terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Utrechts Nieuwsblad, 12 juni 1998      

Verdrag tegen kinderarbeid noodzaak

door:
Ad Melkert

De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) vergadert van 2 - 18 juni over een nieuw verdrag over extreme vormen van kinderarbeid. Sommige betrokkenen in Nederland betoonden hierover eerder scepsis, daaronder vertegenwoordigers van de Landelijke India Werkgroep op deze pagina van afgelopen woensdag. Minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deelt deze scepsis niet. Hij ziet het verdrag dat in 1999 tot stand komt, juist als een noodzakelijke aanvulling in de strijd tegen alle onaanvaardbare vormen van kinderarbeid.

Kinderarbeid ontneemt een kind zijn of haar recht op ontplooiing door te spelen, te leren en zonder zorg op te groeien. Kinderarbeid emotioneert velen, mij ook. Maar een effectieve aanpak is er daarmee nog niet. De praktijk is te weerbarstig om op korte termijn alle problemen rondoml kinderarbeid op te lossen. Een voorbeeld. Medio 1997 vreesden kledingfabrikanten in Bangladesh een boycot van Europese en Amerikaanse consumentenorganisaties omdat zij minderjarige kinderen in hun ateliers lieten werken. Die werden rigoureus op straat gezet, waarna veel kinderen onder barre omstandigheden en voor een paar grijpstuivers in de straathandel terecht kwamen en ook kinderen noodgedwongen in de prostitutie belandden.
Daarmee vervielen zij in omstandigheden waarover de ILO dezer dagen vergadert: extreme vormen van kinderarbeid. Daarbij gaat het om schuldslavernij, kinderpornografie en -prostitutie en werk in gevaarlijke, ongezonde omstandigheden. Voor de Nederlandse regering zijn leerplicht en de verplichtingen uit internationale verdragen over onderwijs van doorslaggevend belang bij het bepalen van beleid tegen kinderarbeid. Maar dat wil niet zeggen dat je de realiteit uit het oog moet verliezen. Of moet je de strijd tegen kinderarbeid opschorten tot er overal voldoende onderwijsfaciliteiten zijn?
Je kunt kinderen niet domweg verbieden te werken en in plaats daarvan naar school sturen. Want, zoals een rapporteur van de ILO eens schreef: "In veel ontwikkelingslanden is geen nice school around the corner". Om maar te zwijgen over de talloze gezinnen die het nog steeds niet kunnen redden zonder een inkomensbijdrage van de kinderen.
Kun je er dan niet beter van uitgaan om als dat mogelijk is leren en werken te combineren, op voorwaarde dat het niet gaat om extreme vormen van kinderarbeid? Op die manier kun je kinderarbeid ook zichtbaar proberen te houden. Want een flink deel van de arbeid waar naar schatting zo'n 250 miljoen kinderen over de gehele wereld aan zijn onderworpen krijgt zijn trieste beslag achter de gesloten deuren van de thuisarbeid. En wie weet hoeveel jonge meisjes een slavenbestaan in het huishouden leiden die mag het zeggen.
Het is waar dat we absoluut niet tevreden kunnen zijn over de resultaten van conventies die in het kader van de ILO zijn ondertekend. Zoals verdrag 138 uit 1973 waarin onder kinderarbeid wordt verstaan alle vormen van werk die een gezonde ontwikkeling van kinderen en het volgen van onderwijs in de weg staan en waaraan een leeftijdsgrens van 15 jaar is gesteld. Verdrag 138 is helaas nog door veel te weinig landen geratificeerd en daardoor in de praktijk krachteloos. Toch ben ik niet pessimistisch, want de jarenlange, moedeloos makende strijd tegen kinderarbeid heeft een kentering ondergaan die wel degelijk uitzicht biedt op betere resultaten.
Die kentering werd zichtbaar in december 1996 in Singapore, waar op de daar gehouden conferentie van de World Trade Organization (WTO) werd vastgesteld dat handelsliberalisatie niet los kan worden gezien van de sociale en de ecologische omstandigheden waaronder goederen worden geproduceerd. Onder aanvoering van Maleisië bleken grote landen als Pakistan en India bereid te praten over vermindering van de excessen rond kinderarbeid.
In feite kwam daar in Singapore een ruil tot stand: de westerse landen zouden op de WTO-conferenties niet steeds dreigen met handelsancties op voorwaarde dat ontwikkelingslanden fundamentele werknemersrechten (waaronder vermindering van kinderarbeid) zouden verbeteren en kinderarbeid verminderen. Op het nakomen van die voorwaarde zou door de ILO worden toegezien.
Aan die ruil zat wel een dreigement vast: mocht de ILO onvoldoende voortgang boeken om aan die voorwaarde te voldoen dan zouden de onderwerpen werknemersrechten en kinderarbeid onverwijld op de WTO-agenda terugkeren. Op die manier kan welbegrepen eigenbelang een motor worden in de strijd tegen sociale misstanden. Dat is een conclusie waar je verdrietig van kunt worden, maar je kunt er ook voordeel uit halen: dat door een combinatie van verontwaardiging over sociaal onrecht en het economisch eigenbelang er een beter klimaat is ontstaan om effectiever actie te ondernemen dan lange tijd het geval is geweest.
Onze eigen geschiedenis leert dat het nog niet eens zo lang geleden is dat Nederlandse kinderen arbeid verrichtten op het land en in fabrieken. Maar mede dankzij de economische ontwikkeling zijn die omstandigheden in de tijd gezien snel aan de kaak gesteld en werd men verplicht hierin verandering aan te brengen. Die ontwikkeling ligt ook in het verschiet voor landen waar kinderarbeid nu nog een probleem is. En meer dan voorheen is er nu aanleiding om landen aan te spreken of zij hun middelen niet beter voor nuttiger doelen kunnen aanwenden dan het houden van kernproeven.

Ad Melkert is minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid




LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 23 juni 2003