terug
Uit: India Nieuwsbrief 62 (sep-okt 1989)


Appèl van de LIW aan Bukman:
richt hulp op armen



De Landelijke India Werkgroep heeft er bij de Minister van Ontwikkelingssamenwerking en de Tweede Kamer op aangedrongen om armoedebestrijding centraal te stellen in de ontwikkelingssamenwerkingsrelatie tussen Nederland en India. Er vinden op diverse plaatsen in India ontwikkelingen plaats waarbij het Nederlandse beleid zou moeten aansluiten, vindt de LIW. Vooral de werkgelegenheidsprogramma's die de deelstaat Maharashtra heeft opgezet kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de aanpak van een heel scala van problemen: armoede, milieuproblematiek en stedelijke wildgroei.


    Maharashtra als voorbeeld

In Maharashtra bestaat sinds het einde van de jaren zeventig een werkgarantieplan. Iedereen die werkloos is kan zich aanmelden en heeft de garantie dat hij of zij binnen een aantal weken werk krijgt. Wanneer er geen werk is, wordt een uitkering verstrekt. Het werk bestaat uit irrigatieverbetering, erosiebestrijding, herbebossing en andere infrastructurele werken. De landarbeiders krijgen voor hun werk een vast bedrag uitgekeerd. De ervaring leert dat men middels deze aanpak verschillende problemen tegelijk aan kan pakken: de werkloosheid op het platteland daalde in Maharashtra en de trek naar de steden, met name Bombay, werd afgeremd.
Volgens officiële cijfers uit 1985 leven in India 222 miljoen mensen op het platteland en nog eens 50 miljoen in de steden onder de absolute armoedegrens. Door de Nederlandse gelden voor India met name voor deze groep in te zetten kan ons land een belangrijke bijdrage leveren: met relatief weinig geld kunnen de voorwaarden geschapen worden om mensen nuttig werk en een basisinkomen te geven. Voor de betrokkenen is dat een enorme verbetering van hun levensomstandigheden.
Nederland zou zich bij een op werk voor de armen gericht beleid met name moeten concentreren op de landarbeid(st)ers, vindt de LIW. Deze groep, van ongeveer 150 miljoen mensen, is landloos of bezit te weinig land om er een hoofdinkomen uit te halen. Landarbeid(st)ers zijn grotendeels ongeschoold, veelal kasteloos en afhankelijk van los werk bij grootgrondbezitters. Vrouwen maken een derde tot de helft uit van deze groep.


    Nederlands beleid

Den Haag zou aansluiting moeten zoeken bij de pogingen in India om productieve werkgelegenheid te scheppen door middel van loonarbeidsprogramma's. De centrale regering in New Delhi overweegt om in het Achtste Vijfjarenplan (1990-1995) een sterk uitgebreid werkgelegenheidsprogramma voor het platteland op te nemen. Daarbij zouden landarbeid(st)ers dan voor een vastgesteld minimum (bijvoorbeeld 100 dagen) per jaar werk gegarandeerd krijgen. Vanuit particuliere ontwikkelingsinstanties, vakbonden, onderzoeksinstituten en de politiek - ook vanuit de regerende Congress-I partij van Rajiv Gandhi - wordt steeds meer op een dergelijk nationaal beleid aangedrongen. Een nationaal werkgarantie-programma voor landarbeid(st)ers zou, net als in Maharashtra, aanzienlijk kunnen bijdragen aan inkomensverbetering voor de armste groepen, productieve investeringen (en daarmee werkgelegenheid) in de landbouw, milieubehoud en -verbetering, meer werk en inkomen voor vrouwen, afnemende migratie naar de steden, vermindering van kaste-tegenstellingen en organisatievorming van de armste groepen. Het element werkgarantie verschaft de armen het juridisch afdwingbaar recht op overleven.
Nederland moet met New Delhi overleggen hoe het het beste zou kunnen bijdragen aan zo'n beleid. "In de toekomst (zou) een aanzienlijk deel van de bilaterale hulp aan een dergelijk programma besteed kunnen worden," aldus de LIW in een brief aan de leden van de Vaste Kamercommissie voor Ontwikkelingssamenwerking. In deze brief wordt een alternatief geboden voor het door de regering gepresenteerde beleid ten

"Bij de vorige verkiezingen kwam U nog met een jeep. Wat zijn we er in vijf jaar toch op vooruit gegaan!"
gaanzien van de hulp aan India in de komende drie tot vier jaar.
De Minister constateert in zijn nota terecht dat de luxe van zo'n tien procent van de Indiërs in schril contrast staat tot de overlevingsstrijd van zo'n 50 procent van de bevolking. "De logische conclusie dat de hulp daarom juist gebruikt moet worden om de overlevingsstrijd van de armste helft van de bevolking te ondersteunen, wordt echter niet getrokken," schrijft de LIW.
"Armoedebestrijding is overigens zeer goed te combineren met economische groei, mits deze gericht is op het scheppen van productieve en inkomensgenererende werkgelegenheid voor de armste groepen. Bij de huidige programma's, die zijn gericht op economische groei, is dat niet het geval. Uit het beleidsplan voor India wordt zelfs niet duidelijk in welke mate juist de arme groepen profiteren van de hulpprogramma's die gericht zijn op het verbeteren van de levensomstandigheden op het platteland."
Nederland moet in het vervolg alleen nog maar hulp in de vorm van schenkingen geven. Bovendien, zo vindt de LIW, moet de hulp ongebonden zijn. Dit wil zeggen dat Nederland niet van India mag eisen dat een deel van de hulp in Nederland besteed moet worden. De roepie-waarde van de Nederlandse hulp zou dan volledig in armoedebestrijdingsprogramma's gestopt kunnen worden, terwijl de geschonken guldens een bijdrage zouden kunnen leveren aan het versterken van de betalingsbalanspositie van India. Bovendien zou Nederland moeten afzien van de rente en aflossing die India jaarlijks aan Nederland betaalt over uitstaande ontwikkelingsleningen. Deze terugbetalingen bedragen jaarlijks zo'n 100 miljoen gulden - de helft van de Nederlandse hulp die direct naar India gaat. Dit zou omgezet moeten worden in schenkingen voor een nationaal werkgarantieprogramma voor landarbeid(st)ers en/of andere maatregelen om de positie van de armste groepen In India te verbeteren.


    De tweede doelgroep

Naast de arme plattelandsarbeld(st)ers wijst de LIW op nog een groep mensen die in het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid centraal zou moeten staan: de armen in de steden. In het huidige en voorgenomen beleid van Bukman wordt daar nagenoeg geen aandacht aan besteed. In zijn brief aan de Tweede Kamer schrijft de LIW: "Wij zijn van mening dat plattelandsontwikkeling (hoe belangrijk ook) niet bijdraagt aan de oplossing van de problemen van de armste groepen in de steden. Het grootste deel van de bevolkingsgroei in met name de grote steden is het gevolg van interne bevolkingstoename. Naar schatting zal over 25 jaar een half miljard mensen ofwel 40 % van de totale bevolking in de steden wonen."
Nederland zou steun moeten geven aan het overheidsprogramma gericht op Urban Community Development, een geïntegreerd stedelijk ontwikkelingsbeleid dat met name in de steden van Andhra Pradesh op een succesvolle manier wordt uitgevoerd en dat in steeds meer steden navolging begint te krijgen. De drie hoofdpunten van deze aanpak zijn: landaankoop door stedelijke autoriteiten om krottenwijken te legaliseren, verbetering van woon- en leefomgeving en tenslotte het stimuleren van informele werkgelegenheid. Met name het aankopen van land is een kostbare zaak voor veel steden, maar het is tevens een absoluut noodzakelijke voorwaarde voor inspanningen ten behoeve van een positieverbetering van de armsten in de stad. Het stimuleren van kleinschalige bedrijvigheid is in de stad al net zo belangrijk als op het platteland, en het wordt steeds meer gezien als onmisbaar in de ontwikkeling van de stedelijke economie. Nederland zou hier een stimulerende rol moeten spelen.


LIW-notitie aan de Minister en de Vaste Kamercommissie voor Ontwikkelingssamenwerking.
Bewerking: Raymond Gijsen




begin document

tijdschrift India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 22 aug 2003