terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Utrechts Nieuwsblad, 14 oktober 1997      

Onderwijs in strijd tegen kinderarbeid

door:
Henk Boon

Eind februari vond in Amsterdam de grote internationale conferentie plaats over kinderarbeid, georganiseerd door de Nederlandse regering in samenwerking met de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Ruim een half jaar later ligt er nu de beleidsnotitie Kinderarbeid. Hierin geeft de regering richtlijnen voor het ondersteunen en uitvoeren van activiteiten ter bestrijding van kinderarbeid. De notitie vat de stand van zaken helder samen, maar scoort een onvoldoende waar het beleidsrichtlijnen betreft, stelt Henk Boon.

Over het begrip kinderarbeid bestaat nogal wat verwarring. De ILO maakt een onderscheid tussen twee verschillende vormen: kinderarbeid en kinderwerk. 'Kinderarbeid' staat een gezonde ontwikkeling van kinderen en het volgen van normaalonderwijs in de weg. Als leeftijdsgrens voor kinderarbeid hanteert de ILO 15 jaar. 'Kinderwerk' daarentegen is niet schadelijk en kan soms zelfs een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het kind. Het gaat hier om bijvoorbeeld lichte klusjes in de huishouding of in het familiebedrijfje, of - in een herkenbare Nederlandse situatie - een krantenwijk. In het onderstaande hebben we het niet over dit soort activiteiten, maar uitsluitend over kinderarbeid.
Beleidsstrategiën zouden zich dan ook moeten richten op de bestrijding van kinderarbeid. In Amsterdam werd al duidelijk dat internationale eensgezindheid zich hooguit beperkt tot de bestrijding van de 'meest uitbuitende' vormen van kinderarbeid zoals schuldslavernij, gedwongen arbeid, het gebruik van kinderen in de prostitutie, pornografie, drugshandel en gevaarlijk werk en werk in afzondering. Dit zijn voor een deel zaken die, net als hier, ook in de meeste ontwikkelingslanden onder het strafrecht vallen. Ze hoeven dus niet uitsluitend op arbeidsrechtelijke gronden te worden aangepakt. De leeftijdsgrens voor deze vormen stelt men niet op 15, maar op 18 jaar. Ook al het werk verricht door kinderen beneden de 12 jaar behoort tot de categorie 'meest uitbuitende' kinderarbeid.
In de beleidsnotitie geeft de Nederlandse regering aan dat ook wat haar betreft de bestrijding en preventie van de 'meest uitbuitende' vormen van kinderarbeid de grootste prioriteit heeft. Daarmee stelt de regering impliciet dat er in ieder geval zo snel mogelijk verplicht onderwijs zou moeten komen voor alle kinderen onder de twaalf. Andere, 'minder schadelijke' vormen van kinderarbeid moeten ook voorkomen worden, maar het streven naar onmiddellijke uitbanning van alle kinderarbeid acht Den Haag gezien de omvang van het probleem niet reëel. Voor deze vormen beoogt de regering "een tijdpad voor beleid voor preventie en bestrijding" te ontwikkelen.
Door de focus op de 'meest uitbuitende' vormen van kinderarbeid, dreigt de strijd tegen andere vormen van kinderarbeid echter te veel op de lange baan te raken. Van uitstel komt wellicht afstel en daarmee ligt het gevaar van maatschappelijke acceptatie van de 'minder schadelijke' vormen van kinderarbeid op de loer. Dat is ernstig omdat veel van de naar schatting 250 miljoen werkende kinderen in de wereld niet in de 'meest uitbuitende' vorm werken, maar niettemin ernstig in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad worden.
Onmiddellijke uitbanning van kinderarbeid mag dan niet reëel zijn, met haar stellingname dat "het uiteindelijke streven erop gericht moet zijn de toegang tot leren tot tenminste het vijftiende jaar voor iedereen open te stellen" zet de regering wel erg laag in. 'Open stellen' is iets anders dan daadwerkelijk naar school gaan. Bovendien stelt de notitie dat, zolang dit geen optie is, er onder meer gekeken moet worden naar de mogelijkheden school en arbeid te combineren. De regering wil in haar eigen woorden "rekening houden met kinderen die hebben aangeven dat ze graag werken." Dat druist echter in tegen het idee van leerplicht en de constatering, eerder in dezelfde notitie, dat de welvaart in Nederland pas na, en mede als gevolg van de afschaffing van kinderarbeid toenam. In de praktijk blijkt bovendien dat niet-regulier of niet-formeel onderwijs aan kinderen, in de avonduren na een (zware) dagtaak, geen volwaardig alternatief is. De kinderen zijn vaak te moe om zich te concentreren en lopen toch een forse onderwijsachterstand op, ook al hebben ze zelf aangegeven te kiezen voor een combinatie van werk en scholing.
De vraag is met andere woorden in hoeverre kinderen zelf goed in staat zijn de lange-termijnbelangen van henzelf en die van de maatschappij in haar geheel in het oog te houden. Westerse landen hebben hun werkende kinderen ook niet geconsulteerd toen ze kinderarbeid afschaften en leerplicht invoerden. Ook minder 'uitbuitende' vormen van kinderarbeid leiden later tot een minder goed opgeleide en minder gezonde beroepsbevolking. De Nederlandse regering onderkent dit zelf ook, want in de inleiding van de notitie stelt ze dat "kinderarbeid getuigt van economische kortzichtigheid met schadelijke gevolgen voor de duurzame sociaal-economische ontwikkeling van landen." De logische conclusie zou dan ook zijn dat niet alleen de meest uitbuitende vormen van kinderarbeid, maar ook de 'minder schadelijke' vormen krachtdadig beleid verdienen. Universele leerplicht voor alle kinderen beneden de 15 zou het centrale uitgangspunt van zo'n beleid moeten zijn, dus gericht op alle vormen van kinderarbeid.
Het invoeren van dergelijk verplicht onderwijs kost uiteraard veel geld en is dan ook niet een, twee, drie te verwezenlijken. Miljarden zijn nodig voor extra scholen, leerkrachten en onderwijsmiddelen. De Unesco (de VN-organisatie voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur) schat dat om in het jaar 2000 regulier onderwijs voor ieder kind in de schoolgaande leeftijd te garanderen, de ontwikkelingslanden tezamen jaarlijks tussen de drie en zes miljard dollar extra aan onderwijs zouden moeten besteden. Ook moet er zonodig compensatie in geld en/of werkgelegenheid komen voor ouders op het moment dat hun kinderen stoppen met werken en naar schoolgaan.
Een vergelijking met de bedragen die worden uitgegeven aan bewapening, zet het 'kostenplaatje' echter in een totaal ander daglicht. Veel landen besteden meer aan defensie dan aan onderwijs. In een land als Pakistan liggen deze uitgaven bijvoorbeeld op zeven procent van het BNP (bruto nationaal product) voor defensie en drie procent voor onderwijs. Jaarlijks wordt wereldwijd zo'n 800 miljard dollar aan bewapening uitgegeven. Als de wereld de keuze zou maken om een procent van die gelden in het onderwijs te steken, zou dat dus al voldoende middelen vrijmaken voor regulier onderwijs aan alle kinderen. Daarmee zou het einde van kinderarbeid eindelijk in zicht komen.
Deze keuze vereist onder meer een belangrijke cultuuromslag in de ontwikkelingslanden zelf, waardoor het niet langer als normaal gezien wordt dat talloze kinderen voor een habbekrats (en in veel gevallen zonder loon) werken, veel van hun ouders werkloos langs de kant zitten en er tegelijkertijd ruim middelen naar het militaire apparaat vloeien. Nederland en andere rijke landen zouden onderwijs (voor kinderen tot 15 jaar) op hun beurt nog meer en ondubbelzinniger dan tot nu toe tot speerpunt moeten maken van hun ontwikkelingsbeleid. Kinderen horen niet in de steengroeve of achter het weefgetouw, maar gewoon in de schoolbanken. En dat niet vermoeid in de avonduren, maar fris en overdag.

Drs Henk Boon is werkzaam bij de Landelijke India Werkgroep en
verbonden aan Stichting Sauvy voor Derde-Wereldjournalistiek en Interculturele Informatie



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 17 juni 2003