terug

Tweede Kamer der Staten-Generaal


Vergaderjaar 2000-2001



26 485 Maatschappelijk verantwoord ondernemen




Nr. 15 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 4 mei 2001

1 Inleiding

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) behoort tot de kerntaken van een onderneming volgens de Sociaal Economische Raad. Het bindt bedrijfsleven, overheid, burgers en maatschappelijke groeperingen. Deze verschillende actoren vervullen elk een eigen rol én werken samen aan het bereiken van meer maatschappelijk ondernemerschap. Ten aanzien van de te onderscheiden actoren en hun rol heeft het kabinet onlangs het advies van de SER «De winst van waarden» ontvangen. De kabinetsreactie hierop heeft u reeds ontvangen (26 485 d.d. 3 april 2001). Deze brief handelt over een deelterrein binnen het brede MVO-beleid, namelijk de relatie tussen MVO en de inzet van het financieel buitenlandinstrumentarium.

In de afgelopen periode is veel aandacht besteed aan maatschappelijk verantwoord ondernemen in internationaal verband. De totstandkoming van de hernieuwde OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, zoals die sinds de zomer van 2000 gelden, is een duidelijke mijlpaal in dit verband.
Deze richtlijnen geven een handvat en een referentiekader voor ondernemingen bij het invullen van hun maatschappelijke rol. Als direct gevolg van de nieuwe richtlijnen hebben wij ons beraden op de consequenties daarvan voor de instrumenten die de overheid heeft om bedrijven te stimuleren om actief te worden en te blijven op buitenlandse markten. Immers, uit de OESO-richtlijnen spreken verwachtingen van overheden ten aanzien van het gedrag van ondernemingen.

In haar advies stelt de SER dat maatschappelijk verantwoord ondernemen zich van onderop ontwikkelt. Zelfregulering door het bedrijfsleven moet voorop staan. Hierbij is voor de overheid een actief stimulerende rol weggelegd. Dat maakt generieke regelgeving zoals hierboven beschreven niet het meest voor de hand liggende instrument. Echter, waar het gaat om de inzet van overheidsinstrumenten op buitenlandse markten kan niet worden volstaan met zelfregulering. Juist in opkomende markten en ontwikkelingslanden ontbreekt het vaak aan wet- en regelgeving en handhavingscapaciteit, onder andere op het gebied van milieu-, anti-corruptie, sociale wetgeving, belastingen en mededinging. Er is vaak sprake van een ondernemersklimaat dat maatschappelijk verantwoord ondernemen bemoeilijkt, zodat nadere waarborgen nodig zijn.

Meer in het algemeen geldt dat bedrijven, door te investeren in maatschappelijk zwak ontwikkelde samenlevingen, een positieve bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van die samenlevingen. Tegelijkertijd hebben bedrijven in die omstandigheden een bijzondere maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dit betekent dat bedrijven ook in deze landen zo transparant mogelijk dienen te opereren. Hierbij valt onder andere te denken aan informatieverstrekking, en het betrekken van de bevolking of relevante instanties bij besluiten die hen rechtstreeks treffen.

Over dit onderwerp is al eerder met de Kamer van gedachten gewisseld, zowel schriftelijk (29 juni 2000, TK 1999-2000 26 485 nr. 9) als mondeling tijdens het Algemeen Overleg over maatschappelijk verantwoord ondernemen van 11 oktober 2000 en in het daaropvolgende Voortgezet Algemeen Overleg op 28 november 2000. In het Algemeen Overleg is toegezegd de Nederlandse inzet t.a.v. de exportkredietverzekering, en met name de milieueisen die hierbij een rol spelen, te vergelijken met die van andere landen. Met deze brief wordt mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Financiën invulling gegeven aan de voornemens ten aanzien van het export- en investeringsbevorderende buitenlandinstrumentarium. Ook wordt hiermee invulling gegeven aan de motie-Koenders (TK 2000-2001 26 485 nr. 13; aangenomen op 5 december jl.), die zich toespitst op de exportkredietverzekering en ORET/Miliev.

2 Aanpak op hoofdlijnen

Ook bij de inzet van het export- en investeringsbevorderende instrumentarium moet maatschappelijk verantwoord ondernemen een belangrijke rol spelen.
Daarbij zal het bedrijfsleven -voorzover nodig- doordrongen moeten worden van haar verantwoordelijkheid bij het ondernemen in het buitenland en moet de overheid zich concentreren op de randvoorwaarden om dit te realiseren.

Internationale ontwikkelingen spelen hierbij een belangrijke rol. De aandacht voor maatschappelijke aspecten in het internationale zaken doen is immers niet beperkt tot Nederland. Daarbij is de totstandkoming van het OESO-verdrag ter bestrijding van omkoping bij internationale transacties (1997) en van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (2000) van groot belang geweest voor de internationaal nagestreefde meer geharmoniseerde benadering. Deze OESO-richtlijnen worden dan ook in Nederland kracht bijgezet door van ondernemers op dat punt een duidelijke inspanningsverplichting te vragen als zij gebruik willen maken van het export- en investeringsbevorderende instrumentarium.

Bovendien zullen, waar mogelijk, aanvragen van ondernemers (incl. voorstellen voor opdrachten) worden getoetst op eenduidig en transparant toepasbare criteria, zodat onverantwoorde vormen van ondernemen met gebruik van het export- en investeringsbevorderende instrumentarium worden uitgesloten.
Hierbij gaat de aandacht vooralsnog uit naar: het tegengaan van corruptie, naar milieu en sociale omstandigheden; thema's welke zich lenen voor uitwerking in algemeen toepasbare criteria en aansluiten op internationale ontwikkelingen. Deze MVO-toets kan uitsluitend op een verantwoorde manier per individueel, door de overheid ondersteund, project worden vormgegeven, want er kleven aanzienlijke juridische en handhavings-technische complicaties aan het alternatief, te weten het toetsen per bedrijf, waardoor zulk een benadering in de praktijk niet uitvoerbaar is. De overheid moet - zeker bij dit belangrijke onderwerp - geen zaken pretenderen die zij niet kan waarmaken.

De ervaring op uiteenlopende overheidsterreinen leert dat het stellen van regels en voorwaarden alleen niet afdoende is. Vandaar dat in deze brief ook wordt ingegaan op de monitoring door de uitvoerder en de handhaving. Bij de handhaving in geval van ernstige inbreuken op de principes van de Richtlijnen is voor het Nationaal Contact Punt (NCP, zie verder punt 5) een belangrijke rol weggelegd.

In het kort komt de aanpak op het volgende neer:
a) bedrijven vragen de OESO-richtlijnen te onderschrijven;
b) opnemen van afwijzingsgronden bij het toetsen van aanvragen;
c) monitoring en handhaving.

Deze aanpak wordt voor het gehele financieel buitenlandinstrumentarium gevolgd. Er kan echter niet voorbij worden gegaan aan het gegeven dat het export- en investeringsbevorderende instrumentarium divers van aard is. Bij een aantal instrumenten worden, vanwege de specifieke aard van deze instrumenten en de mate van overheidsbetrokkenheid bij de daaraan gelieerde projecten, bij de beoordeling van aanvragen reeds op verdergaande wijze aspecten van de OESO-richtlijnen betrokken. Zo worden bijvoorbeeld bij ORET/Miliev, PSO en PSOM reeds additionele milieu-eisen gesteld. Bij deze instrumenten kunnen tevens andere aspecten van MVO een rol spelen, zoals het handelen volgens internationale normen op het terrein van mededinging, wanneer lokale wet- en regelgeving tekortschieten, en belastingafdracht. Ook geldt voor ORET/Miliev dat de Nederlandse overheid niet zal stimuleren dat ontwikkelingslanden met hoge schulden importen financieren met leningen die bijdragen aan het toenemen van deze schulden, tenzij de ontwikkelingsrelevantie van de gefinancierde lokale investeringen niet ter discussie staat.
In dit kader is het ook van belang om te vermelden dat recentelijk in OESO-verband een akkoord gesloten is over «productive expenditure», gericht op het tegengaan van overheidssteun aan exporten die geen bijdrage leveren aan de bestrijding van armoede en de sociale en economische ontwikkeling. Op deze wijze wordt een bijdrage geleverd aan de vermindering van de schuldenlast van HIPC's (Heavily Indebted Poor Countries).

De in deze brief uitgewerkte aanpak zal uitdrukkelijk in overleg met betrokken uitvoeringsorganisaties en het bedrijfsleven in de komende periode nader worden uitgewerkt en geïmplementeerd.

3 De OESO-richtlijnen

De OESO-richtlijnen voor Multinationale ondernemingen zijn op 27 juni 2000 door 29 OESO-landen plus Argentinië, Brazilië, Chili en Slowakije ondertekend. De totstandkoming van deze richtlijnen vormt een mijlpaal binnen het internationale MVO-beleid. De ondertekenende landen zijn verantwoordelijk voor ongeveer 90% van de totale mondiale buitenlandse investeringen. Nederland was een belangrijk pleitbezorger voor herziening van de oude richtlijnen uit 1976. Uniek is dat deze richtlijnen tot stand zijn gekomen in nauw overleg met bedrijfsleven, vakbeweging en maatschappelijke organisaties.
Belangrijke onderwerpen als kinderarbeid, dwangarbeid, mensenrechten, milieu, corruptie, mededinging, belastingafdracht en consumentenbescherming zijn in de richtlijnen opgenomen.

Het kabinet zal er op toezien dat alle in do Richtlijnen genoemde elementen in het NCP aandacht krijgen. De richtlijnen zullen in de volle breedte als uitgangspunt dienen voor het beleid gericht op het stimuleren van maatschappelijk verantwoord ondernemen. De voorlichtende rol van EZ in dit verband zal verder worden uitgebouwd. Met betrekking tot het gebruik van het export- en investeringsbevorderende instrumentarium zal een nadrukkelijke relatie worden gelegd met de richtlijnen. Een ondernemer zal schriftelijk moeten verklaren kennis te hebben genomen van deze richtlijnen en zich te zullen inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen, indien hij in aanmerking wil komen voor financiële ondersteuning.

4 Toetsingscriteria

Van alle aanvragen voor het export- en investeringsbevorderende instrumentarium zal worden nagegaan of deze maatschappelijk verantwoord zijn. Niet alle onderdelen van de OESO-richtlijnen lenen zich echter voor uitwerking in algemeen toepasbare criteria voor instrumenten gericht op export en investeringsbevordering. Zoals hierboven aangegeven zullen vooralsnog op de terreinen corruptie, milieu en sociale omstandigheden concrete eriteriafingangseisen worden gehanteerd. Uitgangspunt bij deze maatschappelijke toetsingscriteria is een zo uniform mogelijke toepassing. Soms zijn er echter redenen die noodzaken tot een differentiatie van deze criteria in de diverse instrumenten:

  • Mate van beïnvloedingsmogelijkheid; met name bij projecten met een grote directe betrokkenheid van de overheid is het mogelijk om meer (aanvullende) voorwaarden te stellen op MVO-terrein.
  • Mate van internationale concurrentie; in een zeer concurrerende internationale omgeving is het moeilijker additionele MVO-eisen te stellen, zeker als die uitstijgen boven de eisen die aan buitenlandse concurrenten worden gesteld.
  • Evenredigheid: MVO-eisen en daarmee gepaard gaande administratieve lasten/kosten moeten in redelijke verhouding staan tot financiële omvang van het te ondersteunen project. Bijvoorbeeld een zware (lees: dure) milieutoets bij een relatief kleine subsidie is onevenredig.
Onderstaand wordt per thema het volgende concrete plan van aanpak uitgewerkt, dat gelet op de omvangrijkheid, gebaseerd zal worden geïmplementeerd.

Corruptie

Met het OESO Verdrag ter bestrijding van omkoping bij internationale transacties (1997) is omkoping van buitenlandse ambtenaren t.b.v. zakelijke transacties strafbaar gesteld. Op 1 februari jl. is een wijziging van het Wetboek van Strafrecht op dit punt in werking getreden. Eigenlijk gaat het hierbij dus niet om de MVO-vraag maar om gehoorzaamheid aan de wet. In het export- en investeringsbevorderende instrumentarium zullen waar nodig criteria worden opgenomen die het mogelijk maken in geval van corruptie af te zien van ondersteuning.

Zowel in de beschrijving van het ORET/MILIEV-programma (Staatscourant 2000, 27) als in de individuele beschikkingen daaronder wordt reeds standaard een anti-corruptie bepaling gehanteerd ter voorkoming van evt. ondersteuning door de Staat van transacties die middels omkoping tot stand zijn gekomen.

In de uitvoering van de exportkredietverzekering zal de aandacht voor corruptie verder worden geïntensiveerd. Nu worden interne richtlijnen gehanteerd t.a.v. de normaal geachte hoogte van agentkosten en commissies. Dit heeft tot gevolg, dat NCM/Staat géén dekking afgeven voor transacties, waarbij als gevolg van te hoge commissies vermoedens bestaan t.a.v. eventuele betrokkenheid bij corruptie-praktijken. Mede naar aanleiding van informeel overleg met NGO's is in OESO-verband in november 2000 een Action Statement on Bribery end Officially Supported Export Credits overeengekomen. Daaronder hebben de OESO-lidstaten zich o.a. verplicht tot effectieve maatregelen om corrupte praktijken tegen te gaan, b.v. middels het hanteren van verklaringen door aanvragers/exporteurs. Dergelijke maatregelen worden thans nader uitgewerkt.

Momenteel ligt bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB). Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk subsidies te weigeren dan wel in te trekken wanneer er sprake is van aan die subsidie gerelateerde strafbare feiten. Bekeken zal worden voor welke subsidie-instrumenten in het kader van deze brief deze toekomstige wet toepassing verdient.

Milieu

Bij de beoordeling van aanvragen onder het gebonden hulpprogramma ORET/MILIEV, worden de milieu-implicaties standaard in beschouwing genomen. Bij het samenwerkingsinstrumentarium wordt nu al naar milieu-aspecten gekeken. PSO-projecten dienen bijvoorbeeld zo veel mogelijk te leiden tot een verbetering van de milieusituatie. Vanwege het opdrachtkarakter van dit programma heeft de overheid op projectniveau mogelijkheden om aanvullende eisen te stellen.
Bij de beoordeling van individuele projectvoorstellen worden zoveel mogelijk de Nederlandse milieumaatstaven gehanteerd.

Voor de beoordeling van de milieu-effecten van projecten onder de over- heidsgesteunde exportfinanciering zal worden aangesloten bij het voor eind 2001 voorziene OESO Akkoord over Gemeenschappelijke Benaderingen van de Milieu-Implicaties in de Exportfinanciering. Dit Akkoord biedt een geharmoniseerde benadering voor de wijze waarop de milieubelasting van exportprojecten wordt meegewogen. Het Akkoord is mede van belang om concurrentieverstoringen uit hoofde van internationaal verschillend gehanteerde milieutoetsen te vermijden. Aan de totstandkoming van dit Akkoord wordt door Nederland actief bijgedragen. Overigens zal Nederland zich ook in dit verband sterk maken voor transparantje van de beleidspraktijken van de verschillende Lidstaten.

Vooruitlopend op dit OESO Akkoord zal Nederland zo spoedig mogelijk (streefdatum 1 juni 2001) een milieutoets invoeren. Vanaf die datum zal géén overheidsgesteunde exportkredietverzekering meer worden verstrekt, indien er sprake is van een per saldo groot negatief milieu-effect. Deze uitbreiding van de beoordeling zal gericht worden op het verbruik van schaarse grond- en delfstoffen, het gebruik van energie, emissies naar lucht, oppervlaktewater en bodem, afvalstromen en de effecten van een project op flora en fauna. De beoordeling zal per project plaatsvinden, zonder dat bij voorbaat sensitieve sectoren gedefinieerd zullen worden. Teneinde een substantiële verhoging van de administratieve lastendruk zoveel mogelijk te vermijden zal de milieutoets vooralsnog gericht worden op «grote projecten». Zowel bij de uitvoering van de milieutoets als bij latere evaluaties zal de ontwikkeling in de beoordelingspraktijken in andere OESO-lidstaten vanzelfsprekend mede in ogenschouw worden genomen.

Op basis van de uitwerking van de milieutoets onder de exportkredietverzekering zal worden bezien in hoeverre deze methodiek ook voor andere verzekerings- en/of financieringsinstrumenten toepasbaar is.

Bij het investeringsinstrumentarium worden nu reeds milieueffecten expliciet in kaart gebracht, maar met name in het kader van de risicobeoordeling. Bij de voor 2001 voorgenomen modernisering van dit instrumentarium zullen deze milieucriteria nader worden geëxpliciteerd en waar nodig aangescherpt.

Sociale omstandigheden

In eerdere kamerbrieven is al ingegaan op het belang van de fundamentele arbeidsnormen, zoals genoemd in de 110 Verklaring van 1998 als ijkpunt voor het zaken doen in het buitenland. Uitgangspunt is dan ook om deze normen, daar waar relevant en op projectniveau mogelijk, te integreren in het investeringsbevorderende instrumentarium. Deze door de ILO in conventies vastgelegde normen omvatten:

  • het recht op vereniging en collectieve onderhandeling
  • bestrijding van kinderarbeid
  • verbod op gedwongen tewerkstelling
  • verbod op discriminatie in werken beroep
Bij het export- en gebonden hulp instrumentarium gaat het om kapitaalgoederen, die voornamelijk in Nederland zijn geproduceerd. Op de omstandigheden waaronder deze zijn geproduceerd is dus de Nederlandse wet- en regelgeving van toepassing. Een exporteur heeft in de regel na levering geen formele verantwoordelijkheid voor de fysieke implementatie van een project. Indien echter bij de projectbeoordeling duidelijk is dat sociale normen apert worden geschonden, zal worden bekeken in hoeverre zich dit verhoudt met de van de onderneming gevraagde inspanningsverplichting m.b.t. de OESO-richtlijnen.

Bij het samenwerkings- en investeringsinstrumentarium gaat het daarentegen wel om het gedrag van Nederlandse bedrijven in het buitenland. Hier kunnen arbeidsnormen -afhankelijk van het karakter van het instrument en het project- wél relevant zijn. In de praktijk wordt hiernaar thans door de uitvoeringsorganisaties niet expliciet gekeken.
Inzet is in 2001 op dit punt expliciete toetsingscriteria op te nemen.

Tenslotte zal ook op het gebied van mensenrechten worden aangesloten bij de bestaande en nog verder te ontwikkelen internationale kaders. Indien er onder internationale besluiten maatregelen worden getroffen (bv. internationale sancties) omdat de mensenrechten in bepaalde landen flagrant worden geschonden, dan zullen zulke landen van de toepassing van het financieel buitenlandinstrumentarium worden uitgesloten. Voor individuele projecten van Nederlandse bedrijven wordt in die landen dan géén ondersteuning meer geboden.

Een bijzonder geval hierbij is de recente algemene veroordeling van Birma door de ILO die tot stand is gekomen met inbreng van het bedrijfsleven en de vakbeweging. Deze veroordeling is voor de regering aanleiding om transacties gericht op handel met of investeringen in dit land waar mogelijk verder te ontmoedigen. Overigens was ondersteuning van transacties op Birma ook vóór de veroordeling van de ILO reeds bij de relevante instrumenten opgeschort. Vragen over het optreden van Nederlandse bedrijven in Birma kunnen aan het Nationaal Contact Punt worden voorgelegd.

5 Monitoring en handhaving

In eerste instantie ligt de verantwoordelijkheid voor de toetsing van de aanvragen en de monitoring van de projecten in de praktijk bij de uitvoeringsorganisaties. Waar het om gaat is dat bij uitvoeringsorganisaties voldoende kennis en kunde over maatschappelijk verantwoord ondernemen aanwezig is om aanvragen adequaat te kunnen beoordelen. «Flexibie response» is daarbij belangrijk: de toets moet daarom vooral gericht zijn op de landen enlof sectoren waar de risico's van onverantwoord ondernemen het grootst zijn. Hoe deze kennis wordt opgebouwd is primair zaak van de uitvoerder zelf.
De overheid zal van uitvoeringsorganisaties verlangen dat op dit vlak voldoende kennis aanwezig is (bijvoorbeeld bij de opdrachtverlening of bij de uitvoeringsovereenkomst) en zal toezien of daaraan in de praktijk wordt voldaan.

Met de bovenbeschreven aanpak is nog niet waterdicht gegarandeerd dat er gedurende de looptijd van een ondersteund project geen problemen optreden. Handhaving van MVO-criteria is echter -zoals eerder al eens aangegeven- een juridisch bijzonder lastige zaak. Binnen de juridische grenzen van het mogelijke zullen wij ons echter maximaal inspannen. Wanneer bij geconstateerd maatschappelijk onverantwoord handelen bij een project blijkt dat de ondersteuning is gebaseerd op onjuiste gegevens die door de aanvrager zijn verstrekt zal, afhankelijk van de mate van onjuistheid, de ondersteuning worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd. Daarnaast biedt het eerdergenoemde wets- voorstel BIBOB ook in de handhavingsfase aanknopingspunten.

Daarnaast kan iedere belanghebbende, indien er bij een bepaald bedrijf aanwijzingen zijn van maatschappelijk onverantwoord gedrag, het Nationaal Contactpunt (NCP) inschakelen. Het NCP zal dan in overleg met alle betrokkenen een oplossing voor het probleem helpen zoeken. Als geen overeenstemming bereikt kan worden zal het NCP zijn mening over de juiste toepassing van de OESO-richtlijnen en -indien toepasselijk- aanbevelingen terzake publiceren. Uiteraard zal het NCP alleen een aanbeveling doen indien daarvoor gegronde redenen zijn. Het NCP is met name belangrijk vanwege de beperkte juridische mogelijkheden om in te grijpen bij eventuele MVO-inbreuken na verlening van een subsidie of een opdracht. Deels gaat het hier om een kanalisering en objectivering van «handhaving via de publieke opinie» maar van tenminste even groot belang is aandacht voor de zogenaamde «best practices». Dit laatste zal in de praktijk bijvoorbeeld vorm kunnen krijgen door aandacht van het NCP voor omgang van het bedrijfsleven met lokale organisaties en de relatie tot de lokale techniek en wetenschap. Op termijn kan het op te richten kenniscentrum MVO zich richten op het inventariseren, analyseren en verder verspreiden van voorbeelden van maatschappelijk verantwoord ondernemen in ontwikkelingslanden. Tenslotte zal het NCP aandacht besteden aan aspecten van maatschappelijk verantwoord ondernemen die zich in de eerste instantie aan de publieke opinie onttrekken. In overleg met de SER zal nog dit jaar een workshop worden georganiseerd waarbij deze MVO-«best practices» onder de aandacht zullen worden gebracht. Voor deze workshop zullen worden uitgenodigd de betrokken ministeries, het Nederlandse bedrijfsleven en NGO'S.

6 MVO en overheidsinstrumentarium in internationaal perspectief

Vanuit het streven naar geobjectiveerde benaderingen, die geen afbreuk doen aan het internationale «level playing field» voor het internationaal opererende bedrijfsleven, is een vergelijking van de wijze waarop andere overheden deze problematiek benaderen van belang. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat een directe vergelijking moeilijk is. Er bestaat immers internationaal nog géén handzaam overzicht van de uitvoeringspraktijk van overheden en hun instellingen t.a.v. MVO-aspecten. Bepaalde voorbeelden uit de afgelopen jaren tonen, dat de uitvoeringspraktijk in concrete gevallen kan afwijken van wat op basis van gepubliceerde beleidsintenties verwacht zou worden. Nederland zal zich echter in internationale gremia blijven inzetten voor de totstandkoming van transparantie in toepassingspraktijken van MVO-aspecten in het financieel buitenland instrumentarium.

Aan de Kamer is toegezegd om de Nederlandse inzet op de exportkredietverzekering, met name voor wat betreft de daaronder gehanteerde milieueisen, te vergelijken met die van andere landen. Ook hier is het van belang te wijzen op de harmonisatie die thans in OESO-verband wordt nagestreefd. De OESO Lidstaten hebben afgesproken om vóór eind 2001 een Akkoord over Gemeenschappelijke Benaderingen van Milieu-implicaties in de Overheidsondersteunde Exportfinanciering tot stand te brengen.

Het blijkt, dat een aantal OESO-lidstaten reeds een milieutoets heeft ingevoerd, terwijl een aantal anderen daarmee bezig is. Globaal kan gesteld worden, dat landen, waar de overheidsondersteuning in de exportfinanciering middels directe financiering plaats vindt (zoals de VS, Canada en in zekere mate ook Japan) daar -ten minste naar de letter- iets verder mee zijn dan landen die de ondersteuning voor de exportfinanciering middels verzekeringsfaciliteiten hebben vorm gegeven. Exportfinancieringsinstellingen, zoals US Ex-Im Bank en de Export Development Corporation (EDC) ondersteunen géén projecten, waarvan de verwachte negatieve milleueffecten niet gecompenseerd worden door de verwachte positieve effecten. Overigens wordt daarbij mede als uitgangspunt gehanteerd, dat van de milieutoets in principe geen negatieve invloed op de eigen concurrentiepositie mag uitgaan. Globaal heeft in Europa de overheid vanwege een grotere nadruk op kredietverzekeringsfaciliteiten een geringere betrokkenheid bij exportprojecten, en derhalve een geringere invloed op de specifieke opzet daarvan. De ontwikkeling van een milieutoets is derhalve enigszins complexer van aard en in deze landen wat later ter hand genomen. Desalniettemin kan gesteld worden, dat de ontwikkeling van de milieutoetsen in de meeste Europese landen min of meer parallel verloopt aan de ontwikkeling van het OESO-Akkoord terzake van de exportfinanciering en milieu. De Nederlandse milieutoets in de exportkredietverzekering zal dan ook in woord en in daad de internationale toets ruimschoots kunnen doorstaan.

Ook in het kader van exportkredietverzekering kan worden verwezen naar het reeds eerdergenoemde OESO-akkoord over «productive expenditure».

Met deze brief zijn de kaders bepaald voor het MVO-beleid ten aanzien van het financieel buitenlandinstrumentarium. De bovenbeschreven aanpak is zowel ambitieus als realistisch.

Zij houdt een fundamentele verandering in ten opzichte van de huidige situatie. MVO krijgt hiermee een vaste plaats binnen het export- en investeringsbevorderende overheidsinstrumentarium. De Nederlandse overheid geeft met deze aanpak -samen met het internationaal opere- rende bedrijfsleven- op een betrokken wijze invulling aan haar internationale maatschappelijke verantwoordelijkheid.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,
G. Ybema


KST52933
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2001
Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 26 485, nr. 15



pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 29 juni 2001