terug
Dit artikel verscheen onder de kop 'Bedrijven zijn niet zo gevoelig' in de Volkskrant, 9 januari 2001      


SER zet met kunstgrepen overheid buitenspel
bij verantwoord ondernemen

door:
Gerard Oonk en
Gemma Crijns

SER-voorzitter Wijffels gaat er van uit dat bedrijven in hoge mate gevoelig zijn voor schade aan hun reputatie. Gemma Crijns en Gerard Oonk hebben daar, wijzend op de Indiase praktijk, hun twijfels bij. Bedrijven doen nog bar weinig aan verantwoord ondernemen.

Hoe is SER voorzitter Wijffels (Volkskrant Forum, 27 december 2000) er in geslaagd om de vakbeweging, de werkgevers en enkele onafhankelijke deskundigen unaniem achter een advies over maatschappelijk verantwoord ondernemen te krijgen? Het gaat tenslotte om een onderwerp waarover vakbeweging en werkgevers nogal verdeeld zijn. In een interview in het Financieele Dagblad lichtte Wijffels zelf een tip van de sluier op. Door maatschappelijk ondernemen - niet alleen aandacht voor winst, maar ook voor mens en milieu - te bestempelen tot kernactiviteit van de onderneming 'had ook de vakbeweging weer haar plaats'. Er kan nu via het CAO-overleg over worden gesproken. Daarmee 'was het plaatje als het ware compleet en viel alles relatief makkelijk in een plooi', liet Wijffels weten.
   In het SER advies zijn drie kunstgrepen toegepast om een consensus tussen de verschillende partijen te vergemakkelijken. Deze kunstgrepen zijn gebaseerd op onjuiste vooronderstellingen en leiden bijna vanzelf tot de belangrijkste conclusie die vooral de werkgevers en de regering bevalt: geen nieuwe regelgeving door de overheid.

De eerste kunstgreep betreft de veronderstelling dat het niet alleen wenselijk is dat ondernemingen goed zorgen voor mens en milieu, maar dat dit in de praktijk ook echt gebeurt. Die gedachte levert interessante passages op over gedragscodes, richtlijnen en bedrijven die zich maatschappelijk extra inspannen, maar nergens wordt nagegaan hoe groot de kloof nog is tussen het gewenste gedrag van ondernemingen en de praktijk. In zijn artikel stelt Wijffels, in een stijl die geen onderscheid maakt tussen norm en praktijk, dat ondernemingen alle externe en langetermijneffecten van beleid voor winst, mens en milieu doordenken en daarop vervolgens actie ondernemen.
   Hebben wij iets gemist? Het gedrag van ondernemingen rond arbeids- en mensenrechtenkwesties in het buitenland bestaat, enkele uitzonderingen daargelaten, nog hoogstens uit goede intenties op papier. Zo toont een recent onderzoek naar gedragscodes van Nederlandse kledingbedrijven aan dat fundamentele arbeidsnormen als vakbondsvrijheid en het recht op een arbeidscontract, vaak in de code ontbreken.
   De meeste gedragscodes zeggen niets over uitbesteding door (hoofd)leveranciers aan kleine naaiateliers en thuiswerksters, terwijl juist daar de lonen het laagst en de arbeidsomstandigheden het slechtst zijn. In India bleek dat leveranciers van deze kledingbedrijven de gedragscodes, door het ontbreken van onafhankelijke controle, niet of slechts gedeeltelijk uitvoeren.
   Het kan nog krasser: in strijd met een formeel contract tussen de FIFA en bedrijven die voetballen in India laten maken, verdienen de Indiase voetbalmakers minder dan de helft van het officiële minimumloon. Bedrijven zijn toch blijkbaar minder gevoelig voor het 'reputatie-mechanisme' dan Wijffels veronderstelt of nemen vooral hun toevlucht tot het 'public relations-mechanisme'.
   Wijffels stelt ook dat veel grote bedrijven al een bredere dan de wettelijk voorgeschreven verslaglegging hebben. Met uitzondering van veelal summiere informatie van een handvol bedrijven, zijn ons echter geen verslagen van bedrijven bekend over hun aanpak van arbeids- en mensenrechtenkwesties in het buitenland. Zelfs met de milieurapportage van bedrijven schiet het niet op vindt de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling (VBDO). Elk jaar komt er ongeveer één bedrijfsbreed milieuverslag bij. Volgens directeur Sprengers van de VBDO doet de meerderheid van de bedrijven niets als het niet verplicht is.

Een tweede kunstgreep van het SER-advies is dat er nauwelijks onderscheid wordt gemaakt tussen de nationale en de internationale dimensie van maatschappelijk verantwoord ondernemen. De beschrijving van de Nederlandse verhoudingen wordt, meestal impliciet, ook toegepast op de internationale dimensie. Een analyse van het snel groeiende internationale speelveld van Nederlandse ondernemingen ontbreekt. Toch was dit 'snijvlak van internationaal ondernemen en maatschappelijke thema's zoals arbeidsnormen, milieu en mensenrechten', zoals staatssecretaris Ybema het omschreef, een belangrijke reden voor de adviesaanvraag aan de SER.
   Het ontbreken van onderscheid tussen nationaal en internationaal ondernemen heeft directe gevolgen voor het beleid. De nu gehanteerde 'polderanalyse' gaat er van uit dat ondernemingen en maatschappelijke organisaties er samen wel uitkomen en dat overheidsregulering overbodig is.
   Ten onrechte. In Nederland zijn fundamentele arbeidsrechten wettelijk geregeld, terwijl deze in ontwikkelingslanden door bedrijven vaak ongestraft kunnen worden geschonden, vooral waar wetgeving en/of controle daarop ontbreekt. Nederland heeft tal van verdragen van de Internationale Arbeids Organisatie (ILO) onderschreven. Het recht op vakbondsvrijheid en collectieve onderhandeling, het verbod op dwang- en kinderarbeid en non-discriminatie op de werkplek worden zelfs beschouwd als fundamentele, universeel geldige normen. De ILO verdragen worden bindend geacht voor werkgevers en werknemers. Een probleem is dat juridische mechanismen om zo nodig naleving door internationaal opererende ondernemingen af te dwingen nog ontbreken. De Nederlandse overheid is echter partij bij deze verdragen en verplicht te zorgen voor beleid en regelgeving, zodat Nederlandse bedrijven zich aan de afgesproken normen houden. De SER draait de klok terug door alle vormen van maatschappelijk ondernemen - van lesgeven in de tijd van de baas aan middelbare scholieren in Nederland tot uitbetaling van 'leefbare' lonen in India - op een hoop te gooien én de uiteindelijke keus voor al deze zaken bij de ondernemer te leggen. Zo mag de ondernemer van de SER zelf kiezen of een fundamentele recht als vakbondsvrijheid in zijn/haar gedragscode worden opgenomen.

De analyse van de SER bevat nog een derde 'kunstgreep'. Maatschappelijke organisaties krijgen samen met de vakbeweging van de SER een hoofdrol toebedeeld om bedrijven aan te zetten tot verantwoord ondernemen. De veronderstelling is dat deze organisaties dat ook aankunnen. Het vreemde is dat maatschappelijke organisaties zelf nauwelijks over het advies zijn geconsulteerd. Er is één gesprek geweest met de SER voorzitter, waaraan ondergetekenden hebben deelgenomen. De hoofdlijnen en conclusies van het advies lagen toen echter al vast. Bij de SER is bekend dat een groot aantal mensenrechten-, ontwikkelings- en fair trade-organisaties direct betrokken zijn bij verantwoord ondernemen. Zij leveren expertise, werken op aan eerlijke handel, gedragscodes en keurmerken en fungeren als pressiegroep. Juist deze organisaties hebben de afgelopen jaren regelmatig bij de politiek aangedrongen op een veel actiever overheidsbeleid om de resultaten van hun werk 'op te schalen'. Het wordt daarom tijd dat het klassieke overleg in de SER over onderwerpen die veel verder gaan dan de Nederlandse arbeidsverhoudingen, zo snel mogelijk wordt opengebroken.

Een actief overheidsbeleid betekent dat Nederland in EU en VN verband zich actief gaat inzetten voor bindende internationale afspraken voor internationaal opererende bedrijven. Binnen deze verbanden zijn daartoe de eerste stappen gezet, maar er is nog een lange weg te gaan. In Nederland zou de overheid op basis van internationale verdragen een ethische gedragscode moeten opstellen voor de overheid als inkoper/aanbesteder én als verschaffer van subsidies en ondersteuning aan bedrijven die buiten Nederland opereren.
   Bijna de hele Kamer, uitgezonderd de VVD, heeft dat ook per motie aan de regering gevraagd. Staatssecretaris Ybema voelt echter niets voor een 'verantwoord inkoopbeleid'. De SER houdt zich daarover op de vlakte. Hij adviseert echter ronduit negatief over een initiatief-wetsontwerp van PvdA en GroenLinks tot verplichte sociale rapportage door bedrijven. Toch gaat het om een uiterst mager wetsontwerp omdat bedrijven vrij zijn om te rapporteren waarover ze willen.
   Wij vinden dat bedrijven minimaal zouden moeten rapporteren over naleving van de fundamentele arbeidsnormen en de onafhankelijk controle daarvan. Verder is een (mede) door de overheid gefinancierd kennis- en promotiecentrum onmisbaar om ondernemingen te ondersteunen bij het verantwoord ondernemen in het buitenland.
   In tegenstelling tot wat Wijffels in zijn artikel beweert ontbreekt bij de meeste ondernemingen - ook als de wil er is - vaak de kennis om bijvoorbeeld te zorgen voor goede arbeidsomstandigheden bij hun leveranciers. De SER ziet alleen een rol voor een 'informatiecentrum' dat doorverwijst. Het moge duidelijk zijn: het SER advies is absoluut niet toereikend als basis voor het regeringsbeleid dat in maart verwacht wordt. De regering zal ook elders haar licht moeten opsteken.

Gerard Oonk, coördinator Landelijke India Werkgroep en
Gemma Crijns, beleidsmedewerker bedrijven Amnesty International



naar LIW IN HET NIEUWS

begin document

terug

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 9 januari 2001