terug

BRIEF

van Amnesty International en de Landelijke India Werkgroep (d.d. 30 november 2000) gericht aan de Commissie Maatschappelijk Ondernemen van de Sociaal-Economische Raad.

ref.1130mvo.ser
Utrecht, 30 november 2000


Aan:
De Commissie Maatschappelijk Ondernemen (MaO)
Sociaal-Economische Raad
Den Haag


Geachte commissie,

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het ontwerpadvies maatschappelijk ondernemen.
Graag willen een eerste reactie geven op dit ontwerp ten behoeve van de vergadering van 4 december waarin de commissie haar definitieve tekst vaststelt. Wij zullen ons daarbij, gezien het mandaat van onze organisaties, met name richten op de internationale dimensie van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Allereerst willen wij onze waardering uitspreken over het feit dat de relatie/dialoog tussen ondernemingen met belanghebbenden, waaronder NGO's, wordt gezien als een essentieel element van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Terecht wordt geconstateerd dat NGO's mensen mobiliseren rond bepaalde vraagstukken en waarden in de samenleving als instrument voor maatschappelijke ontwikkeling. Door de commissie worden daarmee terecht ook de grenzen ('a voice is not a vote') van NGO's aangegeven en wordt tevens zichtbaar dat de overheid een zeer belangrijke eigen rol heeft, juist ook bij maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wij komen daarop verder in de brief terug.

Begripsbepaling
Om te beginnen enige algemene opmerkingen over de analyse en filosofie in het ontwerpadvies.
De opvatting van de commissie dat de zorg voor de maatschappelijke effecten van het functioneren van de onderneming tot de 'core business' van de onderneming behoort delen wij, maar blijft nog zeer algemeen. Het geeft geen uitsluitsel over de toedeling van verantwoordelijkheden voor die zorg tussen overheid, onderneming en andere partijen.
In uw definitie van maatschappelijk ondernemen gaat u echter alleen in op de rol van de onderneming: "het bewust richten van ondernemingsactiviteiten op waardecreatie op langere termijn" rond de dimensies profit, people en planet. In paragraaf 3.4. wordt die toedeling van verantwoordelijkheden duidelijker waar u stelt dat "maatschappelijk ondernemen inhoudt dat van extrinsieke sturing wordt overgegaan naar intrinsieke sturing". Waar al eerder in paragraaf 2.5 werd opgemerkt dat de overheid, samen met NGO's en omwonenden, tot de "secundaire belanghebbenden" moet worden gerekend, ligt vervolgens de conclusie in paragraaf 4.8. (over de rol van de overheid) voor de hand dat aanvullende wetgeving vooralsnog niet noodzakelijk is.
Ons inziens is hier sprake van een analyse en begripsbepaling die gebaseerd is op de Nederlandse situatie en niet op de internationale context van verantwoord ondernemen. Dit ondergraaft in sterke mate een van de hoofdfuncties die de commissie zelf aan het advies toekent: het scheppen van duidelijkheid over het begrippenapparaat met betrekking tot maatschappelijk ondernemen.

De internationale dimensie
Dat brengt ons op het meest fundamentele bezwaar tegen het ontwerpadvies. Dit is dat in het begrippenapparaat, de analyse, de argumentatie en de adviezen geen onderscheid wordt gemaakt tussen de nationale en internationale dimensie van maatschappelijk ondernemen.
De analyse van de Nederlandse verhoudingen wordt, meestal impliciet, gebruikt om ook de internationale dimensie van verantwoord ondernemen te benaderen. De wereld functioneert echter niet volgens het Nederlandse poldermodel. De filosofie van de commissie past wellicht goed bij de Nederlandse verhoudingen waar zeker de 'bottom line' van arbeids- en mensenrechten bij wet zijn geregeld en goeddeels worden nageleefd, maar niet bij de internationale situatie op het gebied van arbeids- en mensenrechten en de rollen en verantwoordelijkheden van ondernemingen op dat gebied.
Bij maatschappelijk verantwoord ondernemen in internationaal verband gaat het om een veelheid van situaties waarin algemeen geaccepteerde normen en rechten - waarbij de Nederlandse staat partij is - door Nederlandse ondernemingen niet worden nageleefd. De vraag is vervolgens welke verantwoordelijkheden overheden (internationaal, nationaal en zelfs lokaal) en andere partijen hebben om deze normen en rechten te bevorderen en bij niet-naleving zo nodig af te dwingen. Dat neemt overigens niet weg dat ondernemingen ook in het buitenland van ondernemingen verwacht mag worden dat zij meer doen dan het naleven van fundamentele mensen- en arbeidsrechten.

Het is te betreuren dat een analyse van de internationale dimensie geheel ontbreekt, terwijl - zoals het Ministerie van Economische Zaken in haar aanvraag stelt - 'deze adviesaanvraag mede is gevoed door de discussie over internationaal maatschappelijk ondernemen'. Verder stelt de adviesaanvraag duidelijk: "De internationale dimensie speelt zich af op het snijvlak van internationaal ondernemen en maatschappelijke thema's zoals arbeidsnormen, milieu en mensenrechten. Het gaat er daarbij om of die thema's aanleiding geven om nadere randvoorwaarden te stellen aan internationale handel en/of aan de bedrijfsvoering van ondernemingen in het buitenland."
De commissie volstaat echter met een, overigens zeer onvolledige, beschrijving van codes en normenstelsels zonder verder een analyse te maken van de arbeids- en mensenrechtenkwesties waarmee bedrijven met name in zuidelijke landen worden geconfronteerd en hun verantwoordelijkheid ter zake. Verder worden in hoofdstuk 6 internationaal geaccepteerde normen, audit-standaarden en vrijwillige richtlijnen door elkaar gehaald zodat het zicht verdwijnt op de internationaal aanvaarde normen en de diverse verantwoordelijkheden voor uitvoering daarvan.

De vrijblijvendheid waar het gaat om internationaal aanvaarde normen komt pregnant tot uiting op pagina 71 waar de Commissie Maatschappelijk Ondernemen schrijft dat een bedrijfcode kan worden gebruikt om expliciet aan te geven welke relevante internationale normen de onderneming onderschrijft, zoals de OESO-richtlijnen en de IAO-normen. Op pagina 75 wordt gewag gemaakt van de 'ruime keuzemogelijkheden' van ondernemingen die aansluiting zoeken bij internationaal geaccepteerde normen. In de korte paragraaf daarna over geratificeerde IAO-normen, in het bijzonder de fundamentele arbeidsnormen, wordt echter gesteld dat deze normen bindend zijn voor ondernemers en werknemers.
Het bindende karakter van deze normen is echter simpelweg niet te verenigen met de keuzevrijheid van bedrijven uit breed aanvaarde normen. De vraag is juist hoe deze bindende normen in de praktijk kunnen worden gebracht (en zo nodig kunnen worden afgedwongen) en hoe diverse actoren, inclusief de Nederlandse bedrijven en de Nederlandse overheid, daaraan moeten bijdragen. Het advies geeft daarop geen antwoord.

Bij maatschappelijk verantwoord ondernemen in de internationale context is het absoluuut noodzakelijk de direct betrokkenen, met name in ontwikkelingslanden, te betrekken. Internationaal verantwoord ondernemen gaat veelal juist om hún arbeids- en mensenrechten. De rol van de diverse actoren in ontwikkelingslanden bij verantwoord ondernemen, zowel overheden, vakbonden als NGO's, maar ook hun relatie met de betreffende Nederlandse actoren komt echter in het ontwerpadvies nauwelijks aan de orde.

Rol van de overheid
De commissie meent dat de overheid weliswaar het recht heeft 'minimumnormen' in wetgeving vast te leggen, maar doet vervolgens de generieke uitspraak dat aanvullende wetgeving 'vooralsnog' niet gewenst is om maatschappelijk ondernemen te bevorderen omdat 'maatschappelijk ondernemen primair het resultaat zou zijn van de (horizontale) relaties die de onderneming met haar omgeving opbouwt en de (meer)waarden die daaruit voortvloeien.
In de volgende paragraaf geeft de commissie echter goede argumenten ("free-ridergedrag, prisoners' dilemma" etc) waarom in de maatschappelijke arena ontwikkelde normen soms vastgelegd moeten worden in "afdwingbare spelregels die waarborgen dat alle marktpartijen worden geconfronteerd met de werkelijke, maatschappelijke kosten van hun voorkeuren en beslissingen". In internationaal verband zijn die normen er ook, maar zijn er onvoldoende mechanismen om naleving daarvan zo nodig af te dwingen. Bij afwezigheid daarvan worden bedrijven vaak niet geconfronteerd met die maatschappelijke kosten, juist omdat de relaties met haar omgeving (zeker in ontwikkelingslanden) veelal aanzienlijk minder horizontaal zijn dan in Nederland.

De invloed van internationaal opererende bedrijven neemt toe door liberalisering en globalisering en daaraan, door internationale regelgeving in onder meer WTO-verband, verbonden rechten. Van een soortgelijke globalisering van de gereguleerde verantwoordelijkheid van bedrijven voor naleving van fundamentele arbeids- en mensenrechten rechten is echter nog geen sprake. Gezien de toenemende invloed van bedrijven op arbeids- en mensenrechten wereldwijd en de veelvuldig voorkomende straffeloosheid bij arbeids- en mensenrechtenschendingen, is het daarom van groot belang om internationaal spelregels voor bedrijven vast te stellen die gebaseerd zijn op normen die internationaal zijn aanvaard maar dikwijls worden nageleefd. Deze spelregels moeten uiteindelijk wettelijk afdwingbaar zijn.
De overheid heeft nationaal en internationaal de taak aan deze spelregels te werken. De Global Compact tussen de Verenigde Naties en bedrijven, alsmede het werk van de 'UN Sub-Commission on the Promotion and Protection of Human Rights' aan een 'Human Rights Code for Companies' zijn daartoe eerste aanzetten. De Nederlandse regering zou zich sterk moeten inzetten voor het tot stand komen van dergelijke bindende spelregels. De WTO en de ILO kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Echter juist een bredere inzet op diverse niveaus van de V.N. kan er in belangrijke mate bijdragen aan ondersteuning van deze spelregels door ontwikkelingslanden. Bij de nieuwe OESO ontbreekt die ondersteuning van de meeste ontwikkelingslanden.

Zolang dergelijke spelregels er nog niet zijn moet de Nederlandse overheid zich in onze visie maximaal inzetten voor het bevorderen van arbeids- en mensenrechten wereldwijd, door een combinatie van norm- en regelgeving en economische prikkels die het internationale bedrijfsleven aanzet om maatschappelijk verantwoord te handelen. In dat verband willen wij opnieuw verwijzen naar ons pleidooi voor een Nederlandse (of Europese) modelge-dragscode die wordt gekoppeld aan diverse rollen van de overheid als wet- en regelgever én als marktstimulator, marktmeester en marktpartij. Ook hier willen we voor nadere informatie verwijzen naar onze brief van 5 oktober.

In uw advies stelt u terecht dat van overheden zelf ook goed maatschappelijk ondernemerschap mag worden verwacht in hun rollen als werkgever en als inkoper/opdrachtgever. Dat geld ons inziens ook voor de rol van overheden als subsidie-verschaffer en garantie-verschaffer aan en aandeelhouder bij bedrijven.
Het is echter, mede gezien de in de Kamer aangenomen motie over een gedragscode voor de 'overheid als ondernemer', uitermate teleurstellend dat de commissie dit thema niet verder uitwerkt. De overheid zou in deze een zeer belangrijke voorbeeldfunctie kunnen vervullen, juist waar het de internationale dimensie betreft.

Verantwoording en verslaglegging
De passages die de commissie op diverse plekken in het advies wijdt aan transparantie en verantwoording zijn allerminst eenduidig. Waar het gaat om 'milieubelasting' onder het kopje 'planet' (pagina 92) stelt de commissie duidelijk dat 'het ondernemershandelen transparant moet zijn'. Bij 'people' ontbreekt een dergelijke passage. Naleving en bevordering van mensen- en arbeidsrechten lijken zo tot het minder belangrijke tweede echelon van maatschappelijk ondernemen te behoren.
Op pagina 93 wordt veel algemener gesteld dat van ondernemingen wordt verwacht om antwoord te geven op 'gerechtvaardigde vragen' vanuit de maatschappij. Niet duidelijk wordt wat 'gerechtvaardigde vragen' zijn, zeker gezien het feit dat de individuele onderneming in de opvatting van de commissie deze keuze zelf dient te maken. Ook op pagina 103 en 105 worden transparantie en periodieke verslaglegging aanbevolen als basis voor de 'dialoog met belanghebbenden'. Waar echter elke vorm van normering én verplichting van dergelijke verslaglegging ontbreekt, verwordt verslaglegging in de praktijk vaak een nieuwe vorm van public relations.

De discussie over verantwoording en verslaglegging spitst zich toe op de mogelijke rol van de OESO richtlijnen op dit gebied en op een eventuele nationale wettelijke verplichting tot sociale rapportage.
Wat betreft de OESO richtlijnen stelt de commissie dat deze ook aanbeveelt om informatie te verschaffen over het sociale, ethische en milieubeleid van de onderneming. Opvallend is echter dat de OESO richtlijnen stellen dat financieel-economische informatie moet worden gegeven, terwijl het geven van informatie over het sociale, ethische en milieubeleid dor ondernemingen alleen 'worden aangemoedigd'. In combinatie met de vrijwilligheid van de richtlijnen is dit een zeer zwakke basis voor transparantie.
Helaas wijst de commissie een wettelijke verantwoordingsplicht - aan de hand van algemeen geaccepteerde normen - af. Zij motiveert dat onder meer met het argument dat er nog geen duidelijke normen zijn waaraan het functioneren van ondernemingen kan worden afgemeten (hoewel dat in de daarop volgende zin sterk wordt afgezwakt). Het is waar dat op ondernemings- en sectorniveau controleerbare standaarden nog in ontwikkeling zijn, hoewel er goede voorbeelden van bestaan. De standaarden zelf zijn er echter wel. Bij een eerste fase van wettelijke verslagleggingsplicht kan van bedrijven worden gevraagd hoe zij die standaarden in praktijk brengen en welke problemen zich daarbij voordoen. Parallel daaraan kan, zoals de commissie voorstelt, de Raad voor de Jaarverslaglegging worden gevraagd methodieken voor 'maatschappelijke rapportage' te inventariseren en zo nodig (verder) te ontwikkelen welke op die standaarden zijn gebaseerd. Na overleg met bedrijfsleven, vakbeweging en maatschappelijke organisaties, zou de overheid vervolgens kunnen besluiten om voor bepaalde standaarden rapportagemethodieken te verplichten en voor andere louter aan te bevelen.
Wij zijn van mening dat elke vorm van wettelijke verplichting tot 'maatschappelijke rapportage' in ieder geval een verslag moet bevatten over (het plan van aanpak tot) naleving van de vier fundamentele arbeidsnormen alsmede een vorm van onafhankelijke verificatie daarvan. Voor onze nadere standpuntbepaling hierover verwijzen we naar de brief van 5 oktober jl. aan de Vaste commissie voor Economische Zaken.

Promotiecentrum verantwoord ondernemen
Het is teleurstellend dat de commissie een zeer beperkte rol bepleit voor het 'informatiecentrum verantwoord ondernemen' door de functie daarvan te beperken tot 'inzichtelijk maken en doorverwijzen naar bestaande informatiebronnen'. Wij pleiten voor een actief kennis- en promotiecentrum verantwoord ondernemen, waarvan onder voorbeelden te vinden zijn in het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen. Onze opvatting over de rol van een dergelijk kenniscentrum is eveneens te vinden in onze brief van 5 oktober jl.

Tot slot
Samenvattend spreken wij er onze teleurstelling over uit dat geen van de maatregelen die momenteel op publieke en politieke agenda staan als het gaat om de rol van de overheid bij verantwoord ondernemen in het buitenland, bij de commissie op veel enthousiame kunnen rekenen. Van de overheid wordt niet verwacht dat zij zich inzet voor bindende internationale richtlijnen voor bedrijven m.b.t. mensenrechten- en arbeidsnormen, verplichte verslaglegging wordt afgewezen, de rol van een kenniscentrum wordt uiterst minimaal ingevuld en het 'maatschappelijk ondernemerschap' van de overheid wordt niet nader uitgewerkt en vooral van vraagtekens voorzien (zie 'lastig te vervullen eisen' op pagina 53).

Wij hopen dat u ons commentaar op uw ontwerpadvies zult betrekken bij de definitieve vaststelling van dit advies op 4 december a.s. en zien de resultaten daarvan met veel belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,


Gemma Crijns (Amnesty International)
Gerard Oonk (Landelijke India Werkgroep)




pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN

begin document

Landelijke India Werkgroep - 13 december 2000