terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Reformatorisch Dagblad, 18 juli 1998      

Melkert tevreden over nieuw verdrag tot uitbanning "ergste vormen"

Strijd tegen kinderarbeid raakt in stroomversnelling

door:
Henk Boon

Wereldwijd werken er volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) naar schatting 250 miljoen kinderen. Het gaat dan om arbeid die een gezonde, normale ontwikkeling van het kind in de weg staat en niet om licht werk of klusjes die gemakkelijk na schooltijd kunnen worden verricht. Velen van die 250 miljoen kinderen werken zelfs onder extreme omstandigheden, bijvoorbeeld in gevaarlijke industrieën of in (schuld)slavernij.

Na tal van campagnes van maatschappelijke organisaties in Noord en Zuid, een Wereldmars legen Kinderarbeid en twee voorbereidende conferenties in Amsterdam en Oslo, hebben de vertegenwoordigers van regeringen, werkgevers en werknemers tijdens de onlangs gehouden grote internationale arbeidsconferentie van de ILO in Gen&erave;ve een principeovereenstemming bereikt over een verdrag ter uitbanning van de "ergste vormen van kinderarbeid".
De teksten gaan nu terug naar de verschillende ILO-lidstaten. Volgend jaar moet er dan een definitief verdrag uitrollen, dat een grote kans maakt op een brede ratificatie. Ad Melkert, minister van sociale zaken en werkgelegenheid in het eerste paarse kabinet en de kersverse fractievoorzitter van de PvdA, is een van de mensen die in internationaal verband het voortouw hebben genomen om tot dit verdrag te komen. "Ik ben tevreden over het resultaat. Maar we zijn nog pas halverwege de vaststelling van de conventie en er ontbreken nog wel een paar dingen," zegt de bewindsman.

Sterk punt
Het nieuwe verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid is zeker niet het eerste verdrag dat betrekking heeft op kinderarbeid. ILO-conventie nummer 138 is van toepassing op alle jeugdige personen die beneden een bepaalde minimumleeftijd arbeid in en buiten dienstverband verrichten. Het verdrag is echter algemeen van aard en het biedt weinig handelingsperspectief. Ook de verdragen inzake de Rechten van het Kind en inzake Economische, Sociale en Politieke Rechten moeten kinderen vrijwaren van economische en sociale uitbuiting.
Volgens Willy Wagenmans van de FNV, lid van de internationale werknemersdelegatie in Genève, is het nieuwe verdrag dan ook duidelijk complementair. "Het nieuwe verdrag moet iets extra's bieden om kinderarbeid te bestrijden en de aanzet geven voor een bespoediging van de ratificatie van conventie 138".
Ook Melkert ziet het nieuwe verdrag duidelijk als een noodzakelijke aanvulling op de al bestaande verdragen tegen alle onaanvaardbare vormen van kinderarbeid. De angst van sommige maatschappelijke organisaties dat een verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid de aandacht van andere, 'minder erge' maar eveneens onaanvaardbare, vormen van kinderarbeid afleidt en dat deze daardoor op termijn wellicht maatschappelijk aanvaard worden, acht hij ongegrond.
Melkert: "Een sterk punt van het nieuwe verdrag is het toespitsen van de eerste actie en aandacht op de ergste en meest uitbuitende vormen van kinderarbeid. 'First things first', maar tegelijkertijd is conventie 138 volledig intact gebleven. We wilden vermijden dat het nieuwe verdrag in de plaats zou treden van 138. Dat is wel een zwaar gevecht geweest, want niet weinig landen zagen het als een mooie gelegenheid om van de ongewenste conventie 138 af te komen. Maar dat was natuurlijk nooit de bedoeling".

India
Een van de landen die conventie 138 ongewenst vinden en niet hebben geratificeerd, is India. In Genève stelde het land zich zeer actief op in de onderhandelingen en voerde de Indiase delegatie dikwijls het woord voor verscheidene ontwikkelingslanden. Dat is niet toevallig: alleen al door de grote omvang van het probleem neemt het Zuid-Aziatische land een bijzondere plaats in. Van alle werkende kinderen in de wereld leeft naar schatting een kwart in India.
Kinderarbeid valt volgens de Indiase delegatie dan ook niet weg te denken uit de Indiase samenleving, en het hoeft ook helemaal niet altijd nadelig te zijn. "Een andere dimensie van kinderarbeid is de traditie van het overdragen van vaardigheden van de ene generatie op de andere. Het is noodzakelijk combinaties van werk, school en beroepsonderwijs te ontwikkelen die met deze dimensie rekening houden", stellen de Indiase gedelegeerden.
Wat de ergste vormen van kinderarbeid betreft, acht de Indiase regering "onmiddellijke uitbanning" niet mogelijk, maar een "onmiddellijk verbod" is wel mogelijk, aldus de Indiase delegatie in Genève. Wrang genoeg is in India kinderarbeid in gevaarlijke industrieën wettelijk al lang verboden, maar werken er nog altijd miljoenen kinderen in bijvoorbeeld gevaarlijke glas-, lucifer- en vuurwerkfabrieken of zelfs in asbestmijnen.

Ergste vormen
Die kritiek komt niet alleen uit de hoek van westerse landen, maar ook vanuit Indiase maatschappelijke organisaties. Het is anders gezegd zaak via een internationaal ILO-verdrag in de eerste plaats te streven naar onmiddellijke uitbanning, in de zin van "zo snel mogelijk" of "zonder uitstel", en niet zozeer naar een internationaal verbod van wat nationaal toch al verboden is. De uitkomst van deze semantische discussie in Genève is dat nu in de preambule van de verdragstekst wordt gesproken van "een verbod en onmiddellijke en veelomvattende actie tot uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid".
Belangrijker is, wat nu precies onder de ergste vormen van kinderarbeid moet worden verstaan. In de nieuwe conventie vallen daaronder alle vormen van slavernij of praktijken die daarmee vergelijkbaar zijn, zoals kinderhandel, gebonden of dwangarbeid, schuldslavernij en lijfeigenschap.
Ook misbruik van kinderen voor prostitutie, pornografie en illegale activiteiten als productie, handel en vervoer van drugs valt onder de ergste vormen van kinderarbeid. Dit geldt ook voor elk type arbeid of activiteit die door haar aard of de omstandigheden waaronder ze uitgevoerd wordt, schadelijk is voor de gezondheid, veiligheid of morele waarden van een kind.
Over deze vormen bestaat er het meest internationale overeenstemming en is dus een brede ratificatie haalbaar. De leeftijdsgrens ligt op achttien jaar. Volgens Willy Wagenmans zijn de problemen zo ernstig en het internationale bewustzijn zozeer toegenomen, dat instrumenten tot onmiddellijke opheffing van deze vormen niet langer kunnen uitblijven.

Rol van onderwijs
Anders ligt het bij de rol van het onderwijs. Met deze definitie is voorbijgegaan aan een belangrijke wens van de organisatoren van de Wereldmars tegen Kinderarbeid, die al het werk dat de toegang van kinderen tot normaal, regulier basisonderwijs verhindert, ook tot de ergste vormen van kinderarbeid willen rekenen.
Maar deze eis is volgens de 'realo' Melkert politiek gezien niet haalbaar, vanwege de vrees van veel ontwikkelingslanden voor een veel te brede definitie en het feit dat kinderarbeid zich in veel economieën moeilijk laat wegdenken. "Ik vond de kracht van de Wereldmars dat de schreeuw tot toegang tot onderwijs er zo tot uitdrukking kwam. We hebben zelf een afweging gemaakt over de wijze waarop je door toevoegen van deze eis de ondersteuning van de conventie zou bemoeilijken. We hebben dat ook de doorslag laten geven om "onvoldoende toegang tot onderwijs" nadrukkelijk als alternatief aan te geven, maar het niet dezelfde status te geven als de ergste vormen van kinderarbeid zoals die in de definitie zelf staan", vindt Melkert, die dit omschrijft als de fijngevoeligheid in de diplomatie. "Het komt er op aan veel handtekeningen van landen onder het verdrag te krijgen. Het eenvoudigweg tevredenstellen van ons eigen gevoel volstond daarbij niet".
Dat neemt volgens hem niet weg dat onderwijs in het verdrag toch een belangrijke plaats heeft gekregen. "Er zit een duidelijke koppeling tussen de strijd tegen de meest uitbuitende vonnen van kinderarbeid en de alternatieven die moeten worden geboden, zoals in de sfeer van het onderwijs. Ik vind dat we daar een goede basis hebben gelegd".

Praktische steun
Dat onderwijsalternatief is een van de punten die bijdragen aan het handelingsperspectief van het nieuwe verdrag. Daartoe behoort ook zeker de mogelijkheid tot "monitoring" of toetsing op naleving van het verdrag.
Wat Melkert betreft moet je het echter niet alleen laten bij wat moet en wat niet mag, maar moeten de rijke landen ook met praktische steun over de brug komen: "Ik denk dan bijvoorbeeld aan de beschikbaarstelling van deskundigheid op het gebied van arbeidsinspectie. We hebben dat - op overigens zeer bescheiden schaal - gedaan in Bangladesh. Ik ben eind vorig jaar op bezoek geweest bij mijn collega daar, in het bijzonder met het oog op de voortgang van de strijd tegen kinderarbeid, en bij die gelegenheid is ook afgesproken dat er bilateraal, dus tussen onze beide ministeries, opleiding tot arbeidsinspecteur mogelijk wordt gemaakt".
Als andere concrete maatregel noemt Melkert meer steun voor basisonderwijs in het kader van ontwikkelingssamenwerking: "Ik prijs me gelukkig dat ik samen met mijn collega Jan Pronk de afgelopen tijd afspraken hierover heb gemaakt waarin wordt gegarandeerd dat kinderarbeid en de onderwijsdoelstelling echt een sterke plaats zullen behouden, dan wel een sterkere plaats zullen krijgen in het geheel van de ontwikkelingssamenwerking".

Ontbrekende schakels
Minder tevreden is Melkert over het feit dat non-gouvernementele organisaties (ngo's) op het gebied van kinderarbeid, mensen(kinder)rechten en onderwijs er in het nieuwe verdrag bekaaid afkomen. Hier zitten vooral de ontbrekende schakels. "Ik doel daarmee op het punt hoe je de principebenadering, die er behoorlijk in zit, moet omzetten in actie. Hoe sla je een brug tussen regering en ngo's?".
Ngo's zijn van groot belang, juist omdat veel kinderen in de informele sector werken, waar de invloed van regering en de 'formele' sociale partners (vakbonden en werkgeversorganisaties) gering is. Ngo's en overheid moeten hier volgens Melkert samenwerken. "Ngo's kunnen sommige dingen doen die regeringen niet kunnen en omgekeerd, zeker ook in de sfeer van het bieden van alternatieven, onderwijs en werk, maar dan licht werk, met veel meer begeleiding en gericht op het bieden van echte omwikkelingsperspectieven. Daar zal meer over moeten worden afgesproken. We zouden graag zien dat dit in de uiteindelijke conventie, die volgend jaar aan de orde is, ook nadrukkelijk wordt uitgesproken".

Verspilling van talent
Het zal aan Melkerts opvolger op Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn een serieuze poging te doen dit hiaat opgevuld te krijgen en de stem van de ngo's in het definitieve verdrag te laten doorklinken. Zelf is hij daar redelijk optimistisch over. Binnen de ILO krijgt men er naar zijn mening steeds meer oog voor dat behalve regeringen, werkgevers en werknemers, ook ngo's een onmisbare partij zijn als het gaat om het oplossen van enorme sociaal-maatschappelijke problemen als kinderarbeid. En dan gaat het ook over de iets 'minder erge' vormen.
Melkert: "Laat er geen misverstand over bestaan: uiteindelijk is kinderarbeid een verspilling van talent. Ik geneer me ook nooit - ook niet als ik in Bangladesh ben - om uitgebreid te vertellen over onze eigen ervaring, hoe kinderarbeid in Nederland is uitgebannen en hoe dit heeft bijgedragen aan een enorme versnelling in de welvaart en ontwikkeling van de bevolking. Het is dus een "no win"-situatie voor landen die veel kinderarbeid laten voortbestaan. De bewijslast dat die landen hun eigen omwikkeling in de weg staan, is overweldigend. Dat is tragisch, en tegelijk motiverend om bij te dragen aan het zoeken naar een oplossing".

De auteur is werkzaam bij de Landelijke India Werkgroep



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 15 juli 2004