terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Algemeen Dagblad, 29 mei 1998      

Armoede geen excuus voor kinderarbeid

door:
Gerard Oonk

De belangrijkste oorzaak van de toename van kinderarbeid is armoede. Het zijn veelal kinderen uit de armste lagen van de bevolking die moeten werken om te kunnen overleven.' Dat staat in de Beleidsnotitie Kinderarbeid, die vorig jaar door het kabinet is uitgebracht.

Deze onjuiste opvatting dreigt het ontwikkelingsbeleid ten aanzien van kinderarbeid en basisonderwijs op het verkeerde been te zetten. Juist nu de Wereldmars tegen Kinderarbeid morgen haar eindpunt in Genève bereikt, waar door de Internationale Arbeidsorganisatie wordt gepraat over een nieuw verdrag tegen extreme vormen van kinderarbeid, is het belangrijk dat Nederland op een effectieve manier gaat bijdragen aan de bestrijding van kinderarbeid en het recht op onderwijs voor elk kind.
Neem India. Van de kinderen tussen de 6 en 14 jaar gaat ongeveer de helft niet naar school. Voor meisjes ligt dat percentage zelfs op ruim 60. Op het platteland gaan nog minder meisjes naar school. Het gevolg van armoede?
Een recent onderzoek op het platteland van Noord-India biedt een heel ander beeld. Het blijkt dat vooral de slechte kwaliteit van het openbaar onderwijs de ouders ervan weerhoudt om hun kinderen naar school te sturen. Een derde van de niet-schoolgaande kinderen werkt niet eens.
In het algemeen bestaat een plattelandsschool uit twee klaslokalen met een lekkend dak, een schoolbord en een tafel en stoel voor de onderwijzer. Gemiddeld zijn er 5o kinderen per onderwijzer. Vaak meer. De onderwijzers zijn vaak afwezig en besteden, als ze er zijn, weinig tijd aan lesgeven. Orde handhaven heeft de hoogste prioriteit. De meest gebruikte lesmethode is kopiëren van het schoolbord of uit boeken. Er zijn heel weinig leermiddelen. Geen wonder dat de meerderheid van kinderen die aan de basisschool begint binnen drie jaar de school verlaat.
Zijn arme ouders die vaak zelf niet kunnen lezen en schrijven niet geïnteresseerd in onderwijs voor hun kinderen? Welzeker. Het blijkt dat 95% van de ouders onderwijs voor hun zoons belangrijk vindt. Ondanks de achterstelling van meisjes ligt dat percentage voor hen toch nog op 90. Verreweg de meeste ouders zijn zelfs van mening dat basisonderwijs in India verplicht zou moeten zijn, hetgeen nu niet het geval is. Ook de armen zijn zich er zeer van bewust dat onderwijs hun kinderen meer toekomstmogelijkheden geeft en een kans om te ontsnappen uit de vicieuze cirkel van armoede, onwetendheid en afhankelijkheid van de hogere kasten (vaak tevens hun werkgevers).
Het werk van diverse ontwikkelingsorganisaties heeft laten zien dat armoede geen doorslaggevende belemmering hoeft te zijn voor deelname van hun kinderen aan het basisonderwijs en het uitbannen van kinderarbeid. De M. Venkarangaiya Stichting in de deelstaat Andhra Pradesh heeft in enkele jaren tijd 50.000 kinderen aan veelal fulltime werk onttrokken en laten instromen in het (met inzet van ouders, onderwijzers en jongeren) verbeterde plaatselijke dagonderwijs. De meesten van hen zijn kinderen van kastelozen, landarbeiders en dagloners.
Het wegvallen van het inkomen van hun kinderen en de extra kosten die de school met zich meebrengt, is soms een probleem. Bijna alle ouders waren echter bereid en in staat om dat op te vangen, toen duidelijk werd dat hun kinderen op een behoorlijk functionerende school terechtkonden. Bovendien bleek dat de ouders hun werkgevers met succes om meer loon konden vragen, doordat grote groepen 'goedkope' kinderen niet meer voor het werk beschikbaar waren.
Maar is India als land niet te arm om zich basisonderwijs voor alle kinderen te kunnen veroorloven? De deelstaat Kerala, een van de armere gebieden van India, heeft het tegendeel bewezen. Meer dan 90% van de kinderen tussen de 6 en 14 jaar gaat naar school en kinderarbeid is sterk teruggedrongen. Dat komt doordat de overheid van Kerala veel meer in onderwijs en andere sociale sectoren heeft geïnvesteerd dan de meeste andere deelstaten. Ook in de deelstaat Himachal Pradesh, in de jaren 50 nog een achterstandsgebied, gaan nu bijna alle kinderen tussen de 6 en 12 jaar naar school.
Kerala en Himachal Pradesh laten zien waar het probleem zit: gebrek aan politieke wil. De rijken en hogere kasten hebben de meeste invloed op de regering. Zij zijn niet erg geïnteresseerd in onderwijs voor de armen en kastelozen. Onderwijs maakt de armen maar opstandig en wellicht willen ze dan het vuile en zware werk niet meer (bijna voor niets) doen.
De zwakke wet tegen kinderarbeid wordt dan ook nauwelijks nageleefd, hoewel de grondwet van 1950 bepaalt dat in 1960 ieder kind op school zou moeten zitten. Regeringen in New Delhi kondigen al jaren aan dat de uitgaven voor onderwijs moeten stijgen tot 6% van het Bruto Nationaal Product, waarvan de helft aan het basisonderwijs besteed zou moeten worden. In de praktijk werd in 1996 3,1% van het BNP aan onderwijs besteed, waarvan ruim 60% aan het middelbaar en hoger onderwijs.
Vooral de elite en de middenklasse profiteren van het onderwijsbudget. Zij kiezen voor, deels door de overheid gesubsidieerde, privéscholen. Het openbaar onderwijs is de vergaarbak voor de armen geworden. Er zijn te weinig onderwijzers en geld voor onderwijsmateriaal en onderwijsverbetering is er nauwelijks. De onterechte veronderstelling dat armoede de belangrijkste oorzaak van kinderarbeid is, leidt in de Beleidsnotitie Kinderarbeid tot de conclusie dat 'een aanpassing van het curriculum en de lestijden gewenst is, opdat deze kinderen werk en opleiding kunnen combineren'. Uitvoering van deze opvatting zou bijdragen aan versterking van de tweedeling in het onderwijs en continuering van kinderarbeid. Alleen het toegankelijk maken van dagonderwijs voor ieder kind kan die tweedeling tegengaan.

Nederland kan daaraan een bijdrage leveren. In het kader van de Wereldmars tegen Kinderarbeid pleiten 23 organisaties, waaronder de Landelijke India Werkgroep, er voor om de hulp voor het basisonderwijs in ontwikkelingslanden te verdubbelen en te combineren met programma's om werkende kinderen op school te krijgen. Den Haag maakt die keus niet. Onder druk van de Tweede Kamer is de hulp voor basisonderwijs onlangs weliswaar verhoogd van 110 tot 130 miljoen gulden, maar gezien de beleidsnotitie lijkt het er op dat het kabinet voor werkende kinderen genoegen neemt met tweederangs onderwijs.



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 23 juni 2003