terug
Onderstaand artikel is gepubliceerd in: NCDO Jaarboek 2005-2006


door:
Mirjam Vossen

Kantelende verhoudingen in donorwereld door opkomende economieën


China en India knagen aan westers hulprecept


De groeiende economische en politieke macht van China en India kantelt de verhoudingen in de donorwereld: hulp ontvangen doen China en India onder hun eigen voorwaarden. Hulp geven doen zij eveneens op hun eigen manier. In Afrika hebben westerse donoren het nakijken.

Vanaf begin volgend jaar gaat Nederland China helpen met het opzetten van een kadaster. Dat is nodig, want grondrechten zijn in China slecht geregeld. Dat leidt regelmatig tot conflicten tussen de overheid, projectontwikkelaars en lokale boeren. Wanneer de overheid ergens een nieuwe woonwijk plant, kunnen de boeren niet aantonen dat de beoogde bouwgrond van hen is. Rijksuniversiteit Groningen gaat China adviseren, in samenwerking met Kadaster Internationaal in Apeldoorn.

De problemen met grondrechten zijn typische problemen van ontwikkelingslanden. En China staat nog altijd te boek als een ontwikkelingsland. Ongeveer 26 miljoen Chinezen op het platteland, vooral in het westen en noorden, leven in absolute armoede. In de steden moeten nog eens 22 miljoen mensen rondkomen van een inkomen onder het bestaansminimum. Toch verdraagt het beeld van traditioneel ontwikkelingsland zich steeds moeilijker met de andere werkelijkheid in China. Al meer dan vijftien jaar kent China een explosieve economische groei van gemiddeld 9,6 procent per jaar. Miljoenen Chinezen vonden emplooi in de groeiende textiel-, speelgoed- en elektronica-industrie. Het land tilde in een kwart eeuw meer dan 200 miljoen mensen uit de extreme armoede - een ongeŽvenaarde prestatie. Volgens de Wereldbank daalde tussen 1981 en 2001 het aandeel van de bevolking onder de armoedegrens van 53 naar 8 procent. De cijfers variŽren al naar gelang de bronnen die men gebruikt, maar de sterk dalende trend wordt door alle bronnen bevestigd. Hoewel de absolute armoedecijfers er nog steeds niet om liegen, kan China prat gaan op een enorm succes in de armoedebestrijding. Met de gegroeide welvaart heeft ook modern consumptiegedrag zijn intrede gedaan. De Maopakken zijn allang van het toneel verdwenen. De nieuwe Chinese middenklasse belt mobiel, eet in chique restaurants en gaat op vakantie naar Europa.
Deze zelfde trends gelden, in iets mindere mate, voor India. Ook in dit land is de armoede nog lang niet voorbij: in India wonen circa 300 miljoen armen, dat is meer dan in Sub-Sahara Afrika. De helft van de Indiase kinderen is ondervoed en gaat niet naar school. Tegelijkertijd groeien ook de Indiase economie en middenklasse als kool. Terwijl China zich heeft opgewerkt tot 'fabriek van de wereld', ontpopt India zich als wereldwijde softwareontwikkelaar en administratieve dienstverlener. Honderdduizenden Indiase ICT'ers, telefonistes en typistes bevolken prefab-kantoren in Hyderabad, Bangalore en Mumbai, die in razendsnel tempo uit de grond worden gestampt.

Scheuring van het Zuiden
'China en India zijn atypische ontwikkelingslanden,' zegt Peter Ho, hoogleraar aan het Centrum voor Ontwikkelingsstudies (CDS) in Groningen. Ho is nauw betrokken bij de Nederlandse hulp voor het opzetten van een Chinees kadaster: 'zijn' CDS is hoofdverantwoordelijk voor het onderzoek naar de manier waarop zo'n kadaster vorm kan krijgen.
In zijn oratie, in december 2005, ging Ho in op de nieuwe positie van China en India. De wereld, zegt Ho, is niet langer overzichtelijk in te delen in Noord en Zuid. In het Zuiden is een scheiding ontstaan tussen 'typische' en 'atypische' ontwikkelingslanden. De eerste categorie, vooral Afrika, wordt gekarakteriseerd door stagnerende economische groei, gewapende conflicten en een onmachtige of onwillige staat. De tweede groep, vooral China en India, is in hoog tempo aan het industrialiseren en urbaniseren, waarbij hun welvarender, stedelijke gebieden nauwelijks onderdoen voor de metropolen in het Noorden. Peter Ho: 'Deze scheuring van het Zuiden in typische en atypische ontwikkelingslanden confronteert ons met de vraag hoe ontwikkelingssamenwerking tussen Noord en Zuid haar beslag moet krijgen. Zijn landen als India en China nog wel ontwikkelingslanden? Moeten we hen nog wel hulp geven?'

China haalde 200 miljoen mensen uit de extreme armoede: een enorme prestatie

Over die vraag zijn de meningen verdeeld. In zijn boek Het einde van de armoede geeft econoom Jeffrey Sachs - de motor achter de VN-millenniumdoelen - een duidelijk antwoord: nee. China en India zijn prima in staat om de armoedebestrijding in hun land zelf ter hand te nemen en te bekostigen. Daar is geen hulp van buiten voor nodig. Peter Ho is het daar gedeeltelijk mee eens: 'Als je kijkt naar de gelden, dan heeft Sachs gelijk. Wat Nederland aan China geeft, is een druppel op de gloeiende plaat.' Gerard Oonk, directeur van de Landelijke India Werkgroep, valt hem bij. 'In India is geld zat. Grote infrastructurele projecten, dat moeten wij niet doen. Dat kan India best zelf betalen.'
ZIJN CHINA EN INDIA NOG ONTWIKKELINGSLANDEN?

China is, in absolute zin, de grootste hulpontvanger ter wereld. In 2004 kreeg het land ruim 1,7 miljard dollar officiŽle ontwikkelingshulp. India staat, na IndonesiŽ en Vietnam, op de vierde plaats met bijna 1,5 miljard dollar. De enorme bevolkingsaantallen en de omvang van de economie maken het nodig deze bedragen in een ander perspectief te zien. In beide landen maakt ontwikkelingsgeld ongeveer 0,1 procent uit van het bruto nationaal product. Een Chinees krijgt ongeveer 1,50 dollar hulp per jaar, een IndiŽr 1,20 dollar. Vanuit dit perspectief bezien zijn beide landen kleine hulpontvangers.
Sinds 2003 bouwt Nederland de officiŽle ontwikkelingsrelatie met beide landen af. India verzocht zelf om beŽindiging van de relatie, Nederland nam het initiatief om de hulp aan China stop te zetten. Met beide landen werkt Nederland echter nog wel samen. In China steunt Nederland de ontwikkeling van het particuliere bedrijfsleven. Daarnaast investeert Nederland in technisch-wetenschappelijke samenwerking en versterking van de rechtsstaat. In India zijn diverse grote Nederlandse ontwikkelingsorganisaties actief, zoals Hivos, Oxfam-Novib, Cordaid, ICCO en Plan Nederland. Ook de vakbeweging en talloze kleinere hulporganisaties zijn werkzaam in India.

India heeft zelf geld genoeg

Zijn donorlanden en hulporganisaties daarmee uitgespeeld? Nee, zeggen Ho en Oonk beslist. Grote sommen geld voor armoedebestrijding mogen dan niet meer nodig zijn, maar China kan veel baat hebben bij uitwisseling van kennis en ervaring, vindt Peter Ho. 'Nederland zou China kunnen adviseren op terreinen waar het sterk in is. Ruimtelijke ordening, milieu, infrastructuur of biotechnologie. Ook van ons poldermodel kunnen Chinese organisaties en lokale overheden wellicht iets leren.' In India, zegt Gerard Oonk, zou de donorwereld zich kunnen richten op maatschappelijke vernieuwingen. 'Veel instituties in India werken slecht. Dat leidt bijvoorbeeld tot het slecht functioneren van gezondheidszorg, onderwijs en waterbeheer. Wij kunnen organisaties steunen die zorgen dat deze instituties beter gaan draaien. Het is voor hen niet gemakkelijk om geld van de eigen overheid te krijgen, omdat zij zich vaak kritisch over die overheid uitlaten.'

Hulp nieuwe stijl
De economische groei van China en India verandert aldus het karakter van de westerse hulp: geen grote sommen geld, geen traditionele armoedebestrijding, maar overdracht van kennis en het opbouwen van instituties. De Nederlandse overheid trok al eerder zijn conclusies: in 2003 besloot Nederland de ontwikkelingssamenwerking met China af te bouwen, omdat, aldus het ministerie van Buitenlandse Zaken, 'de Chinese hulpbehoefte afneemt en het land een sterke en voortdurende economische groei kent'. Wel wil Nederland doorgaan met technisch-wetenschappelijke samenwerking met China.

Overdracht van kennis belangrijker dan geld

De Nederlandse steun bij het opbouwen van het Chinese kadaster is een mooi voorbeeld van deze 'hulp nieuwe stijl'. Ook Gerard Oonk merkt dat het karakter van de hulp aan India in de loop der jaren is veranderd: 'Grote clubs, zoals Oxfam-Novib, zien in dat alleen geld pompen in India niet de oplossing is. Ook binnen de Landelijke India Werkgroep hebben we de koers verlegd. Vroeger kritiseerden wij vooral de Nederlandse overheid, omdat wij vonden dat het ontwikkelingsgeld onvoldoende bij de armsten in India terechtkwam. De laatste jaren is maatschappelijk verantwoord ondernemen een speerpunt geworden. Dat volgt de trend dat de Nederlandse economische relatie met India veel belangrijker is geworden.'

Nederland helpt bij opbouwen Chinees kadaster

Er verandert meer: China en India worden steeds kieskeuriger. Zij wensen niet zomaar van iedereen hulp te ontvangen. Dat ervoer Nederland aan den lijve, toen India in 2003 uit eigen beweging de hulprelatie met Nederland stopzette. Geld speelde daarbij niet de belangrijkste rol: de Verenigde Staten, die veel minder aan India doneerden dan Nederland, bleven op het donateurslijstje staan. Vermoedelijk speelden politieke motieven mee: Nederland had zich kritisch uitgelaten over de passieve rol van de overheid tijdens de bloedige botsingen tussen hindoes en moslims in Gujarat, een jaar eerder, waarbij vooral veel moslimslachtoffers vielen.
In India zelf heerst verdeeldheid over het afhouden van buitenlandse hulp. Een deel van de commentatoren noemt het een schande dat India sommige hulp weigert zolang er lokaal diepe armoede heerst. Anderen prijzen juist het feit dat India zich niet langer de wet laat voorschrijven door donoren die voorwaarden verbinden aan de hulpgelden.

Geen zin in kritiek

Economische relatie met India belangrijker dan hulp

'India heeft geen zin in kritiek uit het buitenland,' zegt Gerard Oonk. En daar plukt hij zelf de wrange vruchten van: al drie jaar lang weigert de Indiase ambassade hem een visum. Meer medewerkers van hulporganisaties en journalisten hebben problemen om India binnen te komen. Volgens Oonk juist omdŠt ze institutionele veranderingen willen ondersteunen. 'Ze bekommeren zich om een aantal gevoelige punten,' zegt Oonk, 'zoals de positie van kastelozen. En dat wil India niet horen, hoewel het toch tal van mensenrechtenverdragen heeft ondertekend.'
De verhouding tussen donor en ontvanger is gekanteld. Een land als India hengelt niet meer nederig naar buitenlandse hulp, maar beziet kritisch het aanbod. Buitenlandse donoren willen juist graag een voet tussen de deur houden. Op zich is India niet vies van buitenlandse hulp: onlangs zette het de deur weer open voor landen die minstens 25 miljoen dollar willen besteden. Maar dankzij zijn positie als opkomende economische grootmacht kan India - in tegenstelling tot veel Afrikaanse landen - kritisch zijn over de aard van de relatie.

India en China hebben geen zin in kritiek uit buitenland

In China is het niet veel anders. Hoogleraar Peter Ho: 'China heeft een sterk zelfbewustzijn. Het land durft eisen te stellen aan donoren. China laat niet zomaar zijn politieke agenda bepalen door die van de donoren. Donoren bieden zich aan, China maakt een keuze.' Ho vindt het onverstandig dat Nederland heeft besloten de hulp relatie met China af te bouwen: 'Nederland heeft absoluut een belang bij het geven van hulp aan China. Het is een wereldmacht in wording. De economische belangen zijn enorm. Alle landen willen toegang tot de Chinese markt. Het is cruciaal dat die markt toegankelijk wordt.' De steun voor de opbouw van het Chinese kadaster is een voorbeeld van het veiligstellen van economische belangen. Het mensenrechtenaspect voert weliswaar de boventoon, maar op termijn is een goedwerkend kadaster ook gunstig voor het Nederlandse bedrijfsleven. Volgens Peter Ho zouden ook Nederlandse en Chinese vastgoedbedrijven bij dit project betrokken kunnen worden. Een aardig detail is het feit dat het Nederlandse ministerie van Economische Zaken het project deels financiert.

Chinezen zitten overal in Afrika

Buitenlandse donoren willen voet tussen deur houden

China en India bedienen zelf de sluis van de hulpstroom. Dat tekent niet alleen hun relatie met westerse donoren: de invloed van de Aziatische grootmachten wordt steeds voelbaarder in de rest van het Zuiden, met name in Afrika. Vooral de Chinezen zijn alomtegenwoordig op dit continent. China bouwt bruggen in Angola en EthiopiŽ, het zette een parlementsgebouw neer in Ivoorkust en financierde een stuwdam in Congo-Brazzaville. Chinezen pompen olie op in Soedan, Angola en Nigeria, halen ijzererts uit Liberia en koper uit Zambia. Chinees textiel en huisraad vinden hun weg naar winkels en straathandelaren in Malawi en Mozambique. Die Chinese aanwezigheid is niet nieuw, maar de intensiteit groeit. Vijf jaar geleden had de handel tussen China en Afrika een omvang van 10 miljard dollar, voor 2006 zal dat naar schatting 30 miljard zijn, volgens gegevens uit de oratie van Peter Ho.
India is wat minder direct zichtbaar, maar eveneens in groeiende mate aanwezig in Afrika. Aidsremmers van het Indiase Cipla redden er het leven van duizenden hiv-geÔnfecteerden. India heeft eveneens aandelen in de olie-exploitatie in Soedan, LibiŽ en Nigeria. Tussen 1991 en 2005 steeg de handel tussen India en Afrika van minder dan 1 miljard tot ruim 9 miljard dollar. Het land importeert Afrikaanse katoen, fruit, groenten, chemicaliŽn en delfstoffen.
Zowel India als China steunt Nepad, het New Partnership for Africa's Development. India gaf bovendien 500 miljoen dollar aan het 'Team-9 programme', een ontwikkelingsinitiatief tussen India en acht landen in West-Afrika.

Chinese handel met Afrika groeit razendsnel

De reden voor de Aziatische belangstelling voor Afrika laat zich gemakkelijk raden: China en India schreeuwen om grondstoffen, vooral olie, om hun eigen groeiende economieŽn op stoom te houden. Een kwart van de Chinese olie-importen komt inmiddels uit Afrika. In ruil daarvoor belonen China en India Afrikaanse landen met directe investeringen, de aanleg van infrastructuur en steun aan hulpprojecten. Hulp en handel zitten bij China en India in ťťn pakket.

Gefronste wenkbrauwen
Die Aziatische opmars in Afrika doet behoorlijk wat wenkbrauwen fronsen. China en India stellen namelijk geen voorwaarden aan het geven van hulp - zolang zij maar toegang krijgen tot lokale grondstoffen en de lokale markt. NRC Handelsblad berichtte eerder dit jaar dat Angola dankbaar een lening van de Chinezen verkoos boven een lening van het Internationale Monetaire Fonds: het IMF verbond voorwaarden aan de lening, om te waarborgen dat het geld werd besteed aan de wederopbouw van het land. De Chinezen vroegen niets. China doet evenmin moeilijk over zakendoen met dictatoriale regimes. Europese landen boycotten Zimbabwe, China steunt president Mugabe met giften en leningen. Datzelfde geldt voor Soedan: daar saboteerde China met succes de pogingen van de VS en de EU om sancties op te leggen aan de regering, wegens mensenrechten schendingen in Darfur.

Hulp en handel zitten bij China en India in ťťn pakket

Peter Ho: 'De Chinezen werken pragmatisch met Afrikaanse landen samen en laten zich weinig gelegen liggen aan de mensenrechtensituatie. Dat is de negatieve kant van het verhaal. Je weet niet zeker of geld voor infrastructuurprojecten ook daarvoor wordt gebruikt. Het kan ook worden aangewend voor militaire inzet.' In een recent rapport analyseert DFID, het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking, de gevolgen van de Chinese opmars in Afrika. Die zijn volgens DFID gemengd. In een aantal Afrikaanse landen staat de lokale textielindustrie onder druk door goedkope Chinese importen. Tegelijkertijd profiteren Afrikaanse consumenten van de lage prijzen van Chinese kleding en huisraad, wat hun koopkracht vergroot.

Chinezen doen ook zaken met dictatoriale regimes

Volgens Peter Ho heeft Afrika per saldo vooral baat bij de Aziatische aanwezigheid: 'De opkomst van China is een enorme kans voor Afrika. Juist op het moment dat westerse landen Afrika links laten liggen, trekken de Chinezen massaal Afrika binnen. Op het niveau van een individueel land maken zij een enorm verschil in de infrastructurele opbouw. Bovendien maakt de handel tussen Afrika en China een groot aantal consumentenproducten goedkoper. Afrikaanse landen hebben daar profijt van - met uitzondering van landen als Lesotho, die zelf textiel produceren. De invloed van China in Afrika is enorm en veelzijdig.'

Westen voelt zich bedreigd
De snelle opmars van China en India in Afrika stelt westerse donoren voor nieuwe vragen, al lijkt menige hulporganisatie daar nog amper over na te denken. Sinds het einde van de Koude Oorlog hadden westerse landen en hulporganisaties nagenoeg het monopolie op ontwikkelingssamenwerking in Afrika. De donorlanden groeiden zelfs moeizaam toe naar een consensus over hoe die hulp aan Afrika eruit moest zien: economisch eigenbelang mocht niet de boventoon voeren. Hulp moest bij voorkeur ongebonden zijn. Bovendien moest het terechtkomen in landen met goed bestuur en goed macro-economisch beleid.

Opkomst van China is enorme kans voor Afrika

China en India knagen aan dit nieuwe hulprecept voor Afrika. Chinese en Indiase ontwikkelingshulp is per definitie verbonden met economische belangen en niet afhankelijk van behoorlijk bestuur. 'Het gaat weer terug naar het verleden,' zegt Wil Hout, universitair hoofddocent Internationale Ontwikkelingsvraagstukken aan het Institute of Social Studies in Den Haag. 'China zet ons weer dertig jaar terug in de tijd, toen wij het zelf ook zo deden.'

China en India knagen aan westers hulprecept voor Afrika

De westerse donorwereld lijkt zich vooralsnog nog niet goed raad te weten met deze nieuwe 'concurrentie' uit AziŽ. Op zijn best dragen China en India bij aan het doel dat ook de westerse donorlanden voor ogen staat - armoedebestrijding -, op zijn slechtst belonen zij corrupte bestuurders en houden zij dictators in het zadel. Wil Hout heeft wel een idee hoe het Westen tegenwicht zou kunnen bieden: 'Kijk bijvoorbeeld naar het Millennium Challenge Account, het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Staten. Wanneer de VS een land selecteren, dan willen zij een van de grootste donoren zijn in dat land. Dan heeft hun hulp een hefboomwerking. Gelijkgezinde donoren uit Europa kunnen daaruit een les trekken: meer samenwerken. Niet een paar miljoen van de ene donor en een paar miljoen van de andere, maar ťťn pakket. Het wordt dan minder gemakkelijk voor China om daar tegenop te bieden.' Tegelijkertijd zullen westerse donoren zich moeten voorbereiden op een ander soort diplomatie, waarbij, zegt Hout, 'we de fictie moeten loslaten dat we hier industriŽle landen en daar ontwikkelingslanden hebben'. 'China en India hebben, net als BraziliŽ en Rusland, heel andere belangen dan andere ontwikkelingslanden. Dat leidt tot een nieuw palet van machtsverhoudingen in de wereld. Dit zie je al heel duidelijk in de Wereldhandelsorganisatie, waar je een ander soort besprekingen krijgt over handel. Zo zullen ook onderhandelingen over ontwikkelingssamenwerking een ander karakter krijgen.'


Westerse donoren weten zich geen raad met Aziatische concurrentie

terug LIW in de pers Kinderarbeid & Onderwijs HOME Landelijke India Werkgroep


Landelijke India Werkgroep - 27 juni 2006