terug
Raiffeisenlezing van minister-president Wim Kok,
maandag 2 april 2001


"SAMENLEVEN MET ONDERNEMINGEN"


Dames en heren,

Graag wil ik de initiatiefnemers, de Rabobank en het Financieel Dagblad, dankzeggen voor hun vriendelijke uitnodiging tot het houden van deze lezing.

Er staat ons de komende jaren in Nederland veel te doen.
Op gebieden als zorg, onderwijs, veiligheid en leefbaarheid zijn, in aanvulling op de omvangrijke investeringen van de afgelopen jaren, additionele impulsen nodig.
Daarbij gaat het om meer dan het beschikbaar stellen van grotere geldbedragen.
De noodzakelijke keuzes zullen door de overheid moeten worden gemaakt. Geen twijfel daarover.
Maar de overheid kan de maatschappelijke problemen van vandaag en morgen beter oplossen wanneer dit in samenwerking gebeurt. Samenwerking met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties levert - niet in de laatste plaats op lokaal niveau - een aanzienlijke meerwaarde op.

Opleiding, welvaart en overheidszorg hebben in de woorden van Paul Schnabel, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, in de afgelopen decennia voor velen de deur geopend naar een "burgerlijk" leven.
De verder toenemende welvaart in de 21ste eeuw zal zich vertalen in nóg hogere kwaliteitseisen.
We zijn allemaal kritischer en mondiger geworden.
Mensen verwachten van de overheid betere voorzieningen op gebieden als zorg en onderwijs.
Zij verlangen - terecht - een veilige, leefbare en ook duurzame omgeving en veilig voedsel.
Zij wensen goede ontplooiingsmogelijkheden binnen en buiten het werk, producten en diensten van een kwaliteit die de toets der kritiek ruimschoots kan doorstaan.
Onze ambitie moet zijn: stapje voor stapje verder te bouwen aan een maatschappij die er in al haar facetten kwalitatief op vooruit gaat. Waarin ook mensen die economisch en sociaal op achterstand staan, beter gemotiveerd en in staat gesteld worden om in ruimere mate aan onze samenleving deel te nemen.
Niemand kan en mag zich voor deze wenselijkheid afsluiten.

Graag wil ik wat nader ingaan op vragen die verband houden met maatschappelijk ondernemen en maatschappelijk ondernemerschap.
De recente publicatiereeks in het Financieele Dagblad illustreert hoezeer dit thema - op het snijvlak van markt en overheid - in de belangstelling staat.
De wijze waarop door het bedrijfsleven wordt deelgenomen aan het maatschappelijk debat verdient grote waardering.
Er gaat een veelheid van activiteiten achter het begrip maatschappelijk ondernemen schuil.

Binnen de deuren van de ondernemingen zijn dat onderwerpen als:

  • het zorgdragen voor voortdurende en goede scholing en opleiding van medewerkers opdat deze inzetbaar blijven in een snel veranderende omgeving;
  • aandacht voor goede en veilige arbeidsomstandigheden;
  • het voorkomen van langdurig ziekteverzuim door preventie;
  • bevordering van de integratie van gehandicapten en allochtonen in het arbeidsproces;
  • duurzaam ondernemen.
Dames en heren,

De verantwoordelijkheid voor duurzame werkgelegenheid en welvaart is natuurlijk de kernopgave van maatschappelijk ondernemen.
Daar is de afgelopen decennia in ons land terecht en met resultaat enorm veel aandacht aan besteed.
Vanaf begin jaren tachtig heeft het streven naar herstel en vergroting van onze internationale concurrentiepositie, het scheppen van werkgelegenheid en een ruimere deelname aan het arbeidsproces in Nederland een centrale plaats in het beleid ingenomen.
Er is veel werk gemaakt van economische en sociale structuurversterking.
Door de inspanningen van zeer velen is daarmee opmerkelijke vooruitgang geboekt.
Wij zijn in Nederland in staat gebleken onze welvaartsstaat op een meer moderne leest te schoeien en de basis voor solidariteit te versterken door het recht op collectieve voorzieningen beter in balans te brengen met het nemen van individuele verantwoordelijkheden.

Nederland staat thans algemeen bekend als een land met een relatief gunstig vestigingsklimaat.
De werkloosheid is gedaald tot een niveau dat een aantal jaren geleden nog volstrekt voor onmogelijk werd gehouden.
Werknemers zijn vandaag de dag veel beter geschoold en opgeleid. De arbeidsmarkt is flexibeler, terwijl we tegelijkertijd in staat zijn aan werknemers - ook aan flexwerkers - voldoende zekerheid te bieden. Nederland mag ook in dit opzicht gezien worden.

Het sterk gegroeide aantal deeltijdwerkers maakt zichtbaar dat op de arbeidsmarkt tevens ruimte is en wordt geboden aan mensen die behoefte hebben aan eigentijdse combinaties van betaald werk en andere keuzes en verantwoordelijkheden.
De gezondmaking van de overheidsfinanciën heeft ons in een nieuwe fase gebracht: een hoofdvraag is nu - terecht - in welk tempo we onze nationale schuld tot nul gulden willen en kunnen reduceren.
Maar er zijn natuurlijk ook andere vragen.
Hoe bouwen wij in Nederland verder aan een economisch sterke en sociaal hechte maatschappij?

Laten wij even kort om ons heen kijken.
Als land met een bijzonder open economie is Nederland zeer afhankelijk van internationale ontwikkelingen.
In de VS is nu een duidelijke afzwakking van de groei te zien.
De vraag is wanneer zich daar weer een herstel zal aankondigen en of daar dan een V- of een U-curve aan vooraf zijn gegaan.

Drie zaken zijn hiervoor van belang:
De ontwikkeling van de consumptie, van de investeringen en van de inflatie.
En dan is er natuurlijk de factor psychologie.
Het draait in hoge mate ook om verwachtingen en vertrouwen.
Daar zijn moeilijk voorspellingen van te geven.
Ik ben niet pessimistisch, maar het economisch beeld van de VS is niet zonder risico's.
Ook de economische ontwikkeling in Japan en in de landen van Zuidoost Azië levert voor Europa geen bijdrage aan een aangename buitentemperatuur.

Hoe doen wij het zelf?
Voor de Europese Unie als geheel wordt uitgegaan van een groeicijfer van 2½ à 3 procent.
Dat is lager dan het cijfer van vorig jaar, maar een groei van tegen de 3 procent is nog steeds heel behoorlijk te noemen.
Dat geldt ook voor ons eigen land.
Positief is dat Nederland qua economische groei en werkgelegenheid nog steeds tot de beste presteerders binnen de EU behoort.
Opvallend is wel dat de daling van het aantal mensen zonder baan begint te stagneren. We moeten trouwens toch oppassen, want een al te uitbundige ontwikkeling van lonen en prijzen zou ertoe kunnen leiden dat het concurrentievoordeel dat Nederland in de jaren tachtig en negentig moeizaam heeft opgebouwd, weer voor een groot deel verloren gaat.
De sleutel voor voortgaand succes in de komende jaren blijft liggen bij een verdere toename van de arbeidsparticipatie en het verder werken aan structurele versterking van onze economie.

Daarover ging het op de Europese Top van Stockholm tien dagen geleden. Wij hebben met elkaar kunnen vaststellen dat de Europese economie over gezonde fundamenten beschikt.
De minder gunstige vooruitzichten de komende tijd voor de wereldeconomie hebben vanzelfsprekend gevolgen voor Europa.
Des te noodzakelijker is het dat de Europese Unie haar economische kracht vergroot.
Vandaar dat we in Stockholm hebben besloten een nieuwe impuls te geven aan het proces van modernisering en innovatie, dat vorig jaar op de Top in Lissabon zo hoog op de Europese agenda is gezet.

Ook in de internationale context willen ondernemingen in toenemende mate bijdragen aan het nakomen van algemeen aanvaarde maatschappelijke waarden en normen.
De Nederlandse samenleving verwacht - terecht - dat het bedrijfsleven zich ook in die omstandigheden rekenschap geeft van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Zoals het streven naar duurzaamheid en het serieus nemen van mensenrechten in landen waar dat niet vanzelfsprekend is.

Op internationaal niveau vormen de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen een gezaghebbend kader voor verantwoord internationaal ondernemen en zaken doen. Daarbij hoort ook het beginsel van de ketenverantwoordelijkheid.
Steeds meer bedrijven treden op dit punt actief naar buiten.

Belangengroepen en in toenemende mate ook aandeelhouders vragen het bedrijfsleven om beter rekening te houden met zogenaamde 'consumer concerns'.
Een zorgpunt in dit verband is de beweging in de VS in relatie tot het uitvoeren van de in het Kyoto-protocol gemaakte afspraken over de CO2 uitstoot.
Ook het bedrijfsleven in de VS draagt verantwoordelijkheid voor en heeft belang bij duurzame ontwikkeling en een hoge kwaliteit van de leefomgeving.
In WTO-kader en ook binnen de ILO zijn consumer concerns actuele onderwerpen, waarover Nederland -dat wil zeggen kabinet, werkgevers en werknemers- actief meespreekt.
Het gaat overigens niet alleen om consumer concerns.
Het gaat ook om de opstelling van bedrijven op lokale markten in bijvoorbeeld ontwikkelingslanden.
Het is uiteindelijk in ons aller belang dat vormen van mededinging die lokale bedrijven geen kans geven, worden voorkomen.

Ik zou wensen dat Nederlands bedrijven nóg actiever worden met rapportages over maatschappelijke aspecten van hun activiteiten, binnenlands én buitenlands.

Om bedrijven daarbij te helpen zal de Raad voor de Jaarverslaggeving worden gevraagd aanbevelingen voor maatschappelijke verslaggeving op te stellen.

In Stockholm hebben de regeringsleiders van de Europese Unie dit soort initiatieven daartoe van het bedrijfsleven verwelkomd.
De Europese Commissie zal in juni a.s. op de Top van Göteborg een groenboek over maatschappelijk verantwoord ondernemen voorleggen.

Bedrijven hebben vandaag de dag niet alleen rekening te houden met mondige en kritische consumenten, maar ook met steeds beter opgeleide medewerkers die eisen stellen aan het 'fatsoensgehalte' van hun werkgever. "Verantwoord ondernemen" is, zoals oud-voorzitter Tabaksblatt van de Raad van Bestuur van Unilever heeft aangegeven, een must, niet slechts omdat een samenleving waarin algemeen belang en bedrijfsbelang gelijk oplopen dat vraagt, maar ook omdat het voortbestaan van de onderneming er van afhankelijk is.

Zo investeren Philips en TPG in inburgering om aan nieuwe arbeidskrachten te komen voor steeds moeilijker te vervullen posities. Het Nederlandse MKB pakt om die reden, samen met arbeidsvoorziening, de hoge werkloosheid onder allochtonen aan.
Mensen van Ordina gaan voor de klas staan om er ook zelf van te leren; Ahold verkoopt ecologische producten omdat er een groeiende markt voor is.
Daarmee leveren bedrijven maatschappelijk noodzakelijke bijdragen, en worden die bedrijven tegelijkertijd sterker op de markt of aantrekkelijker.
Maatschappelijke acceptatie en een goede reputatie zijn belangrijke elementen geworden in de ondernemingsstrategie.
Koplopers dienen hierbij als voorbeeld voor het peloton; voor de keten als geheel.

Dames en heren,
De overtuiging groeit dat het verankeren van maatschappelijk ondernemen in onze samenleving aan draagvlak wint.
Maatschappelijk ondernemen zal zich verder moeten waarmaken.

Niet alleen van het bedrijfsleven vragen we waar mogelijk een maatschappelijke oriëntatie aan te nemen.
Ook overheidsorganisaties moeten veel meer dan tot nu toe het geval was rekenschap en verantwoording afleggen en blijk geven van maatschappelijk ondernemerschap, evenals het maatschappelijk middenveld.
Een niet gering aantal uitvoerende diensten van de overheid is aanzienlijk verzakelijkt en werkt vandaag de dag marktgeoriënteerd.
De toepassing van markttechnieken bevordert vraagoriëntatie en zodoende een betere aansluiting bij de behoeften en wensen van de cliënt.
Marktondernemingen en overheid groeien wat dit betreft naar elkaar toe. Daardoor ontstaat ruimte voor nieuwe vormen van samenwerking.

We zien om ons heen dat zowel ondernemingen als maatschappelijke organisaties, instellingen en burgers nadrukkelijk blijk geven van het besef dat een flink aantal samenlevingsvraagstukken beter kan worden opgelost wanneer de overheid daar niet alleen voor hoeft te blijven staan.
Ondernemingen kunnen wezenlijke bijdragen leveren aan het geven van samenhangende antwoorden op sociale vraagstukken:
- het voorkomen en bestrijden van maatschappelijke uitsluiting;
- het bevorderen van sociale integratie en samenhang;
- arbeidsmarktparticipatie van langdurig werklozen en allochtonen.

De aanpak van problemen op wijk- en buurtniveau in de grote en grotere steden van ons land is gediend met participatie en betrokkenheid vanuit ondernemingen.

Dames en heren,
Toch is er nog te vaak sprake van toevalligheid en van te zeer los van elkaar staande initiatieven.
Met het verbinden tussen die initiatieven en de lokale en nationale politieke agenda, en vice versa, is grote meerwaarde te behalen.
Dat vind ik, kan ik uit persoonlijke waarneming zeggen, het positieve van bijvoorbeeld het Arena-initiatief in Amsterdam Zuidoost.
Gerichte scholing, op maat toegesneden beroepsopleidingen en werkervaringsplaatsen hielpen en helpen vele meer en minder getalenteerde inwoners in Zuidoost aan de slag.
En dat is ook - op nationaal niveau - de meerwaarde van de samenwerking van een aantal grote bedrijven in Samenleving en Bedrijf.
Een initiatief dat het kabinet van harte mogelijk heeft gemaakt.
Men kan kennis uitwisselen, elkaar versterken, leren van elkanders fouten én successen.
Brengen we dat in verbinding met de nationale en lokale agenda in bijvoorbeeld de grote steden dan praten we over een meer structurele verbinding op thema's als:
- de tekorten in onderwijs en zorg;
- de integratie van allochtonen;
- het scheppen van banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt en;
- de veiligheid en toekomst van onze jeugd.
Vraagstukken die urgent en complex zijn.

Samenwerken op dergelijke terreinen kan tot duurzame sociale ontwikkeling leiden en kan vernieuwende publiek - private initiatieven tot gevolg hebben.
Een voorbeeld: combinaties van arbeid en zorg waarvoor de overheid ruimte wil bieden hebben een pendant aan de kant van maatschappelijke organisaties en ondernemingen.
Als dat voldoende bij elkaar aansluit, dan zal het voor ouders minder problematisch zijn om naast de zorg voor kinderen of ouders deel te nemen aan het arbeidsproces.
Ik denk als voorbeeld aan het koppelen van een publieke dienst als kinderopvang aan een commerciële dienst als boodschappenservice.

De kansen bieden zich aan om maatschappelijk ondernemen in eigentijdse vormen duurzaam te verankeren.
Als we die kansen weten te grijpen wordt een wezenlijke stap in de goede richting gezet.
De overheid zal bereid moeten zijn zich, samen met anderen, voldoende voor nieuwe initiatieven open te stellen.
Het kost bedrijven soms nog te veel moeite om lokaal - maar ook landelijk - bij de overheid binnen te komen.
Men kent de weg niet altijd naar ministeries en lokale diensten.
Ook andersom zijn er drempels.
Hier is nog veel werk te verrichten.
Onderlinge bekendheid en wederzijds vertrouwen moeten verbeterd worden.

Bijvoorbeeld in het grote stedenbeleid. Afspraken tussen steden en bedrijven kunnen beter; in de fysieke en economische kolom, maar ook in de sociale pijler.
Ik begrijp dat bedrijven als Philips en Randstad graag iets voor elkaar willen krijgen op het terrein van inburgering, maar dat dan bovenlangs, via de nationale taskforce, voor elkaar moeten zien te boksen.
Dat is goed, maar niet goed genoeg.

We hebben de laatste jaren in Nederland veel gesproken over maatschappelijk ondernemerschap.
Een belangrijke bijdrage is geleverd met het uitbrengen van het SER-advies " de winst van waarden". Nederlandse bedrijven, overheid en maatschappelijke organisaties en instellingen zijn rijp voor een meer gestructureerde aanpak op dit punt.
Het lijkt mij meer dan de moeite waard om op nationaal niveau maatschappelijke en beleidsmatige samenlevingsvraagstukken te benoemen waar publiek-private samenwerking tot meerwaarde kan leiden.
Per thema kunnen dan vervolgens plannen van aanpak uitgewerkt worden, uiteraard met betrokkenheid van bedrijven en lokale overheden daarbij.
Zo kunnen op een praktische wijze de potenties van de publieke en de private sector met elkaar worden verbonden.

Zo komen we stap voor stap tot vernieuwing bij het beantwoorden van maatschappelijke vraagstukken.
De publieke sector kan - kijkend in de keuken van de private sector - wat opsteken van de resultaatgerichtheid en klantgedrevenheid van ondernemingen.
En dat is iets wat - zo is onlangs weer gebleken uit onder meer het jaarverslag van de Ombudsman en uit recente rapporten van de Algemene Rekenkamer - de overheid echt beter kan en moet doen.
Omgekeerd kan de private sector leren hoe complex sommige vraagstukken van de overheid zijn, hoeveel partijen daar een rol in spelen en voor welke belangenafwegingen de overheid staat.
En hoe belangrijk in het publieke domein vraagstukken van transparantie, zorgvuldigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zijn.

Dames en heren, ik kom tot een afronding,
Samenwerking vraagt om wederzijds begrip.
Wederzijds begrip ontstaat in samenwerking.
We zijn in dit land ver gekomen met afspraken op hoofdlijnen in de Stichting van de Arbeid, met uitstekende adviezen van de SER.
Die samenwerking wil het kabinet praktisch ondersteunen en waar nodig faciliteren.

Samenwerking werkt als partijen zich bewust zijn van hun eigen kracht én van hun eigen grenzen.
"Maatschappelijk ondernemen" heeft uiteraard zijn grenzen.
Ondernemingen hebben geen zeggenschap buiten hun eigen domein.
Hoe breed ze ook georiënteerd zijn; ook al staan ze in dialoog met de samenleving en leggen ze rekening en verantwoording af, er zijn grenzen aan hun inbreng en verantwoordelijkheid.
De overheid is verantwoordelijk voor de waarborging van algemeen geldende maatschappelijke normen en waarden en voor een integrale afweging van belangen.
De overheid wil daar invulling aan geven in goed, eigentijds partnerschap met burgers, ondernemingen, maatschappelijke organisaties en instellingen.
De overheid kan daarbij optreden als regisseur en als meespelende coach.

De overheid wil meer ruimte geven voor de invulling van eigen verantwoordelijkheden en initiatief, om voldoende dynamiek en innovatie uit te lokken.
De overheid zal nieuwe allianties aangaan met ondernemingen die zich sociaal en duurzaam verbonden weten met de samenleving in ruime zin.

Juist omdat de economische omgevingsfactoren momenteel wat minder gunstig zijn, moeten we nog ambitieuzer zijn.
Nederland en Europa staan economisch en sociaal stevig op de benen. Maar we moeten ervoor oppassen dat we niet naast onze schoenen gaan lopen, want de modernisering moet verder worden gedragen.

Samen zullen we de uitdagingen die de toekomst stelt, ondernemend, creatief en vooral beter tegemoet kunnen treden.
Dat is wat de toekomst van ons vraagt.
Samen met u wil ik, wil het kabinet, verder werken om maatschappelijk ondernemen nog steviger te verankeren in onze samenleving.
Het kabinetsstandpunt op het SER-advies dat we vrijdag jl. hebben afgerond, biedt daarvoor stevige handvaten.

Concrete afspraken en invulling van plannen moeten het gevolg zijn.
Samen aan de slag dus.
In de geest van Raiffeisen, zou ik zeggen.



pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 28 juni 2001