terug
Uit: India Nieuwsbrief 55 (jul-aug 1988)



Kinderarbeid: een verborgen probleem op ware grootte



Lange tijd is van de kinderarbeid gedacht dat het een betrekkelijk beperkt, hoewel hardnekkig verschijnsel betrof. De laatste jaren hebben onderzoekers echter aangetoond dat het in werkelijkheid om een probleem van gigantische omvang gaat. In plaats van de officiële 14 miljoen, zouden er in India minstens 140 miljoen kinderen tussen de vijf en vijftien werken. Dat kinderarbeid zo lang verborgen is kunnen blijven, heeft vooral te maken met het feit dat er tot voor kort naar gekeken werd vanuit de optiek van internationale organisaties zoals de ILO. Deze optiek is gegroeid tijdens de strijd tegen de kinderarbeid in Europese mijnen en fabrieken in de vorige eeuw. De daarin besloten opvattingen over werk en zelfs over wat een 'kind' is, blijken niet zonder meer toepasbaar op de Indiase situatie. Maar wat moeten we ons bij kinderarbeid in India dan wel voorstellen?

Het hele gezin werkt mee bij het sorteren van plastic, papier en blik uit afval (foto: F r a n s   J a n s s e n).


    Een overlevingsstrategie

Een manier om hier antwoord op te geven is trachten vast te stellen wat het in ieder geval niet is. Wat doet een kind dat niet werkt? Het zou ofwel naar school kunnen gaan ofwel kunnen spelen, waarbij we veronderstellen dat het een min of meer zorgeloos bestaan leidt. Dat geldt echter slechts voor een betrekkelijk kleine groep: de kinderen die tot de middenklasse en de elite behoren. Bij hen speelt kinderarbeid natuurlijk geen rol. Maar het merendeel van de kinderen, en dan spreken we over naar schatting meer dan de helft van de Indiase kinderen, wordt al op vroege leeftijd geconfronteerd met het probleem hoe te overleven.
Hoe de dagelijkse strijd om het bestaan het hoofd wordt geboden hangt heel erg af van culturele, sociale, geografische en andere factoren. Er bestaat een geweldige verscheidenheid aan werkvormen waarbij kinderen betrokken zijn. Dit maakt het niet eenvoudig om algemene uitspraken te doen over het werk van kinderen. De volgende voorbeelden maken dit duidelijk.
Er zijn kinderen die al als baby door hun moeder naar kleine ambachtelijke bedrijfjes mee worden genomen, daar al helpende opgroeien en het vak spelenderwijs leren. Deze situatie kan soms, zoals in de zijdespinnerij, al generaties lang bestaan:

Prashamma neemt vaak haar dochtertje mee, die de spinbakken schoon kan maken. Samen verdienen ze twaalf roepies per dag, Prashamma krijgt er tien en haar dochter twee. Daar valt nauwelijks van rond te komen. Wanneer haar dochtertje wat ouder is, kan ze cocons gaan koken. Dat werk zal zeven roepies opleveren.
Prashamma is zelf net zo begonnen. Haar moeder nam haar als baby al mee naar een spinbedrijf. Als Prashamma huilde kreeg ze de borst, terwijl haar moeder gewoon doorwerkte. Later kon Prashamma er helpen, cocons koken en vervolgens spinnen. Na haar huwelijk ging ze in hetzelfde spinbedrijf werken als haar man. Prashamma is nu weduwe en woont met haar dochtertje en haar schoolgaande zoon in een hut aan de rand van de stad. Haar man en haar moeder zijn allebei aan tuberculose overleden.
(Irene Tom, in: 'Gezichten van Sita')

Maar er zijn ook kinderen die samen met hun ouders rondtrekken op zoek naar werk en met moeite een dag werk kunnen bemachtigen, bijvoorbeeld tijdens de suikerrietoogst in Gujarat:

Februari: langs de weg, bij de afslag naar Valod, tref ik een groep trekarbeiders uit Saurashtra. De groep bestaat uit vijf mannen, zes vrouwen, een aantal jongens en meisjes en voor de rest kleine kinderen. De jongste rent in zijn blootje rond, de rest is krap gekleed in oude, kapotte lompen. Hun kamp bestaat uit een aantal hoopjes vodden, blikken en pannen. Er zijn twee tenten, geïmproviseerd met houten stokken en jute lappen, die aan elkaar gebonden zijn met touw. De kinderen verzamelen brandhout voor de drie vuren die op een afstand van elkaar branden. De vrouwen zijn druk doende er het avondeten op te koken: gierstkoeken met een beetje fijngemalen rode peper. Vier dagen geleden kwamen ze op aanwijzingen van boeren voor wie ze eerder hadden gewerkt, op de plek waar ze nu staan. Gisteren en vandaag hebben ze geen werk kunnen vinden. Als ze morgen weer niets vinden gaan ze weer verder.
(Uit: Jan Breman, 'Of Peasants, Migrants and Paupers', 1968, p.230-231)

Ook al gaan arme kinderen naar school, dat betekent nog niet dat ze daardoor niet kunnen werken. Veel kinderen verdienen in hun vrije uren het geld dat nodig is voor de lunch, schriften, boeken en kleren.

Ummerkunju is een jongen van 15 jaar. Sinds drie jaar werkt hij als visser bij het ophalen van de strand zegen. Voordat hij hiermee begon, werkten zijn broers bij dezelfde baas. Ummerkunju heeft het geld hard nodig om boeken en kleren te kopen, want hij zit in de laatste klas van de 'high school'. Elke keer als hij werkt krijgt hij een deel van de vangst. Meestal is dat iets tussen de een en drie roepies. Het bedrag is meestal te laag om er een maaltijd van te kopen. De meeste arbeiders zijn dan ook jongens tussen de 8 en 15 en een enkele oudere man. De eigenaar van het net, de 'muthalali', beslist hoeveel iedereen gaat verdienen. Dat doet hij aan de hand van de geschatte inbreng van de arbeiders. Soms kunnen kinderen net zoveel verdienen als volwassenen, vertelt Ummerkunju, soms krijgen ze maar een kwart.
(Olga Nieuwenhuys, in: 'Blauwe Revolutie in India')

Volgens de officiële statistieken, die opgebouwd zijn vanuit een westerse visie op werk, werken al deze kinderen niet: hun werk is ofwel niet betaald, ofwel te onregelmatig. Toch bepalen deze activiteiten wel hun dagindeling en vergen ze veel van hun energie.


    Zichtbaar en onzichtbaar

De ILO-optiek op kinderarbeid veronderstelt dus dat kinderen met een zekere mate van zelfstandigheid werken. Maar in tegenstelling tot wat in westerse landen het patroon is, streven Indiase ouders geen zelfstandigheid voor hun kinderen na, vooral niet voor meisjes. Er bestaat grote angst dat meisjes die niet onder de hoede van hun ouders werken hun eer zouden kunnen verliezen te gevolge van sexueel geweld. Alleen jongens van een jaar of tien, twaalf worden doorgaans 'uit werken gestuurd'. De anderen werken meestal thuis of samen met hun ouders op de velden. Maar zelfs jongens die uit werken gaan, zijn vaker in de leer of werken als gebonden arbeider dan dat ze als vrije loonarbeider ergens in dienst worden genomen. Ook hún werk is grotendeels 'onzichtbaar'.
Hoe komt het nu dat maar een fractie van het werk door kinderen wordt gedaan onder het kopje 'zichtbare' arbeid gevat kan worden? Een van de direct aanwijsbare oorzaken is zonder twijfel het extreem lage loonpeil op het platteland, dat er toe leidt dat allen die daartoe in staat zijn, zullen proberen wat te verdienen. De hele zorg voor het huishouden moet dan overgelaten worden aan jonge meisjes. Door het extreem lage inkomen zijn de taken van deze meisjes niet gering. Bedenk wat het betekent voor een meisje van zeven, acht om de hele dag op kleintjes te moeten letten die om eten zeuren terwijl er onvoldoende in huis is om hun honger te stillen. De gezinnen zijn groot, zodat de meeste meisjes altijd wel hun handen vol hebben aan het oppassen op en verzorgen van kinderen. Scholen waar de kleintjes naar toe zouden kunnen zijn er, in grote delen van het platteland, praktisch niet. Door de armoede is bovendien het voeren van een huishouden een gecompliceerde zaak. Voer zoeken voor een geit of een kalf, water halen, brandhout sprokkelen, het plukken van wilde vruchten en visjes vangen zijn taken die grotendeels door kinderen worden verricht en die tegelijk van grote strategische betekenis zijn in het leven van de armen. Door de kinderen die niet in het huishouden nodig zijn en die al wat werk kunnen verzetten, mee naar het werk te nemen, proberen ouders hun inkomen te verhogen. Praktisch overal wordt nog stukloon betaald, zodat het meehelpen van kinderen eigenlijk ingecalculeerd is.
Het feit dat meisjes en jonge kinderen geen lonend werk kunnen zoeken, beperkt hun mogelijkheden om te overleven. Nog steeds betreffen in India de meeste sterfgevallen kinderen, vooral meisjes en jonge kinderen. Uit werken gaan betekent vaak aan eten komen, omdat arbeid buitenshuis meestal ook met een bordje eten wordt beloond. Kinderen die er in slagen om daarnaast nog een beetje geld te verdienen, zijn zeker beter af dan diegenen die dat niet kunnen. Het geeft ze een zekere mate van zelfstandigheid, een beetje meer stem in huis en de mogelijkheid om iets met hun geld te doen, hoe nietig dat ook kan lijken. In Kerala kan het zelfs zover gaan dat kinderen met hun verdiende geld voor hun bruidsschat sparen of dat ze er hun middelbare-schoolopleiding van betalen. Vanwege het voordeel dat betaald werk biedt, verkiezen de meeste kinderen dat boven thuis helpen en zelfs boven louter naar school gaan met een lege maag.
Maar het is geen toeval dat er zo weinig kinderen zijn die er in slagen om tot de elite van de 'zichtbare' werkers te horen. Je zou zelfs kunnen stellen dat de mate waarin kinderen voor hun werk beloond worden een graadmeter is voor de mate waarin arbeiders zich hebben kunnen organiseren in een bepaald gebied. Zo is het bijvoorbeeld niet toevallig dat juist in Kerala, waar de vakbonden uitermate actief zijn, zelfs erg arme kinderen er in slagen hun middelbare school te doorlopen.


    Onmondig en ondergeschikt

Maar niet alleen 'arbeid' blijkt een moeilijk hanteerbaar begrip. Een tweede, fundamenteler probleem, heeft te maken met de Indiase opvattingen over wat een 'kind' is. In het stereotype denken over kinderarbeid gaat men uit van een vaststaande leeftijdscategorie: kinderen zijn alle mensen jonger dan vijftien jaar. Deze indeling is niet zo vanzelfsprekend als ze lijkt. En zolang er niet een zekere mate van consensus bestaat over wie wel en wie geen kind is, zijn algemene uitspraken, laat staan maatregelen, met betrekking tot kinderarbeid slechts loze kreten. Het feit dat er in India tegen jonge mensen veelal anders aangekeken wordt dan in Europa, is gebaseerd op een andere indeling van de levensloop van de mens, en dus van de stadia van groei van de jongere generatie.

Rijp bevonden voor het allerzwaarste werk: stoker op een veerboot bij Patna (foto: F r a n s   J a n s s e n).
Leeftijd op zich is betrekkelijk onbelanqrijk. De meeste Indiërs weten hun leeftijd in jaren niet exact. Wat veel meer zegt is de lichamelijke ontwikkeling, en de ideeën daarover zijn heel verschillend naar gelanq de sexe van het kind en het werk dat het doet. Als iemand onrijp wordt bevonden voor het werk dat hij doet, is hij 'kind' in de zin dat hij niet volwaardig meetelt. Er is dan sprake van kinderarbeid, zonder dat er een scherpe scheiding bestaat tussen de leeftijdsgroep die helemaal niet mag werken (zoals bij ons kinderen onder de vijftien) en de groep die nog in de leer is (zoals bij ons 'de jongeren').
Maar de verschillen tussen jongens en meisjes zijn het grootst. Meisjes worden soms al op hun zevende rijp genoeg gevonden om te koken en het huishouden te doen of met hun moeders mee te werken in de huisnijverheid. Jongens die zwaar lichamelijk werk moeten gaan doen, worden daarentegen pas als volwassenen behandeld als ze achttien of negentien jaar zijn. Na het huwelijk is men geen kind meer, ook al trouwen veel arme meisjes vooral op het Noord-Indiase platteland al op hun elfde of twaalfde. Het werk dat deze meisjes na het huwelijk doen wordt dus niet als 'kinderarbeid' gezien.
Het is algemeen gebruik om twee leeftijdsgroepen te onderscheiden: de groep van nul tot ongeveer vijf à zeven jaar, en de groep van zeven jaar tot de leeftijd waarop ze trouwen. De 'kleintjes' worden vertroeteld en verwend. Dit heeft mogelijk te maken met een geloof in de verborgen krachten van het kind. Het hindoeïsme kent goddelijke kinderen, zoals Krishna en Ganesh, die als babies al hele legers demonen aankonden. Na het zevende jaar vindt er in de ouderlijke houding een omslag plaats naar grote strengheid: het kind moet zijn plaats leren kennen. Daar valt in de opvoeding dan de nadruk op, en die plaats is in de zeer hiërarchische Indiase samenleving gelijk te stellen aan die van een bediende. Werken wordt als een deugd gezien, een plicht die kinderen hebben en een mogelijkheid waarmee ze hun ouders hun dienstbaarheid kunnen tonen. Luie en ongehoorzame kinderen zijn een bewijs van onvermogen van hun ouders en daarom een bron van schaamte tegenover de familie en de buren. Het is dus beslist niet zo dat de meeste ouders van werkende kinderen zich schamen omdat hun kinderen werken, als ze dat lichamelijk aankunnen. Het idee dat hard werken een essentieel ingrediënt is van de opvoeding, is zo wijdverbreid dat ook de elite hoge eisen stelt aan haar kinderen, maar dan wel op het gebied van schoolprestaties.
Waarom is het zo belangrijk hoe ouders, vanuit hun culturele achtergrond en tradities, naar kinderen kijken? Ik denk dat hun opvattingen een belangrijke - zij het onderschatte - rol spelen, niet alleen in het 'onzichtbaar' zijn van het meeste werk van kinderen, maar ook in de vanzelfsprekendheid waarmee het werken van arme kinderen wordt aanvaard, alle officiële verklaringen ten spijt.

Het ideaal: moeder, boerin met vruchtbare akkers, koeien en een put met pomp.
En de werkelijkheid: landloos geworden, gemigreerd naar de stad, terecht gekomen in de bouw, wachtend tot de kinderen mee kunnen verdienen (foto: F r a n s   J a n s s e n).


    Een noodzakelijk kwaad?

Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat kinderarbeid niet los gezien kan worden van de hele armoedeproblematiek. In het denken over specifieke oplossingen zal hier ernstig rekening mee gehouden moeten worden. De Indiase overheid geeft zelf aan dat het probleem zo complex is en zo diep geworteld in de economische en sociale structuur, dat een oplossing zonder structuurverandering een illusie is. De overheid verzet zich dan ook tegen de invoering van een verbod op arbeid voor kinderen beneden de vijftien, ondanks herhaald en langdurig aandringen van de ILO. Om toch tegemoet te komen aan de internationale druk heeft men anderhalf jaar geleden een wet ingevoerd die met de complexiteit van het probleem rekening hield: de Child Labour Bill, december 1986.
Critici beweren echter dat dit een verkapte poging is om de uitbuiting van kinderen te legaliseren, zonder dat ze overigens met een echt alternatief komen dan een totaal verbod op kinderarbeid. En hier wringt juist de schoen, want het soort werk dat zich het gemakkelijkst leent voor een verbod is, paradoxaal genoeg, het betaalde 'zichtbare' werk, of het werk dat tenminste wordt betaald. De overheid heeft veel minder mogelijkheden als het gaat om het reguleren van onbetaald werk zoals het werk van kinderen die hun ouders vergezellen naar de werkplek, thuisarbeid en huishoudelijk werk, en gebonden arbeid. Zelfs het werk van kinderen in de landbouw en in bedrijfjes met minder dan twintig werknemers is moeilijk te controleren. Dit blijkt uit het feit dat in zulke bedrijfjes zelfs de minimumlonen voor volwassenen nauwelijks uitbetaald worden.
Wat de overheid wel aan zou kunnen pakken is in feite alleen de zichtbare kinderarbeid, voornamelijk dus het werk van wat grotere jongens die het 'geluk' hebben een eigen bron van inkomsten te hebben. Dit zou twee kwalijke gevolgen hebben:
1. Deze 'betere' banen zouden niet meer toegankelijk zijn voor kinderen, zodat ze gedwongen zouden worden om naar het 'onzichtbare' soort werk uit te wijken en dus met minder of helemaal geen betaling genoegen te nemen. De algemene armoedeproblematiek binnen de huishoudens wordt immers niet aangepakt.
2. Veel erg arme huishoudens zouden een belangrijke bron van inkomsten verliezen zonder dat daar een compensatie tegenover zou worden gesteld.
Helaas trekt de overheid uit dit inzicht in de ware proporties van het probleem niet de conclusie dat er dus iets wezenlijks moet veranderen in de algemene arbeidsvoorwaarden. Integendeel, de vakbondsvrijheid is de laatste jaren juist ingeperkt, zodat de prijzen geweldig konden stijgen zonder dat de lonen daar gelijke tred mee konden houden. De noodzaak voor kinderen om te werken is hierdoor alleen maar groter geworden. De laksheid waarmee de overheid met kinderarbeid omspringt wordt in verband gebracht met het geweldige verzet waar een verbod op kinderarbeid op stuit bij bepaalde groepen, zoals exporteurs van huisnijverheidsprodukten of producenten van goedkope consumptiegoederen. Indiase luciferfabrikanten beweren bijvoorbeeld dat als de kinderarbeid streng zou worden aangepakt, de belangen van de armen geschaad zouden worden doordat de prijs van een doosje lucifers dan veel te hoog zou worden. Hiermee trachten ze de onmenselijke situatie van de 100.000 kinderen die in en rond Sivakasi in Tamil Nadu werken, nog te rechtvaardigen. Aan de andere kant zou je de druk die er uitgeoefend wordt wordt om kinderarbeid te reguleren in verband kunnen brengen met de belangen van fabrikanten van Zweedse lucifers. Deze fabrikanten werken onder Zweeds patent met moderne machines en uitsluitend met volwassen, geschoolde arbeiders. Hun bezwaar tegen kinderarbeid is dat ze te lijden zouden hebben van oneerlijke concurrentie, omdat ze wegens hun grootschalige productieproces geen gebruik maken van de arbeidskracht van kinderen.
De laksheid van de overheid en het zoeken naar halfbakken oplossingen lijkt meer ingegeven te zijn door een zoeken naar compromissen tussen de verschillende werkgeversbelangen dan door de belangen van de betrokken kinderen.
Dat er niet erg serieus naar oplossingen gezocht wordt, blijkt ook uit de manier waarop de invoering van de algemene leerplicht - een belangrijke belofte van de Congresspartij bij de Onafhankelijkheid - op de lange baan is geschoven. En dit terwijl de invoering van de leerplicht voor jonge kinderen de huishoudelijke taken van miljoenen meisjes enorm zou verlichten.

XXX

Dit artikel vat een aantal thema's samen die uitgebreider aan de orde komen in Kinderarbeid in India, een boekje dat door de LIW is samengesteld en dat in het najaar verschijnt.




begin document

tijdschrift India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 10 augustus 2009