terug

Tweede Kamer der Staten-Generaal


Vergaderjaar 2000-2001



27 400 XIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2001

26 485 Maatschappelijk verantwoord ondernemen



Nr. 57




1 Samenstelling:
Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (ChristenUnie), M. B. Vos (GroenLinks), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Wagenaar (PvdA), Stroeken (CDA), De Boer (PvdA), Van den Akker (CDA), Geluk (VVD), Ravestein (D66), Verburg (CDA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA), Dijsselbloem (PvdA) en Bolhuis (PvdA).
Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Vendrik (GroenLinks), De Swart (VVD), Van den Berg (SGP), Poppe (SP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van der Steenhoven (GroenLinks), Schimmel (D66), Van Baalen (VVD), Herrebrugh (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Smits (PvdA), De Haan (CDA), Van Beek (VVD), Bakker (D66), Schreijer-Pierik (CDA), Udo (VVD), Hamer (PvdA), Koenders (PvdA) en Schoenmakers (PvdA).
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 22 mei 2001

De vaste commissie voor Economische Zaken 1 heeft op 26 april 2001 overleg gevoerd met staatssecretaris Ybema van Economische Zaken over:
-de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 15 februari 2001 inzake Ondernemerschapsmonitor winter 2000/2001 (EZ-01-93);
-de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 26 januari 2001 inzake etnisch ondernemerschap, zondagswinkelopenstelling in achterstandswijken en het amendement-Van Dijke (27 400-XIII, nr. 47);
-de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 5 april 2001 inzake Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (26 485, nr. 14).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Blok (VVD) vindt dat de ondernemerschapsmonitor duidelijk aangeeft dat maatschappelijk verantwoord ondernemen niet nieuw is: 40% van de bedrijven die actief zijn op het gebied van MVO, is dit al langer dan tien jaar. Nieuw is alleen dat het onderwerp op de politieke agenda is gekomen, overigens met het gevaar dat burgers minder zelf het initiatief zullen nemen. Daarom is het beter dat de overheid zich met regelgeving terughoudend opstelt en zich beperkt tot het oplossen van knelpunten. Blijkens de monitor zijn die er. Helaas wordt niet aangegeven waaruit die bestaan. Zal dat alsnog gebeuren en zal de staatssecretaris vervolgens actie ondernemen?
De heer Blok betreurt het dat in het verleden door de politiek vaak het verkeerde signaal is afgegeven. Ter illustratie herinnert hij aan de gang van zaken bij het beschikbaar stellen door KPN van computers voor een school. Verschillende Kamerleden hadden daar kritiek op. Op die manier werd afbreuk gedaan aan hetgeen MVO in feite is: een positieve bijdrage van het bedrijfsleven aan de samenleving waartoe het niet met wet- en regelgeving wordt gedwongen. Bedacht moet worden dat de samenleving niet kan functioneren als er geen initiatieven zijn die verdergaan dan wat de overheid oplegt.
Bij een eerdere benchmark van het gemeentelijk ondernemersklimaat is gebleken dat veel bedrijven grote moeite hebben met het bieden van parkeergelegenheid, dat de bereikbaarheid onvoldoende is, tegenstrijdige regelgeving hinderlijk enzovoorts. Aangezien die eerder uitgevoerde benchmark zowel de allochtone als autochtone ondernemers betrof, kan geconcludeerd worden dat ook het etnisch ondernemerschap met problemen wordt geconfronteerd. Voor allochtone ondernemers zouden die nog hinderlijker kunnen zijn, omdat zij moeten opereren in een nieuwe samenleving. Het positieve beeld dat in de stukken wordt geschetst, doet daarom geen recht aan de werkelijkheid.
Het georganiseerde bedrijfsleven heeft ook regelmatig bij de Kamer en het ministerie van Economische Zaken gemeld dat het te weinig bij het grotestedenbeleid wordt betrokken. De ondernemers willen bijvoorbeeld partij zijn bij de evaluatie van dat beleid. Wil de staatssecretaris ze die mogelijkheid bieden en ook de allochtone ondernemers betrekken bij het uitvoeren van een nieuwe benchmark?
Initiatieven van het bedrijfsleven en de overheid stranden vaak op bureaucratie. Wat wil EZ doen om dit probleem op te lossen? Een inzet van EZ op dit punt klemt temeer, daar dit ministerie nadrukkelijk tot taak heeft, te voorkomen dat goede kansen onbenut blijven. De 200 mln voor het grotestedenbeleid zou dan ook effectief en aan de hand van doelstellingen moeten worden ingezet.
De heer Blok merkt voorts op dat hij de reactie van de staatssecretaris op het verzoek om te komen tot verruiming van de mogelijkheid van zondagswinkelopenstelling in achterstandswijken, zeer beknopt vindt. In de brief van 26 januari 2001 wordt geconcludeerd dat veel gemeenten geen behoefte hebben aan die verruiming. Het zou echter niet juist zijn als gemeenten die die behoefte niet hebben, kunnen verhinderen dat andere gemeenten wel een ruimhartiger beleid voeren. Het voorgenomen initiatief van de VVD en de PvdA tot verruiming van de Winkeltijdenwet is overigens niet strijdig met wetgeving waarin de zondag als rustdag wordt aangemerkt. Reeds nu is het immers mogelijk dat winkels een bepaald aantal dagen per jaar op zondag open zijn. Daarbij ligt de keus bij de gemeenten. Het voorstel is nu om slechts die keuzemogelijkheid te vergroten.
De heer Blok wijst er in dit verband op dat het voorstel van de PvdA en de VVD op dit punt in concept is gedaan en dat dit ter bespreking naar een aantal maatschappelijke organisaties is gestuurd. Aan de hand van de reacties van deze organisaties zal een definitieve versie van het initiatiefwetsvoorstel worden opgesteld en vervolgens de normale parlementaire behandeling ondergaan.
De regering zegt in haar reactie op het SER-advies «De winst van waarden» verdergaande afspraken te willen maken met betrekking tot de rechten van de mens, arbeidsrechten en milieu. Die afspraken dienen wel in internationaal verband te worden gemaakt. Als Nederland namelijk op dit punt eenzijdig maatregelen neemt, zou dat de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven kunnen schaden. Volgens de media zou Nederland internationale afspraken, bijvoorbeeld op het terrein van exportkredietverzekering, niet volledig nakomen. Wat is de mening van de staatssecretaris hierover?
In de notitie met een reactie op het SER-advies wordt voorts steun voor het idee van de oprichting van een nationaal kenniscentrum uitgesproken. Niet duidelijk wordt gemaakt of het bedrijfsleven aan zo'n centrum behoefte heeft. Gebleken is dat ook zonder zo'n centrum bedrijven voor een vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen kiezen. Verder wordt niet duidelijk gemaakt wat de taak van het kenniscontrum zou moeten zijn.

De heer Koenders (PvdA) vindt dat maatschappelijk verantwoord ondernemen een nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheid, de markt en de civiele samenleving met zich brengt. Die nieuwe verantwoordelijkheidstoedeling kan de kracht van de economie ten goede komen. MVO is daarom meer dan een hype. Eerder zou men kunnen spreken van een trend. Vanwege deze notie ware het beter geweest een hoorzitting te organiseren en aan de hand van alle stukken van de regering hierover een debat te voeren. Nu zullen de woordvoerders zich vanwege de tijd beperkingen moeten opleggen waardoor niet alle aspecten kunnen worden belicht.
Terecht stelt het SER-rapport dat maatschappelijk verantwoord ondernemen tot de kerntaken van een onderneming behoort en dat daarom voor bedrijven scherpere doelstellingen van belang zijn. Zij vervullen immers niet alleen een economische taak, maar ook een maatschappelijke. Met die maatschappelijke medeverantwoordelijkheid kan de overheid haar voordeel doen, mede omdat de trend van onderop komt en niet wordt opgelegd. Het stimuleren van deze trend is in het belang van de economie, de werknemers en het ondernemersklimaat.
In dit licht is de reactie van het kabinet op het SER-advies teleurstellend. De rol van de overheid dient namelijk tot uiting te komen door zelf als ondernemer het voortouw te nemen, door bijvoorbeeld bij exportkredietverzekeringen doelstellingen te hanteren, door ondernemersgedrag te binden aan meer regels en normen, door informatievoorziening aan de markten door het bevorderen van de samenwerking tussen partijen. Hierover wordt in de notitie van het kabinet weinig gezegd, terwijl tegelijk van MVO een te optimistisch beeld wordt geschetst met te stellen dat Nederland een voortrekkersrol vervult. In andere landen gaat de regelgeving voor ondernemingen veel verder. Ter illustratie wijst de heer Koenders op de situatie in het VK. Daar heerst een uitgebreider regime voor de rapportage door pensioenfondsen, is het overheidsbeleid meer gedebureaucratiseerd en zijn er fondsen voor de bestrijding van achterstandssituaties en de bevordering van de veiligheid. Ook in de VS is men met het maatschappelijk beleggen op een niveau van 14% veel verder dan in Nederland waar het op 2% blijft te steken. De transparantie van de financiële bedrijvigheid is er eveneens groter. Noorwegen kent commissies met vertegenwoordigingen van het bedrijfsleven, de vakbeweging, NGO's en de overheid die onderzoek doen naar bijvoorbeeld het gedrag van bedrijven in het buitenland, in de olie-industrie enzovoorts.
In de notitie wordt een definitie gegeven van MVO: Indien het bedrijf zich bewust richt op alledrie de dimensies van waardeschepping (profit, people and planet) onderneemt het maatschappelijk. De heer Koenders plaatst kanttekeningen bij deze definitie. Het gaat volgens hem niet om het zich «richten op», maar om het bereiken van resultaten.
Hij merkt voorts op, het indienen van een initiatiefwetsvoorstei te overwegen om daarmee te komen tot regelgeving ter bevordering van MVO. Met die regels kan het level playing field worden verbreed, de samenwerking worden bevorderd, bedrijven worden gestimuleerd en de transparantie door middel van verslaglegging worden vergroot. Is de staatssecretaris het met minister Brinkhorst eens, dat bedrijven veel consistenter informatie moeten verschaffen over hun bedrijfsvoering? Zou die informatieverschaffing niet als een maatschappelijke plicht moeten worden aangemerkt? Vindt de staatssecretaris niet dat Nederland op verschillende punten meer zou moeten doen en het bijvoorbeeld het ethnical training initiative van het VK moet overnemen? Wat wordt bedoeld met het in kaart brengen van mogelijkheden van door Nederland veroorzaakte milieuschade in het buitenland? Wat zijn de ideeën van de regering op het punt van vrijwilligerswerk?
De regels voor het maatschappelijk verantwoord ondernemen hoeven niet tot een grotere administratievelastendruk te leiden. In dat verband refereert de heer Koenders aan de gang van zaken bij de financiering van projecten in het kader van het grotestedenbeleid. Daarbij is sprake van bundeling van geldstromen, waardoor juist de bureaucratie afneemt.
Er worden in de notitie van de regering maar weinig voorbeelden gegeven van manieren waarop de overheid zelf als maatschappelijk verantwoord ondernemer zou kunnen fungeren. Er wordt wel gezegd dat voor de overheid een leidraad zou moeten worden opgesteld voor overheidsaankopen. Het opstellen daarvan zal in samenspraak met betrokkenen gebeuren. De heer Koenders meent dat zo'n leidraad in samenspraak met het parlement moet worden opgesteld. Verder wijst hij erop dat de overheid bij het vervullen van haar rol als maatschappelijk ondernemer het instrument van de exportkredietgarantie heeft. Het trof hem dat juist uit de stukken voor de komende OESO-vergadering blijkt dat het kabinet een ander beleid wil voeren dan bij motie is gevraagd. Er wordt namelijk in de OESO-stukken gezegd dat er voor Nederland geen sprake hoeft te zijn van sustainable development bij het geven van exportkredietgaranties. Welke verklaring heeft de staatssecretaris voor deze opstelling, mede gelet op de opmerking in de notitie dat Nederland een voortrekkersrol vervult? Wil de regering hierover meer informatie verschaffen alvorens op de komende vergadering van de OESO in mei met de richtlijn terzake van exportkredietverzekering akkoord te gaan?
Een goed idee vindt de heer Koenders de oprichting van een kenniscentrum. Dat centrum zou de rol van promotor van maatschappelijk verantwoord ondernemen kunnen vervullen. Welk bedrag zal voor de oprichting van het centrum moeten worden uitgetrokken? Welke taak krijgt het? Worden standaarden opgesteld? Zal een website met rapportages worden gemaakt? Denkt de overheid aan de instelling van commissies naar het voorbeeld van die in Noorwegen? Is gedacht aan het aanstellen van een ombudsman? Zullen ook de ambassades rapporteren over MVO in het buitenland?
Veel ondernemersvaardigheden zijn voor migranten moeilijk. Het verdient daarom aanbeveling juist het etnisch ondernemen een extra kans te bieden en dat is ondenkbaar zonder netwerken. Het werken met mentoren verdient aanbeveling, zij het dat die mentoren niet uit de eigen etnische groep hoeven te komen. Ten onrechte wekt de staatssecretaris de indruk dat het stimuleren van het ondernemerschap bij migranten vooral een zaak is voor EZ en de minister voor het GSB. Hierbij dienen juist andere departementen betrokken te worden, zoals die van VROM en SZW.

Mevrouw Verburg (CDA) vindt het verheugend dat het aantal allochtone ondernemers toeneemt, maar constateert ook dat velen van hen slecht voorbereid en met onvoldoende kennis van de Nederlandse wet- en regelgeving een bedrijf beginnen. Dat bemoeilijkt de bedrijfsvoering en resulteert in een toenemend aantal faillissementen. Daarom is het jammer dat er geen geschikte opleiding voor die categorie ondernemers is. Is de staatssecretaris voornemens de etnische ondernemers in de gelegenheid te stellen zich beter voor te bereiden?
Mevrouw Verburg steunt de opstelling van het kabinetten aanzien van de zondagswinkelopenstelling, verwoord in de brief van 26 januari 2001 van de staatssecretaris. Verruiming van de mogelijkheid van de zondagsopenstelling van winkels in slechts enkele wijken, zou het verkeerde effect kunnen hebben van een concentratie van etnische winkeliers in een wijk. Verder is in het overleg met de grote steden gebleken dat zij geen behoefte hebben aan verruiming van de Winkeltijdenwet. Het verbaast mevrouw Verburg dan ook dat de fracties van de Partij van de Arbeid en de VVD die wet wel willen verruimen. Zij wijst erop dat bij de evaluatie van de wet de VVD-minister daar ook geen voorstander van was.
De notitie van het kabinet mist concrete maatregelen en doet niet volledig recht aan het belang van MVO. MVO is een ontwikkeling die de groene draad van de economie in de 21ste eeuw zou kunnen zijn, maar dan moet wel duidelijk worden wat ermee wordt bedoeld en wie de coördinatie heeft. Gelet op het grote aantal deelterreinen dat wordt genoemd, dreigt het gevaar van versnippering. Wil de staatssecretaris zijn coördinerende functie gestalte geven en de rol van EZ meer tot uiting laten komen? Wil de staatssecretaris het onderwerp MVO voortaan meer nadrukkelijk tot zijn beleidsterrein rekenen? Wil de staatssecretaris duidelijk maken op welke manier hij MVO op Europees niveau wil bevorderen en het partnerschap met het bedrijfsleven en NGO's vorm wil geven? Wil hij ook voor eenheid in beleid zorgen en voorkomen dat door ministeries een gezamenlijke nota verschillend wordt uitgelegd, zoals het geval was met de nota over ondernemen tegen armoede?
Mevrouw Verburg wijst er voorts op dat MVO niet tot gevolg mag hebben dat de overheid haar eigen taken afwentelt op het bedrijfsleven. De overheid dient daarentegen een partner te zijn met een eigen verantwoordelijkheid die waar dat nodig is, het bedrijfsleven de nodige ruimte biedt. Ter illustratie refereert mevrouw Verburg aan de getroffen ondernemers in Enschede. De overheid zou met het beroep op de eigen verantwoordelijkheid van die ondernemers de lasten op hen kunnen afwentelen. Dat zou echter niet passen bij de rol die de overheid heeft, zeker niet als de minister-president zegt voor ruimhartige regelingen te willen zorgen. Mevrouw Verburg is tegen het stellen van wettelijke regels voor de verslaglegging door bedrijven. MVO verkeert nog in het stadium waarin het stellen van overheidsregels niet aan de orde is, maar waarin het gaat om het aanspreken van bedrijven op hun verantwoordelijkheid. Regels hebben bovendien alleen dan zin, als zij een zekere mate van verfijning kennen. Te algemene regels werken vaagheid in de hand. De verfijning zou echter de administratievelastendruk weer te veel vergroten, zodat het veel beter is thans wettelijke regels achterwege te laten. Daarnaast geldt dat VNO-NCW niet voor een wettelijke verplichting ten aanzien van de verslaglegging over MVO is.
Het NCP, het Nationaal contactpunt, kent thans een tripartiete samenstelling: overheid, werkgevers en werknemers. Mevrouw Verburg pleit voor handhaving van deze samenstelling alsmede voor handhaving van de adviserende rol van het contactpunt. De informatieverschaffing zou het nationaal kenniscentrum kunnen verzorgen.
De NGO's moeten nadrukkelijk een rol spelen bij MVO. Het kabinet maakt niet duidelijk op welke manier het de functie van de NGO's wil bevorderen en op welke manier die instellingen aan een toets kunnen worden onderworpen. Ook NGO's kunnen namelijk te veel een eigen richting volgen en daarmee het bedrijfsleven hinderen. Zij dienen dus eveneens verantwoording voor hun optreden af te leggen.
Het kabinet is voornemens de Stichting van de Arbeid om advies te vragen. Het kabinet wil weten op welke manier MVO in cao's kan worden vervat. Is bekend hoe de adviesaanvraag gaat luiden?

De heer Vendrik (GroenLinks) vindt het jammer dat de discussie over MVO niet beter wordt gestructureerd. Het zou immers logisch zijn geweest eerst de maatschappelijke partijen erover te horen en de brief van het kabinet af te wachten waarin de internationale dimensie van MVO wordt behandeld. Nu moet de behandeling opgesplitst worden in een discussie over MVO-binnenland en MVO-buitenland. Ter voorbereiding van de discussie over MVO-buitenland zou de regering de Kamer kunnen informeren over het beleid ten aanzien van exportkredietverzekeringen. Het instrument van de exportkredietverzekeringen leent zich namelijk voor het bevorderen van MVO. Wil de staatssecretaris aangeven wanneer hij op dit punt duidelijkheid kan verschaffen?
Positief vindt de heer Vendrik het dat over MVO, waarover de discussie reeds jaren gaande is, een nota is verschenen. Wel moet geconstateerd worden dat de inhoud van die nota omgekeerd evenredig is met de ambities van de overheid. Fundamentele veranderingen worden niet aangekondigd. De mogelijkheden van MVO blijven vaag. Er wordt bijvoorbeeld niet ingegaan op het rapport van het Social venture network, een groep van ondernemers die geen vertegenwoordiging in de SER heeft, terwijl zij wel de voortrekkers van MVO zijn. Het had voor de hand gelegen hun rapport van een reactie te voorzien. Opvallend is dat deze ondernemers juist wel pleiten voor het stellen van wettelijke regels voor de verslaglegging over de maatschappelijke aspecten van de bedrijfsvoering.
Verder ontbeert de nota een visie op het ondernemen in de financiële sector. Er wordt alleen gesproken over de pensioenfondsen, maar de financiële sector is veel groter. Vooral bij bespreking van de internationale aspecten van MVO zou de hele financiële sector aan de orde moeten komen. Op allerlei manieren is die in Nederland namelijk betrokken bij leningen die een MVO-toets zouden rechtvaardigen. De minister van Financiën heeft toegezegd dat het kabinet met een standpunt terzake zou komen, maar die toezegging is niet nagekomen. Wil de staatssecretaris bevorderen dat de Kamer op korte termijn alsnog wordt geïnformeerd? Welke maatregelen wil de overheid voor de financiële sector nemen? De nota doet het voorkomen dat MVO dubbel winst oplevert: het is goed voor het milieu, de omgeving en voor de winstcijfers. Het streven naar voordeel op verschillende terreinen is echter niet een aspect van MVO, maar van goed ondernemerschap. Daarentegen gaat het bij MVO om de bereidheid een extra inspanning te leveren, terwijl die extra inspanning geen of misschien wel een negatieve invloed heeft op de winstontwikkeling.
Ter illustratie noemt de heer Vendrik het WAO-beleid. De toename van het aantal WAO'ers en de geringe effecten van de overheidsmaatregelen zouden een extra inspanning van het bedrijfsleven rechtvaardigen. Zij zouden zonder dat dit in de winstcijfers tot uitdrukking komt, de reïntegratie van WAO'ers kunnen bevorderen. Het beleid ten aanzien van MVO moet echter dan zo zijn ingericht dat die extra inspanning wordt geleverd ook als geen sprake is van de win-winsituatie.
Een ander voorbeeld vormt de mobiliteitstoename. Als Nederlandse bedrijven hun mobiliteitsbehoefte reduceren, zal zich dat niet direct vertalen in een betere concurrentiepositie, maar wel direct een bijdrage leveren aan de oplossing van een maatschappelijk probleem. Bedrijven kunnen zich afvragen of het massaal verstrekken van lease-auto's maatschappelijk wel zo verantwoord is en of er in de logistiek van hun bedrijf niet mogelijkheden zitten om de automobiliteit te reduceren.
In dit verband wijst de heer Vendrik er ook op dat het percentage opgewekte duurzame energie niet toeneemt. Ook daarbij zou MVO positief kunnen uitwerken, maar dan zal er de bereidheid moeten zijn, af te zien van de goedkope bruinkool- of kernenergie. MVO is dus niet altijd letterlijk winst maken, maar wel bereid zijn een bijdrage op een bepaald terrein te leveren.
De heer Vendrik sluit zich aan bij de kritische opmerkingen van de heer Koenders over het Nederlandse standpunt terzake van de OESO-richtlijn voor exportkredietverzekeringen. De Nederlandse opstelling doet vermoeden dat de overheid zelf nog weinig actie wil nemen bij het bevorderen van MVO. Hij verzoekt de staatssecretaris de Nederlandse inbreng op de aanstaande OESO-bijeenkomst voorafgaande aan die bijeenkomst met de Kamer te bespreken.
De heer Vendrik wijst er voorts op dat de machtsverhoudingen in het bedrijfsleven veranderen en de aandeelhouders meer invloed op de bedrijfsvoering krijgen. Zij zijn daarom in een goede positie om een bedrijf op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid aan te spreken. De klassieke aandeelhouder zal dat niet gemakkelijk doen, want hij heeft alleen oog voor het kortetermijnrendement. Daarom is ook verandering van de opstelling van de aandeelhouder gewenst. Met de voorgenomen wetgeving van de minister van Financiën is die verandering evenwel niet te verwachten, hetgeen in strijd is met de opstelling die het kabinet in de nota inzake MVO kiest.
Aan wetgeving voor het verkrijgen van de nodige transparantje van MVO door middel van verslaglegging wordt nog niet gedacht. Verwezen wordt naar de Raad voor de jaarverslaglegging. Die raad heeft reeds jaren geleden het bedrijfsleven geadviseerd in de verslaglegging aandacht te besteden aan MVO. Toch gebeurt dat niet. De enige verklaring daarvoor is de vrijwilligheid. Daarom doet de suggestie van het kabinet dat de raad op dit punt opnieuw zou kunnen adviseren, vreemd aan. Wetgeving lijkt de aangewezen weg, gelet ook op het feit dat dit voor het bedrijfsleven de nodige duidelijkheid biedt.
Tot slot vraagt de heer Vendrik de staatssecretaris de leden voor de zomer meer informatie te verschaffen over de opzet van het kenniscentrum. Welke maatschappelijke partijen zullen erin participeren? Reeds bij de begrotingsbehandeling is gevraagd hoeveel middelen voor de oprichting van dit centrum zullen worden uitgetrokken, maar ook hierover is nog geen duidelijkheid verschaft.

De heer Van Dijke (ChristenUnie) betreurt het dat opnieuw vanwege de beperkte lijd een inhoudelijk debat met de staatssecretaris niet mogelijk is. Hij vindt voorts dat met het uitvoerig spreken over de wenselijkheid van verruiming van de Winkeltijdenwet dit onderwerp onnodig veel aandacht krijgt. Eerder is overduidelijk gebleken dat deze verruiming niet gewenst wordt. Het is dan ook niet terecht dat de staatssecretaris in zijn brief zegt dat er «vooralsnog» geen behoefte is aan verruiming. Het woord «vooralsnog» zwakt de uitkomst van de evaluatie van de Winkeltijdenwet af. Die evaluatie gaf namelijk overduidelijk aan dat aanpassing van de wet niet nodig is. Bovendien hebben de bestuurders van de grote gemeenten laten weten een verruiming onwenselijk te vinden.
De heer Van Dijke wijst er in dit verband nog op dat in een democratie de wens van de meerderheid gerespecteerd dient te worden, en juist op het punt van de zondagswinkelopenstelling wil de meerderheid van de ondernemers dat de wetgeving niet wordt verruimd. Daarnaast geldt dat in verschillende wetten is vastgelegd dat de zondag als collectieve rustdag wordt aangemerkt, en ook wetten zijn gestoeid op de wens van de meerderheid. Het beleid moet daarmee in overeenstemming zijn en gelden voor de gehele samenleving, waarvan de gemeenten deel uitmaken. Tot slot zijn er nog de internationale verdragen die Nederland dient te respecteren.
De heer Van Dijke merkt voorts op dat de staatssecretaris niet helemaal recht doet aan het gestelde naar aanleiding van de indiening van zijn amendement bij de behandeling van de begroting van EZ. In dat debat zei de staatssecretaris dat hij ook de ambitie had om voor de middelen die nodig zouden zijn voor de uitvoering van het amendement, het begrotingsartikel «Investeren in stedelijke en regionale economische ontwikkeling» aan te merken. Nu stelt de staatssecretaris dat het niet zijn verantwoordelijkheid is dat die gelden voor de uitvoering van het amendement worden aangewend en dat de bestuurders van de steden aanwending ervan tot hun verantwoordelijkheid rekenen. Daarmee verlaat de staatssecretaris zijn ambitie om ondernemers bij te staan die zich richten op werknemers met een medische of sociale problematiek.
De heer Van Dijke vindt evenals voorgaande sprekers MVO heel belangrijk voor de vitaliteit van de samenleving en vindt het dan ook verheugend dat de bedrijfsvoering van veel ondernemingen er reeds lang door wordt gekenmerkt. Echter, niet alles mag met een beroep op MVO tot de taak van het bedrijfsleven worden gerekend. Sommige taken behoren nu eenmaal tot de primaire verantwoordelijkheid van de overheid. Verder dient bij het gestalte geven van MVO duidelijk aangegeven te worden wat eronder wordt verstaan. Ten onrechte spreekt de staatssecretaris in dat verband van een activiteit die tot de business van het bedrijf behoort. Business behoort bij de normale bedrijfsvoering, bij het behalen van voordeel, terwijl MVO juist een extra dimensie van het ondernemen is die juist niet direct wordt gekenmerkt door het behalen van zakelijk voordeel. In de stukken zegt de staatssecretaris dat de bedrijven een grotere bijdrage kunnen leveren aan de kwaliteit van het milieu. Rekent men de overheid tot een onderneming, dan moet geconstateerd worden dat zij onder de maat presteert. Zij brengt op landelijk niveau namelijk niet datgene tot stand wat zij overeenkomstig de afspraken van Kyoto zou moeten doen. Dat maakt het lastig, bedrijven aan te spreken op hun bereidheid een bijdrage aan het milieu te leveren.
De staatssecretaris maakt niet duidelijk in welke mate het instrument van om bedrijven te sturen. Of verwacht hij dat het bedrijfsleven spontaan in actie komt? Wat zal nog met een convenant en wat via MVO worden nagestreefd? Of wil het kabinet met MVO tot stand brengen wat niet met een convenant kan worden bereikt?
De staatssecretaris blijft vaag met zijn doelstellingen. Hij zegt wel MVO tot volle wasdom te willen brengen, maar laat na een beeld te schetsen van MVO in volle wasdom. Is MVO tot volle wasdom gekomen als de bedrijven datgene doen wat de samenleving nuttig en nodig vindt zonder dat dat met wet- en regelgeving wordt opgelegd? Als de burgers zouden moeten beoordelen of het bedrijf aan haar wensen voldoet, moet er de vereiste transparantie zijn. Aan de hand van de informatie die de bedrijven zelf verschaffen, moeten zij hun functioneren kunnen beoordelen.
In de stukken worden geen concrete stappen met betrekking tot de oprichting van een kenniscentrum genomen, terwijl de wens daartoe eerder nadrukkelijk is geformuleerd. Wat wil de staatssecretaris met het centrum bereiken? Wil hij daarmee MVO promoten of wil hij het gebruiken voor inventarisatie, studie enzovoorts? Waarom besteedt de staatssecretaris geen aandacht aan het idee van een ombudsman of een vergelijkbare instantie? De heer Van Dijke zegt ten slotte na de uitvoerige discussies eerder over het onderwerp MVO meer concrete stappen van de staatssecretaris te hebben verwacht.

De heer Van der Staaij (SGP) keert zich eveneens tegen het voornemen de zondagsrust met onnodige openstelling van de winkels te belasten. Hij benadrukt de sociale waarde van een collectieve rustdag en wijst erop dat het handhaven ervan blijkens de verschillende verdragen breed wordt erkend. Verruiming van de Winkeltijdenwet met meer mogelijkheden tot openstelling op zondag, gecombineerd meteen verruiming van de Arbeidstijdenwet hebben reeds voor negatieve sociale effecten gezorgd en voor de vrees van het ontstaan van een 24-uurseconomie. Bovendien wordt ten onrechte gepleit voor openstelling op zondag met verwijzing naar wensen van etnische ondernemers. Uiteen onderzoek is duidelijk gebleken dat allochtone ondernemers helemaal geen behoefte hebben aan ruimere mogelijkheden tot openstelling op zondag. Voorzover men op zondag open wil zijn, kan met de huidige regelgeving aan de wensen tegemoet worden gekomen. Zou het niet juister zijn geweest als het kabinet zonder voorbehoud had erkend dat aanpassing van de wet niet wordt gewenst?
Blijkbaar willen VVD en PvdA met hun initiatiefwetsvoorstel waarmee de mogelijkheden van zondagsopenstelling wel worden verruimd, anderen dan de etnische winkeliers tegemoetkomen. Dat zou erop kunnen duiden dat met name de PvdA tot een andere opstelling is gekomen. Dat is niet alleen verbazingwekkend en verontrustend, maar schept ook verwarring. Het initiatiefwetsvoorstel-Van Dijke/Bussemaker doet namelijk veronderstellen dat men het aanmerken van de zondag als collectieve rustdag wil benadrukken.
Positief vindt de heer Van der Staaij het advies van de SER verwoord met «De winst van waarden». Ook daaruit blijkt dat er steeds meer aandacht komt voor de maatschappelijke effecten van het ondernemerschap. Wel dreigt het gevaar dat MVO een soort «containerbegrip» wordt waarmee iedereen zijn voordeel kan doen. Duidelijke definiëring van wat eronder wordt verstaan, is daarom nodig.
Het dwingend opleggen van aanpassingen zou in het kader van MVO niet terecht zijn. De trend moet zich van onderop kunnen ontwikkelen. De overheid moet zich beperken tot stimuleren en faciliteren. Wel moet er een achtervang zijn voor het geval initiatieven niet ver genoeg gaan. Op welke manier denkt de staatssecretaris de achtervangfunctie van de overheid gestalte te geven?
De positie van het op te richten nationaal kenniscentrum blijft vaag. Kan hierover meer duidelijkheid worden geschapen?

Mevrouw Ravestein (D66) is eveneens verheugd vanwege het positieve beeld dat in de ondernemerschapsmonitor van MVO wordt geschetst. Opmerkelijk is dat 40% van de bedrijven die aan MVO doen, zich daar al langer dan tien jaar mee bezighouden. Een kwart van de ondernemers kampt echter met praktische problemen. Op die problemen moet de overheid zich met haar faciliterende en stimulerende rol richten en met name het ministerie van EZ zou het daarbij tot zijn taak kunnen rekenen het etnisch ondernemerschap te bevorderen.
Mevrouw Ravestein meent dat bij de beoordeling van de wensen van gemeenten inzake de zondagswinkelopenstelling in achterstandwijken enkele aspecten buiten beschouwing blijven. Evaluatie van het MDW-project Stad en regels zou kunnen leren dat de steden behoefte hebben aan minder regelgeving. Den Haag heeft met het project goede ervaringen opgedaan en juist die gemeente wil de verruiming van de Winkeltijdenwet. Wellicht gaan op den duur ook andere gemeenten de voordelen van verruiming van de wet zien. Het voorgenomen initiatief van PvdA en VVD is overbodig; het gaat voorbij aan de mogelijkheden die de huidige regelgeving biedt: wanneer een wijk door het gemeentebestuur als een toeristisch interessant gebied wordt aangemerkt, is ook met de huidige regelgeving de gewenste openstelling mogelijk.
Voor mevrouw Ravestein gaat het bij MVO om activiteiten die strikt genomen niet noodzakelijk zijn voor de normale bedrijfsvoering en waarmee meer wordt gedaan dan het bedrijf wettelijk is verplicht. Het zijn activiteiten waarbij het bedrijf niet direct voordeel heeft: de zorg voor een goed product en goede arbeidsomstandigheden horen daar dus niet bij. Bij MVO moet vooral gedacht worden aan inspanningen op lokaal niveau ten behoeve van en in samenwerking met de directe omgeving. De overheid moet voorkomen dat de initiatieven in dit verband worden gehinderd door onnodige regelgeving. De overheid dient te stimuleren en te faciliteren. Daarbij zijn maatwerk, lokale regie en individueel ondernemen de sleutelwoorden.
Mevrouw Ravestein benadrukt het belang van een kenniscentrum. Niet duidelijk is of dit centrum alleen nationaal of ook internationaal actief zal zijn. Een scheiding tussen nationaal en internationaal is wellicht ook daarom aanbevelenswaardig, omdat dan het kenniscentrum voor het nationaal MVO kan worden ondergebracht bij de kenniscentra voor het grotestedenbeleid. Op die manier zal de afstemming tussen MVO en het grotestedenbeleid worden bevorderd en doublures in het werk worden voorkomen. Ziet de staatssecretaris een rol weggelegd voor de Kamers van Koophandel?
Mevrouw Ravestein is vooralsnog tegen de wettelijke eis van verslaglegging over MVO door het bedrijfsleven. Zij vreest voor te veel regels. Waaraan denkt het kabinet bij de in de brief genoemde specifieke wetgeving? Voor de internationale aspecten van MVO zal wél een wettelijke eis van verslaglegging moeten gelden. Welke mogelijkheden zijn er om lokaal MVO fiscaal te stimuleren?
Ten slotte merkt mevrouw Ravestein op dat de overheid ook zelf verantwoord moet ondernemen en daarom bij de aanbestedingen een vorm van contract compliance zou moeten toepassen.

De voorzitter merkt op dat de staatssecretaris vanwege verplichtingen elders de vergadering moet verlaten. Hij vraagt hem schriftelijk op de vragen en opmerkingen van de leden te reageren.

De staatssecretaris zegt toe, voor het einde van het meireces schriftelijk op de inbreng van de commissie te zullen reageren. Over de Nederlandse inbreng in het OESO-overleg dat op 16 en 17 mei wordt gehouden, zal de Kamer binnen enkele dagen worden geïnformeerd.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Biesheuvel

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Tielens-Tripels

KST53254
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2001
Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 26 485, nr. 57



pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 29 juni 2001