terug

Aan
de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Binnenhof 1 a
2513 AA 'S-GRAVENHAGE




Datum
6 oktober 1999
Uw kenmerkOns kenmerk
BEB/DHI/IO
99063023
Bijlage(n)
Onderwerp
maatschappelijk verantwoord ondernemen in internationaal verband; een tussenstand


1 Inleiding
Op 7 september 1999 sprak ik met de Tweede Kamer over het verslag van het Algemeen Overleg van 23 juni 1999 over het thema maatschappelijk ondernemen in internationaal verband. Ik heb de Kamer daarbij toegezegd dat ik in een vervolg op mijn brief van 16 april 1999 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26485, nr.1) nader zal ingaan op mogelijke concrete maatregelen, zoals met de Kamer besproken. Onderdeel hiervan is de op 14 september jl. aanvaarde motie van de leden Verburg, Bos, Van Walsem, Rabbae en Van Middelkoop, waarin de regering wordt uitgenodigd een ontwerp van een gedragscode voor de overheid als ondernemer voor te leggen. In deze brief ga ik in op de met de Kamer besproken mogelijkheden voor concrete initiatieven, en de perspectieven op verwezenlijking daarvan.

Het is duidelijk dat het thema maatschappelijk verantwoord ondernemen momenteel sterk in de belangstelling staat. Dit bleek ook weer tijdens het door mij op 15 september jl. belegde symposium "gedragscodes voor het internationale bedrijfsleven". Dit symposium heeft meer helderheid geschapen over wat het bedrijfsleven al doet op het punt van gedragscodes, en wat men bereid is nog meer te doen. Belangrijker nog is dat tijdens het symposium een aantal concrete initiatieven zijn aangekondigd. Ten eerste de door mij te ontwikkelen voorbeeld-gedragscode. Die krijgt een bredere functie dan alleen de toepassing door de overheid, zoals door de motie-Verburg verzocht. Ten tweede het aanbod van de vereniging VNO/NCW om een convenant met de overheid te sluiten over verslaglegging door het Nederlandse bedrijfsleven over de maatschappelijke aspecten van hun buitenlandse activiteiten.
En ten derde het feit dat het Nederlandse Contactpunt voor Multinationale Ondernemingen een bredere functie krijgt.
Hieronder volgt een overzicht van de zaken die in deze brief aan de orde komen:

  • Opstelling van een gedragscode voor toepassing door de overheid, en voor het functioneren als voorbeeld voor bedrijven die nog geen gedragscode hanteren;
  • Uitbreiding van verslaggeving door bedrijven over hun activiteiten in het buitenland, met de nadruk op naleving van de mensenrechten;
  • Sancties tegen bedrijven in geval van omkoping in het buitenland;
  • Strafbaarstelling van niet-naleving van fundamentele sociale normen door Nederlandse bedrijven in het buitenland.
  • De Nederlandse inzet bij de herziening van de OESO-Richtlijnen voor multinationale ondernemingen.
2 Ontwikkeling van een gedragscode
Zoals op 7 september jl. mondeling toegezegd zal ik een ontwerp voor een gedragscode opstellen die eventueel toepasbaar is op handelingen die de Nederlandse overheid als ondernemer in het buitenland verricht. Zoals bekend treedt de overheid zelden als ondernemer in het buitenland op. Het gaat hier dus primair om aanbesteding van door de overheid gefinancierde projecten in het buitenland. Of een dergelijke code ook in de praktijk toepasbaar is zal nader onderzoek moeten uitwijzen. Dat onderzoek moet de verwachtbare positieve effecten zetten tegenover onbedoelde negatieve aspecten. Van wezenlijk belang is ook dat hantering van een gedragscode verenigbaar is met internationale verplichtingen. Ik zal de Kamer eind dit jaar de ontwerpcode samen met een beoordeling van de toepasbaarheid daarvan voorleggen. Ik wil overigens het bedrijfsleven, de vakbeweging en onafhankelijke deskundigen betrekken bij de opstelling van deze gedragscode.

De code kan echter ook een bredere functie vervullen. Kenmerkend voor de recente ontwikkelingen op het gebeid van verantwoord ondernemen is dat aandeelhouders in toenemende mate bedrijven wijzen op het belang van het hanteren van een gedragscode. Mede in dat licht bezien acht ik het logisch dat de overheid hetzelfde doet bij bedrijven waarin zij aandeelhouder is. Daar waar deze bedrijven nog geen gedragscode voor hun activiteiten in het buitenland hanteren kan de bovengenoemde ontwerpcode met ben worden besproken.
Er zijn overigens heel wat Nederlandse bedrijven die een gedragscode willen hanteren maar niet weten wat nu precies van hen verwacht wordt. Met ons eigen ontwerp kunnen wij die bedrijven op weg helpen bij het opstellen van een eigen gedragscode. Het gaat uiteraard niet alleen om de tekst: nog belangrijker is dat aandacht wordt besteed aan de wijze van implementatie.

3 Verslaggeving door bedrijven over hun activiteiten in het buitenland
Maatschappelijk verantwoord ondernemen begint niet het geven van openheid van zaken door bedrijven. Dat geldt vooral voor zaken die voor de gemiddelde Nederlander minder zichtbaar zijn, zoals de vraag welke maatstaven men hanteert bij activiteiten in het buitenland. Er zijn op internationaal niveau al de nodige initiatieven genomen om bedrijven concrete richtlijnen te bieden voor een adequate rapportage over de maatschappelijke aspecten van hun activiteiten in het buitenland. Zo wordt op dit moment in het kader van het Global Reporting Initiative (GRI) gewerkt aan richtlijnen voor vrijwillige rapportage door bedrijven inzake alle aspecten van duurzaamheid. Bij dit initiatief zijn zowel bedrijven, NGO'S, als internationale organisaties betrokken. Een ander initiatief is de Social Accountability 8000 norm, een concreet model dat bedrijven houvast biedt voor rapportage over naleving van arbeidsnormen. Enkele Nederlandse bedrijven in de textielsector passen SA 8000 al in de praktijk toe. GRI noch SA 8000 zijn algemeen aanvaarde internationale normen. Zij bieden geen pasklare oplossingen voor ieder bedrijf in Nederland. Deze initiatieven illustreren echter dat men op een breed front met deze materie bezig is.

Mijn doel is om met de vereniging VNO/NCW af te spreken dat het Nederlandse bedrijfsleven actief wordt aangemoedigd om informatie te verschaffen over de maatschappelijke aspecten van hun activiteiten in het buitenland. Deze afspraak krijgt wellicht de vorm van een convenant. Uiteraard zal daarbij aandacht worden besteed aan de naleving van de mensenrechten in het algemeen en de fundamentele arbeidsrechten in het bijzonder. Ik hoop hierover eind dit jaar concrete informatie te kunnen voorleggen.

4 Sancties in geval van omkoping
Eerder dit jaar bereikte de Kamer een wetsvoorstel van de Minister van Justitie om het Wetboek van Strafrecht zodanig te wijzigen dat nu ook het omkopen van functionarissen in het buitenland strafbaar wordt gesteld. Alle overige landen van de OESO hebben soortgelijke initiatieven genomen. Naar mijn mening is de dreiging van strafrechtelijke vervolging het meest doeltreffende middel om omkoping tegen te gaan. De vraag of daarnaast ook nog andere sancties tegen Nederlandse bedrijven mogelijk zouden moeten zijn, zoals terugvordering van subsidies of toekomstige uitsluiting daarvan, wordt momenteel in samenspraak met andere departementen onderzocht. Dit is een ingewikkelde juridische materie die nog enige tijd van onderzoek zal vergen.

5 Strafbaarstelling van niet-naleving van fundamentele arbeidsnormen door Nederlandse bedrijven
De fundamentele arbeidsnormen, zoals genoemd in de verklaring van de Ministersconferentie van de ILO van juni 1998 worden in Nederland nauwelijks via het strafrecht gehandhaafd. Daarmee ontbreekt een wezenlijke voorwaarde voor straftechtelijke vervolging van bedrijven die deze normen in het buitenland niet naleven. In feite vindt handhaving van deze normen vooral plaats via buiten het recht gelegen middelen. Dit soort normen behoort immers tot de fundamenten van onze maatschappelijke consensus. Bedrijven die deze normen elders niet naleven lopen het risico door de publieke opinie krachtig te worden terechtgewezen. De praktijk wijst uit dat dit een effectief correctiemechanisme is.

6 De Nederlandse inzet bij de herziening van de OESO-Richtlijnen voor multinationale ondernemingen
Ik acht een tweeledige aanpak van de herziening noodzakelijk. Zowel de inhoud als de effectiviteit van de Richtlijnen moeten verbeterd worden. Wat betreft de inhoud is mijn uitgangspunt dat de vooruitgang die is bereikt in andere internationale fora ook in de Richtlijnen wordt weerspiegeld. Ik vind in ieder geval dat de fundamentele arbeidsnormen zoals geformuleerd in de eerdergenoemde ILO-Verklaring van 1998 ook in de Richtlijnen thuis horen.
Bij de inhoud van het milieuhoofdstuk richt ik mij onder andere op de bepalingen uit de Verklaring van Rio, voorzover deze binnen het bereik van ondernemingen liggen. Duurzame ontwikkeling is niet alleen een zaak van overheden; steeds meer bedrijven erkennen bier een eigen verantwoordelijkheid. Ook de voornaamste ontwikkelingen bij de gedragscodes van bedrijven moeten hun weerslag in de OESO-Richtlijnen vinden. Tenslotte streef ik ernaar dat de Richtlijnen ook buiten het OESO-gebied toegepast worden.

Minstens even belangrijk als de inhoud van de Richtlijnen is de verbetering van de naleving ervan. Het bedrijfsleven zal overtuigd moeten worden van belang en noodzaak van de Richtlijnen. Mede daarom wil ik het Nationale Contactpunt voor Multinationale Ondernemingen een bredere platformfunctie laten vervullen dan voorheen het geval was.

Naast bedrijfsleven en vakbeweging moeten ook andere maatschappelijke groeperingen bij het Contactpunt worden betrokken. Ik ben hiermee al begonnen door het Contactpunt te gebruiken als breed consultatieforum voor de voorbereiding van de Nederlandse inbreng bij de herziening van de Richtlijnen.


(w.g.) drs. G. Ybema
Staatssecretaris van Economische Zaken



pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 29 juni 2001