terug

Aan
mevrouw drs. M.J.G. Schuurmans
Coördinator Wereldburgers .nl
Prinsegracht 38
2512 GA DEN HAAG


Datum
30-9-2002
Uw kenmerkOns kenmerk
BEB/HIB/IIB
02046866
Bijlage(n)
Onderwerp
reactie op brief aan Minister Heinsbroek


Geachte mevrouw Schuurmans,

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het Regeerakkoord van Wereldburgers. Gaarne wil ik reageren op de specifieke punten die u op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken aan de orde stelt en waarmee ik primair bemoeienis heb.

Ten eerste uw voorstel om bij voorgenomen beleid op economisch terrein coherentie na te streven met doelstellingen op gebied van duurzaamheid en ontwikkeling. In het algemeen is het zo dat het Nederlands economisch beleid niet geïsoleerd maar in samenspraak met andere departementen en maatschappelijke organisaties wordt ontwikkeld. Voorts is er regelmatig overleg met het parlement over de hoofdlijnen van beleid.
Uw voorstel om jaarlijks bij de departementale begroting vanuit het perspectief van duurzame ontwikkeling inzicht te bieden in mogelijke effecten van voorgenomen beleid sluit aan bij de coherente benadering bij nieuwe initiatieven op economisch terrein.

Wat betreft de WTO, wijs ik erop dat de organisatie niet op eigen initiatief besluiten neemt. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de WTO-leden. De komende tijd zal regelmatig met de Tweede Kamer worden overlegd over hetgeen de EU dient te bereiken tijdens de ministeriële WTO-conferentie te Cancun (september 2003). Op deze manier krijgt de democratische controle op de Nederlandse inzet richting WTO gestalte. Ik ben bereid om ook periodiek met maatschappelijke organisaties te spreken over de door Nederland na te streven resultaten in de lopende WTO-handelsronde.

U pleit terecht voor blijvende aandacht van de overheid voor het onderwerp maatschappelijk verantwoord ondernemen. De stap naar maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat verder dan het voldoen aan de wettelijke vereisten op milieu, sociaal en economisch terrein. Dit heeft invloed op de rolverdeling van overheid en bedrijfsleven. De primaire verantwoordelijkheid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen ligt bij de bedrijven, die hierover in toenemende mate contact zoeken met hun 'stakeholders'. De overheid schept de voorwaarden voor een duurzame kwaliteit van de leefomgeving en stimuleert bedrijven op weg naar maatschappelijk verantwoord ondernemen. Omdat de verschillende partijen (maatschappelijke organisaties, burgers, bedrijven) elkaar moeten kunnen aanspreken op de eigen verantwoordelijkheden, zijn transparantie en maatschappelijke jaarverslaglegging door bedrijven van groot belang. Met het advies van de Raad voor de Jaarverslaggeving krijgen de bedrijven een instrument ter beschikking om te komen tot een maatschappelijk jaarverslag.

Het bevorderen van maatschappelijk verantwoord inkopen en aanbesteden door de overheid zie ik ook als een belangrijk aandachtspunt. Bij overheidsaanschaffmgen vormen de Europese aanbestedingsrichtlijnen het algemene kader. De door de EU gestelde regels hebben primair tot doel een transparante procedure en gelijke behandeling van aanbieders te bewerkstelligen. Niettemin zijn er milieucriteria beschikbaar en duurzaamheideisen in ontwikkeling die overheidsinkopers kunnen hanteren bij het formuleren van eisen waaraan de aan te schaffen producten dienen te voldoen.

Voorts refereert u aan een voorstel van de Subcommissie Mensenrechten van de Verenigde Naties voor richtlijnen voor ondernemingen op het gebied van arbeid, milieu en mensenrechten, die volgens het Regeerakkoord van Wereldburgers de opmaat zouden moeten zijn van internationaal bindende 'spelregels' voor bedrijven.
Het is mij bekend dat de Sub-Commission on the Promotion and Protection of Human Rights van de VN-Mensenrechtencommissie een werkgroep heeft ingesteld die zich bezighoudt met het opstellen van Draft Norms on Responsibilities ofTransnational Corporations and Other Business Enterprises with regard to Human Rights. De discussie over deze ontwerpbeginselen staat echter nog in de kinderschoenen en verloopt moeizaam. Er is dan ook nog geen tekst die algemeen aanvaard is, en waar de regering haar visie op kan geven.

Meer in het algemeen ben ik het met u eens dat zelfregulering niet de oplossing vormt voor alle problemen die zich kunnen voordoen tussen multinationale ondernemingen en de samenlevingen waarin zij opereren. De aard van problemen kan nopen tot bindende internationale regelsen/of sancties. In feite zijn er diverse voorbeelden van dergelijke afspraken op het gebied van arbeid, milieu en mensenrechten, die overheden richting bedrijven dienen af te dwingen. Ook kunnen internationale regels, zoals u opmerkt, voorkomen dat zwakke overheden worden uitgespeeld door dominante economische spelers en het voordeel hebben van het scheppen van een gelijk speelveld voor bedrijven. Echter internationale regels weerspiegelen niet meer dan de kleinste noemer aan vereisten waarop de verschillende overheden zich willen vastleggen. Ook zijn zij vaak moeilijker aan te passen aan nieuwe inzichten dan een niet-bindend kader. Bovendien doet het van 'hogerhand' opleggen van regels nogal eens afbreuk aan de inzet van alle betrokkenen, inclusief het bedrijfsleven, die voor de oplossing van complexe maatschappelijke en ontwikkelingsvraagstukken is vereist. Voorts is er het risico van sterke juridisering van maatschappelijke vraagstukken met een groot tijdbeslag op mensen en middelen die nuttiger kunnen worden ingezet.
Kortom, telkens zal moeten worden afgewogen of bindende afspraken tussen overheden of andere initiatieven (zoals zelfregulering, capaciteitsopbouw) het beste antwoord vormen op problemen waarbij het internationale bedrijfsleven een rol speelt.

Voorts mag u van mij verwachten dat ik Nederlandse multinationale bedrijven zal aanspreken op hun medeverantwoordelijkheid voor de oplossing van problemen die zich elders op het gebied van arbeid, milieu en mensenrechten voordoen. De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen vormen daarbij een belangrijke richtsnoer. Van belang is dat de vertegenwoordigende instanties van het bedrijfsleven uit de OESO-landen de in 2000 sterk verbeterde richtlijnen hebben onderschreven en hun medewerking aan de implementatie ervan hebben toegezegd. Zoals u wellicht bekend, spelen de Nationale Contactpunten (NCP) voor de OESO richtlijnen een belangrijke rol ter bevordering van de toepassing ervan. Ik ga ervan uit dat bedrijven constructief zullen bijdragen aan de behandeling van de problemen die aan het Nederlandse NCP zullen worden voorgelegd. De eerste ervaringen wijzen wel in die richting.

Uw pleidooi voor transparantie t.a.v. door (of voor rekening van) de Staat verstrekte subsidies en garanties aan bedrijven die zaken doen met ontwikkelingslanden, kan ik mij goed voorstellen. Over de wijze waarop daarmee om zou moeten worden gegaan, heeft de regering haar visie uiteengezet in een brief van de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer (referentie EKI 2002-0314; gedateerd 20 juni 2002). Het in de brief beschreven transparantiebeleid wordt vanaf 1 juli 2002 toegepast bij de exportkredietverzekering. Tevens zou ik u willen verwijzen naar het voor het gehele Financieel Buitenland Instrumentarium vastgestelde beleid m.b.t. maatschappelijk verantwoord ondernemen, zoals dat door de Staatssecretaris van Economische Zaken schriftelijk aan de Tweede Kamer is uiteengezet (referentie BEB/BHI/FIB 010605232; gedateerd 13 december 2001).

Tenslotte ben ik gaarne bereid tot een dialoog met niet-gouvernementele organisaties over economisch beleid in relatie tot duurzame ontwikkeling en mensenrechten, ook op andere terreinen dan de WTO-onderhandelingen of het maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Met vriendelijke groet,


mr.drs. J.G. Wijn
Staatssecretaris van Economische Zaken




home Landelijke India Werkgroep

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

Landelijke India Werkgroep - 11 november 2002