print terug
DNN Dalit Netwerk Nederland
CMC • Cordaid • ICCO • Justitia et Pax • Kerkinactie • Landelijke India Werkgroep
contact: Landelijke India Werkgroep, Mariaplaats 4, 3511 LH Utrecht; tel. 030-2321340; dalits@indianet.nl


Utrecht, 4 maart 2005


Geacht kamerlid,

In verband met het Algemeen Overleg van uw Kamer met de Minister van Buitenlandse Zaken op 9 maart a.s. over de komende VN-Mensenrechtencommissie (MRC), willen wij uw aandacht vragen voor een zeer belangrijke (concept)resolutie van de Subcommisie Mensenrechten over kastendiscriminatie. Daarover zal tijdens de zitting van de MRC besloten worden.

In januari jl. stuurden wij u een brief (per e-mail) over de discriminatie van dalits (‘kastelozen’) bij de hulpverlening na de gevolgen van de tsunami in India. Het verheugt ons dat een aantal kamerleden tijdens het Azië overleg op 26 januari jl. vragen over dit onderwerp heeft gesteld.

De discriminatie van dalits na de tsunami is onderdeel van één van de meest omvangrijke en onderschatte mensenrechtenproblemen ter wereld: de discriminatie, achterstelling en vernedering van minstens 260 miljoen mensen op basis van kaste en andere vormen van afkomst. Enkele maanden geleden heeft de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur Piet de Klerk het een ‘schokkend internationaal mensenrechtenprobleem’ genoemd. Ook minister Bot heeft duidelijk zijn zorg over het onderwerp uitgesproken.

De afgelopen vier jaar heeft de Subcommissie een drietal working papers over ‘discriminatie op basis van werk en afkomst’ opgesteld waarin de op kaste gebaseerde discriminatie werd geanalyseerd. Vorig jaar heeft de Subcommissie een resolutie aangenomen waarin de MRC wordt gevraagd om twee (tijdelijke) rapporteurs het mandaat te geven om de komende jaren een meer omvattend onderzoek te doen en een consultatieproces rond het onderwerp te starten dat moet uitmonden in beginselen en richtlijnen voor het uitbannen van discriminatie op basis van werk en afkomst.

De belangrijkste argumenten voor het aannemen door de MRC van de resolutie van de Subcommissie zijn:

  • Het onderwerp heeft tot nu toe ontbroken op de agenda van de MRC terwijl het gaat om een internationaal mensenrechtenprobleem dat zich in een aantal landen voordoet en circa 260 miljoen mensen treft. De pogingen van enkele regeringen om deze vorm van discriminatie te bestrijden zijn tot nu toe weinig succesvol geweest.
  • De mogelijkheden van het Comité voor de bestrijding van racisme (CERD) en de Speciale Rapporteur van de MRC tegen Racisme om het onderwerp effectief aan te pakken zijn beperkt. De CERD heeft sinds 1996 geen rapportage van India ontvangen en de Speciale Rapporteur tegen Racisme is afhankelijk van uitnodigingen van ‘caste-affected countries’. Ondanks verzoeken daartoe krijgt hij die niet. Het (op zich begrijpelijke) bezwaar van de Indiase regering tegen het uitsluitend kijken naar kastendiscriminatie door het prisma van racisme, pleit er daarom ook voor om zowel het probleem als mogelijke oplossingen in het bredere kader van een MRC mandaat te onderzoeken.
  • De (concept) beginselen en richtlijnen die de Sub-Commissie voorstelt te ontwikkelen vormen geen nieuw mensenrechteninstrument maar de toepassing van bestaande normatieve mensenrechtenstandaarden op dit onderwerp, inclusief het daarbij gebruik maken van bestaande goede voorbeelden (waaronder de goede wetgeving in India).
  • De twee leden van de Subcommissie die zijn voorgesteld om het onderzoek uit te voeren komen beide uit Azië: professor Yokota (Japan) en professor Chung (Korea). Beide worden beschouwd als kwalitatief zeer goede leden van de Subcommissie.
  • Ten slotte een niet onbelangrijke ‘strategische overweging’: het voorgestelde onderzoek is vermoedelijk de minst antagonistische manier om het onderwerp in het VN mensenrechtensysteem aan de orde te stellen. Het is bijvoorbeeld meer confronterend om er bij India op aan te blijven aandringen de Speciale Rapporteur tegen Racisme uit te nodigen voor een onderzoek, hoewel ook dat belangrijk blijft. De brede studie uitmondend in concept beginselen en richtlijnen is daarom ook de meest praktische manier om het onderwerp binnen de VN te agenderen.
In haar motie voor een resolutie over de komende MRC heeft het Europees Parlement vorige week het voorzitterschap, de Raad en de lidstaten opgeroepen om onomwonden steun te geven aan de resolutie van de Subcommissie over discriminatie op basis van werk, afkomst/kaste. Europees Commissaris mevrouw Benita Ferrero Waldner liet onlangs aan het International Dalit Solidarity Netwerk weten dat de 61e zitting van de MRC een ‘uitstekende gelegenheid is om aandacht voor dit onderwerp te vragen en de internationale gemeenschap aan te moedigen om het onderwerp het gewicht te geven dat het verdient’.

Als lid van de MRC zou Nederland een zeer belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het aannemen van de resolutie. Ook gezien de eerdere uitspraken van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur zou het in de rede liggen dat Nederland zich daarvoor maximaal inspant.
Toch wordt in de brief van de Minister aan de Kamer van 24 februari jl. noch de resolutie noch het onderwerp kastendiscriminatie genoemd. Wij vragen u om op 9 maart de Minister expliciet naar zijn inzet in deze te vragen.

Wij zien uw reactie graag tegemoet en zijn, indien gewenst, graag bereid e.e.a. nader toe te lichten.

Met vriendelijke groet,

Gerard Oonk
Directeur Landelijke India Werkgroep

Namens het Dalit Netwerk Nederland (DNN) dat bestaat uit:

CMC Mensen met een Missie
Cordaid
ICCO
Justitia et Pax Nederland
Kerkinactie
Landelijke India Werkgroep



Landelijke India Werkgroep - 8 maart 2005