-Nederland. Alle argumenten die in dit artikel zijn genoemd passeerden de revue. Interessant is de definitiekwestie: wat is een kind? Onder de 18 jaar volgens het VN-kinderrechtenverdrag of onder 15 jaar volgens ILO-verdrag 138. En naast deze juridisch-formalistische benadering is er een sociologische definitie: praten we over kinderen met alle aaibaarheidsfactoren die daarbij horen of hebben we het over pubers, adolescenten en jongeren? Niemand wil het emotie oproepende begrip kinderen koppelen aan het naar gezwoeg en uitbuiting riekende begrip arbeid. Anders klinkt het als we in plaats van over kinderarbeid praten over werkgelegenheid van jongeren.
Een stemming aan het begin van het debat leverde een meerderheid van 75 % voorstanders voor de stelling op. De uitslag van de stemming na het debat was ongeveer gelijk: het debat heeft niemand overtuigd, of het zou moeten zijn, dat evenveel voorstanders tegenstanders zijn geworden en andersom.




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 2 juni 2003