terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: Solidariteit, september 2001      

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Verplichte rapportage volgens internationale normen

door:
Gerard Oonk


Maatschappelijk verantwoord ondernemen is een nieuw 'buzz word' geworden. Niet alleen actiegroepen en maatschappelijke organisaties als de Consumentenbond hebben het begrip omhelsd, ook grote bedrijven lijken zich bijna allemaal bekeerd te hebben tot verantwoord ondernemen. Maar is dat laatste wel zo of dreigen de 'public relations' van het bedrijfsleven, gesteund door de overheid, verantwoord ondernemen te reduceren tot liefdadigheid en een nieuwe vorm van 'reputatie management'?

Maatschappelijk verantwoord ondernemen is niet nieuw. 'Eerlijke producten' uit het Zuiden, zoals koffie, thee en bananen, zijn voor de bewuste consument al langer te koop bij wereldwinkels en supermarkten. Maar naast steun aan groepen kleine producenten, was het altijd de bedoeling van 'fair trade' ook de rest van de handel eerlijker te maken. Ook kritiek op het gedrag van multinationale ondernemingen is niet van gisteren, maar was tot een paar jaar geleden verstomd door de eenzijdige nadruk op de zegeningen van de onbelemmerde markteconomie.

Grenzen stellen
De nieuwe discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat niet meer uit van ideeën over het nationaliseren van multinationale ondernemingen. Centraal staat nu het stellen van grenzen aan het gedrag van multinationals met betrekking tot arbeidsrechten, mensenrechten, het milieu en hun invloed op lokale economieën.
  Wat is de kern van het probleem? In veel ontwikkelingslanden, maar ook in een aantal meer ontwikkelde landen, bestaat geen goede wetgeving op het gebied van mensen- en arbeidsrechten. Zijn die wetten er wel, zoals in India, dan houden veel bedrijven zich er niet aan, omdat de overheid niet voldoende controleert. Dat zou echter allerminst een vrijbrief voor bedrijven moeten zijn om in die landen hun gang te gaan. In de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) hebben overheden, vakbonden en werkgeversorganisaties allerlei bindende verdragen gesloten. Bijvoorbeeld over fundamentele arbeidsrechten - en dus mensenrechten! - als het recht op organisatie en het verbod op kinderarbeid, dwangarbeid en discriminatie op de werkplek. Dat betekent dat bedrijven, ook in landen waar de overheid het op dit gebied laat afweten, formeel toch verantwoordelijk zijn voor naleving van de arbeids- en mensenrechten. Diezelfde verdragen verplichten overheden, waaronder de Nederlandse, op zijn minst moreel, er op toe te zien dat Nederlandse bedrijven ook in het buitenland die rechten naleven.

Waakhonden
Dat gebeurt echter niet. Er zit dan ook een gapend gat in het internationale rechtssysteem. De beste oplossing zou zijn om via de Verenigde Naties bindende regels voor het maatschappelijke gedrag van bedrijven op te stellen en die via verplichte rapportage en zo nodig via de rechter te laten afdwingen. De Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties is momenteel bezig dergelijke regels op te stellen op basis van verplichtingen die overheden al zijn aangegaan maar niet (willen of kunnen) afdwingen of naleven. De volgende fase is om internationaal de politieke wil te mobiliseren dergelijke spelregels voor bedrijven ook bindend te maken. VNO-NCW en de Nederlandse overheid vinden het echter helemaal niet nodig dat zo'n systeem er komt of dat Nederland zelf meer controle laat uitoefenen op bedrijven. Ze zijn van mening dat vrijwillige aanbevelingen aan bedrijven - in de vorm van de recent vernieuwde Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen van de OESO - voldoende zijn. Daarnaast beweren regering en werkgevers dat allerlei maatschappelijke 'waakhonden' er wel voor zullen zorgen dat deze richtlijnen worden nageleefd. Zij haken daarmee aan bij de mening van de SER in diens advies van begin dit jaar over maatschappelijk verantwoord ondernemen dat de instemming van de FNV heeft gekregen. Volgens de SER en de regering worden bedrijven die bijvoorbeeld toch kinderen uitbuiten en hongerlonen betalen, of dat laten doen door hun leveranciers, wel via het 'reputatiemechanisme' tot de orde geroepen door consumenten en maatschappelijke organisaties.
  Maar is het inderdaad voldoende om het toezicht op bedrijfsgedrag in het buitenland aan maatschappelijke organisaties over te laten? Het blijkt van niet. Natuurlijk zijn bedrijven wel gevoelig voor maatschappelijke druk, maar niet in die mate dat zij hun gedrag in het verre buitenland vrijwillig aanpassen als dat te veel geld kost en de concurrent het niet doet.
  De regering en de werkgevers en vakbonden in de SER maken zich gemakkelijk af van de principiële verantwoordelijkheid van de overheid om fundamentele arbeids- en mensenrechten te garanderen. Verder wordt zwaar overschat wat particuliere organisaties en de kleine groep kritische consumenten - hoe belangrijk zij ook zijn - zonder goede internationale en nationale regelgeving en systematische handhaving kunnen bereiken tegen de grote economische belangen en invloed van bedrijven.

Gedragscodes
Een voorbeeld is de kledingindustrie. Deze wordt al jaren bekritiseerd vanwege de slechte arbeidsomstandigheden bij de leveranciers in ontwikkelingslanden, in Oost-Europa en soms ook in Nederlandse ateliers. De leveranciers van de kleding zijn afhankelijk van de lage inkoopprijzen die door grote westerse kledinginkopers worden bedongen. Dat leidt simpelweg tot hongerlonen en ongezonde arbeidsomstandigheden. De werknemers, vaak vrouwen, kunnen zonder opgaaf van redenen worden ontslagen. Kinderarbeid komt nog regelmatig voor. Toch zou onze kleding maar weinig duurder worden als de werknemers beter behandeld zouden worden. De loonkosten bedragen namelijk maar een paar procent van de winkelprijs.
  Na jaren campagne voeren voor verantwoord geproduceerde kleding hebben enkele bedrijven positieve stappen gezet, maar is er over de hele linie nog bar weinig verbeterd. Elk bedrijf afzonderlijk is bang zich uit de markt te prijzen, wanneer het in zijn eentje de leveranciers beter gaat betalen om bijvoorbeeld de arbeidsomstandigheden van de werknemers te verbeteren. Veel bedrijven hebben door druk van de publieke opinie inmiddels wel een gedragscode, maar die stelt meestal weinig voor. Bestrijding van kinderarbeid staat er wel in, want dat ligt gevoelig bij veel consumenten. In de meeste codes ontbreken echter bepalingen over de uitbetaling van het (lokale) minimumloon, vakbondsvrijheid, gelijke beloning voor gelijk werk en het recht op een arbeidscontract. Ook zeggen de meeste gedragscodes niets over uitbesteding van werk aan kleine naaiateliers en thuiswerksters, terwijl juist daar de arbeidsrechten het meest worden geschonden. Uit een recent onderzoek in India bleek dat het met de uitvoering van zelfs die beperkte gedragscodes droevig is gesteld.

Profijt van Principes
Wat voor de kledingsector opgaat, geldt voor veel andere bedrijfstakken die consumentenproducten in lagelonenlanden laten maken. En als zelfs de veel bekritiseerde kledingindustrie haar toevlucht neemt tot 'public relations codes', dan is van minder in het oog lopende bedrijven helemaal weinig te verwachten.
  De vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen die rechten van werknemers en omwonenden van bedrijven centraal stelt, blijft een luxe verschijnsel als nationale overheden en internationale organisaties geen grotere rol gaan spelen.
  Tachtig Nederlandse organisaties, waaronder Amnesty International, de Consumentenbond, de Landelijke India Werkgroep, Novib en Milieudefensie, pleiten er daarom in het manifest "Profijt van Principes" voor dat de Nederlandse overheid een gedragscode voor bedrijven opstelt, zolang internationale bindende regels ontbreken. Deze moet gebaseerd zijn op internationale verdragen. De overheid zou er volgens dit manifest op verschillende manieren voor kunnen zorgen dat zo'n code door bedrijven wordt nageleefd. Ook moet ze in haar eigen inkoopbeleid voorrang geven aan sociaal en ecologisch verantwoorde producten en lagere overheden en consumenten stimuleren hetzelfde te doen. Een kennis- en promotiecentrum moet verantwoord ondernemen bevorderen. Ook bepleit het manifest om bedrijven die zich niet aan de gedragscode houden, uit te sluiten van exportkredieten en exportgaranties. Onafhankelijke controle op naleving, verantwoordelijkheid van ondernemingen voor hun productketen en de uitbesteding van werk horen daar natuurlijk bij.
  Het manifest pleit met kracht voor een verplichte rapportage door bedrijven over hun sociale en milieugedrag in het buitenland en een onafhankelijke controle daarop. Voor bedrijven zal zo'n verplichting een aansporing zijn te onderzoeken hoe hun leveranciers in bijvoorbeeld China of India de producten laten maken. En als het niet goed zit, dan moeten bedrijven er binnen een redelijke termijn voor zorgen dat de leveranciers zich aan de gedragscode houden, ook als dat de onderneming wat meer kost. Verder zouden onafhankelijke, sociale en milieucontroleurs in samenwerking met lokale vakbonden en NGO's steekproefsgewijs moeten nagaan of de beweringen in het maatschappelijk jaarverslag wel kloppen. En omdat een jaarverslag nooit alle maatschappelijke kwesties kan bevatten, zouden ook burgers en organisaties informatie bij bedrijven moeten kunnen opvragen, net zoals de wet Openbaarheid van Bestuur dat voor de overheid regelt. Ten slotte is een onafhankelijke ombudsman nodig om klachten te onderzoeken en van een oordeel te voorzien.

Wetsontwerp
Een verplichte rapportage zou een belangrijke ondersteuning zijn voor initiatieven van bedrijven en bedrijfstakken die verantwoord ondernemen nu al serieus nemen.
  Nederlandse bedrijven rechtstreeks wettelijk verplichten om een goede gedragscode uit te voeren, is niet mogelijk vanwege internationale afspraken. Maar een actief beleid van Nederland, inclusief een rapportageplicht, zou een belangrijke stap in de goede richting zijn. Kledingbedrijven bijvoorbeeld kunnen dan niet meer wegkomen met alleen een 'PR-gedragscode' en zullen dus betere lonen moeten (laten) betalen of anders duidelijk te kijk staan. Ook andere bedrijven die werk maken van verantwoord ondernemen krijgen een beter - door gecontroleerde rapportage ondersteund - imago en blijven recht houden op verzekeringen en kredieten voor activiteiten op de buitenlandse markt. De net opgerichte Fair Wear Foundation voor 'eerlijke kleding', die momenteel samen met brancheorganisaties van het midden- en kleinbedrijf een winkelkeurmerk voorbereidt, zou door onder meer verplichte rapportage een stevige steun in de rug krijgen. De 'fair wear' gedragscode draait om zeven internationale arbeidsnormen en onafhankelijke controle. Brancheorganisaties en bedrijven die hun nek uitsteken om op basis van die code eerlijker en mogelijk wat duurder in te kopen, lopen dan niet meer het risico de dupe te worden van bedrijven met goede public relations maar een maatschappelijk slecht inkoopbeleid.
  Verplichte maatschappelijke rapportage maakt het ook mogelijk alle bedrijven langs dezelfde meetlat te leggen. Nu is het zo dat de weinige bedrijven die rapporteren, ofwel alleen al worden geprezen omdat ze rapporteren, ofwel juist kritischer bekeken worden dan de vele bedrijven die hun maatschappelijke gedrag in het buitenland aan kritische blikken willen onttrekken.
  GroenLinks en de Partij van de Arbeid hebben onlangs een initiatief wetsontwerp voor een dergelijke verplichte verslaglegging ingediend. Het vreemde is echter dat de FNV zo'n verplichting vooralsnog afwijst, omdat ze weinig zinvolle informatie zou opleveren en bedrijven eerst maar eens gevraagd moet worden vrijwillig te rapporteren. Niet ontkend kan worden dat het wetsvoorstel nogal mager is. Weliswaar moeten bedrijven rapporteren over hun gedragscode en hun beleid op maatschappelijk gebied en hoe ze dat in de praktijk brengen. Geen verplichting is echter opgenomen over de naleving van met name genoemde rechten en normen, bijvoorbeeld de fundamentele arbeidsnormen. Als een bedrijf geen beleid op papier heeft om vakbondsrechten in het buitenland te respecteren, dan hoeft het over dat onderwerp ook niet te rapporteren. Het is onbegrijpelijk dat de FNV niet pleit voor een aangescherpt wetsvoorstel, maar genoegen neemt met een vrijwillige rapportage.

Niet vrijblijvend
Sinds het SER-advies van begin dit jaar is de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen in een stroomversnelling geraakt. Positief is dat de SER van alle bedrijven verwacht dat zij verantwoord ondernemen. Dat schept een moreel-politieke basis waarop bedrijven kunnen worden aangesproken. Zeer negatief is dat de SER pleit tegen regelgeving door de overheid. Dat geeft ondernemingen de ruimte om het begrip verantwoord ondernemen naar eigen voorkeur in te vullen. Zo riep werkgeversvoorzitter Schraven onlangs dat bedrijven al heel verantwoord bezig zijn, omdat ze voor miljarden aan liefdadigheid doen. Juist tegen die vrijblijvende visie keert zich het genoemde manifest "Profijt van Principes". Politiek heeft dat enig succes opgeleverd. Staatssecretaris Ybema heeft beloofd dat exportkredieten en exportgaranties aan sociale en ecologische criteria worden gebonden. Verder heeft hij een maatschappelijk verantwoord inkoop- en aanbestedingsbeleid van de overheid en een kenniscentrum voor verantwoord ondernemen toegezegd. Bovendien is de Raad voor de Jaarverslaggeving gevraagd richtlijnen voor maatschappelijke bedrijfsrapportages op te stellen.
  In het najaar van 2001 zal wellicht blijken wat de beloftes van Ybema en ook de richtlijnen van de OESO precies voorstellen. Op basis van die richtlijnen heeft de Landelijke India Werkgroep kort geleden een klacht tegen importeurs van Indiase voetballen ingediend. Duidelijk is al wel dat er een enorme werkgeverslobby gaande is om alles zo vrijblijvend mogelijk te houden. Bindende richtlijnen voor bedrijven, waar ter wereld zij ook opereren, blijven mede daarom het belangrijkste perspectief op langere termijn.

De auteur is coördinator van de Landelijke India Werkgroep.



naar LIW IN 'T NIEUWS

naar VERANTWOORD ONDERNEMEN

naar manifest PROFIJT VAN PRINCIPES

terug

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 3 oktober 2001