terug

Tweede Kamer der Staten-Generaal


Vergaderjaar 2000-2001



26 485 Maatschappelijk verantwoord ondernemen



Nr. 17




1 Samenstelling:
Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (ChristenUnie), M.B. Vos (GroenLinks), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Wagenaar (PvdA), Stroeken (CDA), De Boer (PvdA), Van den Akker (CDA), Geluk (VVD), Ravestein (D66), Verburg (CDA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA), Dijsselbloem (PvdA) en Bolhuis (PvdA).
Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Vendrik (GroenLinks), De Swart (VVD), Van den Berg (SGP), Poppe (SP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van der Steenhoven (GroenLinks), Schimmel (D66), Van Baalen (VVD), Herrebrugh (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Smits (PvdA), De Haan (CDA), Van Beek (VVD), Bakker (D66), Schreijer-Pierik (CDA), Udo (VVD), Hamer (PvdA), Koenders (PvdA) en Schoenmakers (PvdA).
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 5 juli 2001

De vaste commissie voor Economische Zaken 1 heeft op 7 juni 2001 overleg gevoerd met staatssecretaris Ybema van Economische Zaken over:
-de brief d.d. 4 mei 2001 naar aanleiding van toezeggingen tijdens het algemeen overleg over MVO op 26 april 2001 (EZ-01-236);
-de brief d.d. 31 mei 2001 met de beantwoording van vragen uit het algemeen overleg over MVO op 26 april 2001;
-de brieven d.d. 5 april 2001 en 4 mei 2001 inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (26 485, nrs. 14 en 15).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

De staatssecretaris geeft voorafgaand aan het overleg nog een toelichting op de schriftelijke antwoorden. Hij stelt dat de eerste fase van de beleidsontwikkeling inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) inmiddels achter de rug is. De beleidsontwikkeling is zeker nog niet afgerond, maar in de komende tijd zal de implementatie veel meer centraal komen te staan.
Het Nederlandse bedrijfsleven houdt zich steeds meer bezig met MVO, waarbij de grotere bedrijven voorop lopen, maar de kleinere bedrijven er relatief meer geld aan besteden. Ook universiteiten en opleidingsinstituten voor het bedrijfsleven besteden er steeds meer aandacht aan. De rode draad in de kabinetsreactie op het SER-advies wordt gevormd door een actieve rol van de overheid als belanghebbende bij maatschappelijk verantwoord ondernemen, de initiatieven van de overheid om MVO nationaal, maar ook internationaal te bevorderen en het standpunt van de overheid dat van het bedrijfsleven verwacht mag worden dat het zich hierbij actief opstelt en de belangrijke maatschappelijke kanten van zijn activiteiten duidelijk laat zien. De staatssecretaris wil een actieve dialoog met het bedrijfsleven over dit onderwerp, hij denkt niet in de eerste plaats aan wet- en regelgeving, hij verwacht meer effectiviteit van zelfregulering. De overheid moet wel een kader aangeven om duidelijk te maken wat er van het bedrijfsleven wordt verwacht. Samenwerking met de overheid op dit punt kan ook niet als vrijblijvend worden beschouwd.
Uit zijn advies blijkt dat ook de SER het belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen onderschrijft. Er wordt in het advies concreet aangegeven hoe de rol van het bedrijfsleven nog meer inhoud zou kunnen krijgen. Louter streven naar maximale winst is in steeds meer gevallen een achterhaalde beleidsopvatting, men ziet in toenemende mate in dat een bedrijf een bredere verantwoordelijkheid heeft als onderdeel van de maatschappij.
Ook de verslaggeving over MVO is in ontwikkeling. Er zijn wat dit betreft koplopers, maar een zeer grote groep bedrijven is nog niet zo ver. Deze bedrijven zijn wel bereid om er actief naar te kijken, maar zij zouden daarbij nog gestimuleerd kunnen worden door de overheid en door het voorbeeld van de koplopers.
Het Nationaal contactpunt multinationale ondernemingen (NCP) zal nog deze maand en verder jaarlijks aan het secretariaat van de OESO rapporteren over de uitvoering van de richtlijnen van deze organisatie in Nederland. Verder zal de Kamer in september een rapportage bereiken over maatschappelijk verantwoord inkopen, als uitvoering van de motie-Verburg. De staatssecretaris verwacht dan ook een gedegen voorstel ter zake aan de Kamer te kunnen voorleggen. Tevens zullen dan waarschijnlijk de resultaten bekend zijn van het vooronderzoek inzake mogelijkheden voor een kenniscentrum MVO. En uiteraard zal de OESO-rapportage als bundeling van de rapportages van alle aangesloten nationale contactpunten aan de Kamer worden voorgelegd zodra die beschikbaar is. Ten slotte verwacht de staatssecretaris aan het eind van het jaar te kunnen beschikken over het advies van de Raad voor de jaarverslaggeving, zodat dan de definitieve opzet van een kenniscentrum MVO aan de Kamer kan worden voorgelegd. Het is de bedoeling dat dit op 1 januari 2002 van start gaat.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van Walsem (D66) ziet het als een positief aspect van globalisering dat er meer oog is gekomen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Hij vind dit onder andere vanwege grove schendingen van de mensenrechten en aantasting van het milieu in internationaal verband belangrijker dan het nationale aspect, zonder dit laatste overigens te willen verwaarlozen.
Er is in de afgelopen vijf jaar op dit terrein meer gebeurd dan ooit tevoren. De tijd is rijp voor ondernemingen om hun positie en hun doelstellingen voor de lange termijn eens goed onder de loep te nemen, want het streven naar maximale winst van vooral multinationale ondernemingen levert steeds meer fricties in de samenleving op. Steeds meer bedrijven zien in dat om op de lange termijn te kunnen overleven niet alleen het belang van de aandeelhouders aandacht verdient. In dit verband dient bijvoorbeeld ook de beloningsstructuur een onderdeel van MVO te vormen; het is slecht voor het image van een bedrijf als het topmanagement zich bovenmatig verrijkt.
De heer Van Walsem is blij met de Nederlandse inspanningen die geleid hebben tot herziening van de OESO-richtlijnen uit 1976 en hij roept de staatssecretaris op om op deze weg verder te gaan. Het vrijwillige karakter van deze richtlijnen is een nadeel, maar het is de vraag of je de verdere ontwikkeling hiervan niet in de waagschaal legt door aan te dringen op verplichting c.q. op wettelijke regelingen. Hij onderschrijft het advies van de SER om hier vooralsnog niet toe over te gaan. In dit verband wil de regering als voorwaarde voor financiële ondersteuning door de overheid stellen dat men schriftelijk verklaart, kennis te hebben genomen van de OESO-richtlijnen en zich te zullen inspannen om deze naar vermogen in de onderneming toe te passen. De heer Van Walsem steunt dit beleid en hij doet de suggestie om per project criteria te bepalen. Verder is hij een voorstander van oprichting van een kenniscentrum MVO en hij hoopt dat de vakbonden, de ngo's en de consumenten daarbij betrokken worden.

De heer Van Dijke (ChristenUnie) vindt het logisch dat de veranderingen in de maatschappij en van de positie van bedrijven in de maatschappij leiden tot een heroriëntering op de verantwoordelijkheden van bedrijven. De invloed van de economie en van de commercie op het dagelijks leven neemt toe. Hij is dan ook blij met de toenemende aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. De overheid zou als enige democratisch gelegitimeerde afspiegeling van de maatschappij richting en inhoud moeten geven aan het debat over MVO. Aan mooie woorden en goede bedoelingen geen gebrek, maar nu komt het op daden aan. De staatssecretaris geeft dan ook terecht aan dat het nu tijd is voor implementatie.
Welke mogelijkheden zijn er voor democratische controle van het regeringsbeleid inzake MVO? Hoe kan de Kamer nagaan of dit beleid effect heeft en wat het effect ervan is? Volgens de Ondernemerschapsmonitor doet zo'n 40% van de Nederlandse bedrijven iets aan MVO, maar wat? Het is wel mooi dat er 0,7% van de omzet aan MVO is besteed, maar hoeveel geld is er verdiend met maatschappelijk onverantwoord ondernemen? Omdat vele van dit soort zaken nog onduidelijk zijn, dringt de heer Van Dijke aan op meer tastbare maatregelen.
Verder herhaalt hij zijn vraag, in hoeverre het NCP en het kenniscontrum een ombudsfunctie zullen krijgen. Die functie zou naar zijn mening vergelijkbaar moeten zijn met die van de Nationale ombudsman, vooral om onnodige juridisering te voorkomen. Wil de staatssecretaris ook zijn visie geven op de relatie van MVO tot het internationale recht? Waarom wil hij het NCP gescheiden houden van het kenniscentrum? En waarom maakt hij zo'n rigoureus onderscheid tussen MVO in de nationale en de internationale context? Voor internationaal werkende bedrijven is dit onderscheid sowieso heel betrekkelijk en bovendien is er interactie mogelijk. Is zo'n scheiding dus niet gekunsteld en contraproductief?
In het rapport van de SER, waarbij het kabinet zich goeddeels aansluit, wordt de nadruk gelegd op de maatschappelijke sturingsmechanismen: bedrijven worden door de media en hun stakeholders op het rechte pad gehouden. Daarbij is informatievoorziening onontbeerlijk en de SER gaat ervan uit dat bedrijven informatie zullen verstrekken als het verzoek daarom redelijk is. De heer Van Dijke betwijfelt echter of bedrijven wel geneigd zullen zijn, de vuile was buiten te hangen. Wil de staatssecretaris een overzicht geven van de wetgeving waarin de informatieplicht voor bedrijven op dit vlak wordt geregeld, opdat kan worden nagegaan of deze hiaten vertoont?
De heer Van Dijke legt er de nadruk op dat institutionele structuren niet voldoende zijn om maatschappelijk verantwoord ondernemen ingang te doen vinden en dat het alleen kan slagen op basis van de innerlijke overtuiging van bedrijfsleiding en werknemers. De reactionaire houding van het bedrijfsleven in de discussie over MVO spreekt voor hem boekdelen; hij begrijpt niet waarom het zich voortdurend verzet tegen overheidsinvloed op dit gebied.
Verder is de staatssecretaris in de schriftelijke antwoorden niet ingegaan op de rol van de overheid als opdrachtgever. De heer Van Dijke zou hierbij een wat krachtiger optreden van de overheid willen zien. Ook zou hij graag vernemen, met welke landen de staatssecretaris Nederland vergeleken heeft, als hij de conclusie trekt dat Nederland niet zo'n slecht figuur slaat. Daarnaast vraagt hij de staatssecretaris, in te gaan op eerdere vragen over de betekenis van convenanten als instrument om bedrijven tot MVO te brengen. En wil hij een beschouwing geven over wat hij precies voor ogen heeft bij MVO als dat tot volle wasdom gekomen is? Ten slotte vraagt de heer Van Dijke om een brede beschouwing over de rol van de NMa in relatie tot maatschappelijk verantwoord ondernemen.

De heer Blok (VVD) heeft uit de schriftelijke antwoorden opgemaakt dat de staatssecretaris de in het vorige overleg genoemde klachten over knelpunten voor bedrijven bij maatschappelijk verantwoord ondernemen gedeeltelijk overneemt. Men mist een uitgestoken hand als het gaat om het wegnemen van bureaucratische belemmeringen, het is veelal niet eens zozeer een kwestie van geld. De staatssecretaris geeft ook aan dat hij zulke klachten zelf niet heeft vernomen, maar dat hij in juli overleg zal voeren met lokale bestuurders en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Wil hij de Kamer de uitkomsten van dat overleg laten weten? En wil hij dan ook specifiek ingaan op de rol die bedrijven zouden kunnen spelen bij de toetsing van het grotestedenbeleid? Verder vindt de heer Blok het logisch om pas geld voor een kenniscentrum MVO uitte trekken als goed in kaart is gebracht, wat precies de toegevoegde waarde ervan zou zijn. Met enige zorg heeft de heer Blok in de brief over het buitenlandinstrumentarium gelezen dat de maatregelen inzake MVO een verzwaring van de administratieve lasten met zich mee zullen brengen, wat hij vooral voor het midden- en kleinbedrijf een groot nadeel vindt. Hoe is dit te rijmen met de doelstelling van Economische Zaken om vooral voor de kleinere bedrijven de administratieve lasten te verlichten? Heeft de staatssecretaris de maatregelen ter toetsing aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (ACTAL) voorgelegd? De VVD is in het algemeen heel terughoudend met regelgeving, omdat zij het beter vindt als burgers of bedrijven zelf al gemotiveerd zijn om te doen wat de overheid nastreeft. Bovendien heeft de gehele Kamer uitgesproken dat de administratieve lasten verlaagd moeten worden en de VVD wil dan ook elk wetsvoorstel hieraan toetsen. Als er internationaal bindende afspraken kunnen worden gemaakt, zoals binnen de OESO, weegt de effectiviteit van maatregelen zwaarder dan de extra lasten die ermee gepaard gaan, maar als de regering nog geen internationaal draagvlak heeft kunnen vinden voor maatregelen die zij wil doorvoeren, geeft de lastenverzwaring de doorslag. Bovendien nemen bedrijven steeds meer hun verantwoordelijkheid op het gebied van MVO en zijn zij ook bereid, verantwoording af te leggen. Het is nodig om subtiel te werk gaan om landen waar zich de problemen vooral voordoen, te betrekken bij verdragen om die problemen te bestrijden. De OESO-richtlijnen, die betrekking hebben op enkele belangrijke onderwerpen, zijn door een aantal van zulke landen ondertekend. Welk effect verwacht de staatssecretaris op de bereidheid van dergelijke landen om de richtlijnen te onderschrijven als Nederland een andere interpretatie geeft aan vrijblijvende onderdelen en deze gaat vertalen in bindende regels? Hoe hebben andere landen en de OESO zelf hierop gereageerd?
Verder zal Nederland vooruitlopend op het OESO-akkoord over de implicaties voor het milieu bij exportfinanciering zo spoedig mogelijk een milieutoets invoeren, terwijl dit verdrag al tegen het eind van het jaar verwacht wordt. Kan daar dan niet oven op gewacht worden om ervoor te kunnen zorgen dat iedereen op één lijn zit?
De heer Blok heeft een grote behoefte aan duidelijkheid over de juridische status van de voorstellen van de staatssecretaris. Er is afwisselend sprake van een inspanningsverplichting en van een verklaring die bedrijven moeten afgeven. Wat is de status van zo'n verklaring? Kan een bedrijf in verband daarmee voor de rechter gedaagd worden? En welke consequenties zijn er? De onduidelijkheid wordt nog vergroot doordat er in de brief gesproken wordt van een flexibele respons. Wat houdt dit precies in? Hoe verhoudt zich dit tot de betrouwbaarheid van de overheid? Een burger of bedrijf moet toch van tevoren redelijkerwijze kunnen inschatten, aan welke criteria zijn handelen getoetst wordt? Het gaat hierbij om de beginselen van behoorlijk bestuur.

De heer Koenders (PvdA) trekt uit het gesprek met bedrijven en niet-gouvernementele organisaties dat in de ochtend heeft plaatsgevonden, de conclusie dat er algemene overeenstemming over is dat maatschappelijk verantwoord ondernemen uit de samenleving zelf voortkomt en dat dit ook de kracht ervan is. Hij is het met de staatssecretaris eens dat de overheid op dit terrein geen regels moet opleggen, maar met het oog op het publieke belang MVO wel moet stimuleren en criteria moet bepalen. Het bedrijfsleven vraagt hier ook eigenlijk om. De aandacht voor MVO noemt toe en het belang ervan wordt steeds meer onderschreven, maar tegelijkertijd blijkt dat het bij het overgrote deel van het bedrijfsleven helemaal nog niet leeft. De overheid heeft ook een taak als het gaat om het bevorderen van openheid in het jaarverslag van ondernemingen, om de verantwoordingsplicht van bedrijven. De heer Koenders is blij dat de overheid nu ook zelf stappen gaat ondernemen om openheid te verschaffen bij de exportkredietverzekering.
In het algemeen beoordeelt de heer Koenders de brief over het financieel buitenlandinstrumentarium zeer positief, ook hij ziet het beleid in deze brief als een belangrijke stap op weg naar verantwoord en realistisch overheidsoptreden, gebaseerd op de motie op dit punt. Hij sluit zich wel aan bij de vragen van de heer Blok over de juridische status van de voorstellen van de staatssecretaris. Verder noemt hij de MVO-toets een belangrijke doorbraak, maar hij vindt wel dat de beïnvloedingsmogelijkheden van de overheid groter moeten zijn naarmate haar betrokkenheid groter is. Zal er in ieder geval een soort basispakket van criteria gelden? En hoe denkt de staatssecretaris in de praktijk evenredigheid bij deze toets te kunnen toepassen?
Verder legt de heer Koenders de nadruk op het belang van een goede formulering van het concurrentiebeding om te voorkomen dat de criteria bepaald worden door de landen die op een aantal gebieden nog niet zo ver zijn. Hij pleit ervoor, met een aantal landen in de OESO de mogelijkheden voor een goede aanpak op dit punt te bespreken.
Bij de exportfinanciering worden voor een beoordeling van de milieu-effecten niet de Nederlandse maatstaven gehanteerd, maar er wordt aangesloten bij het voorziene OESO-akkoord terzake. De twijfels van de heer Koenders over de inzet van Nederland bij de totstandkoming daarvan zijn nog niet geheel weggenomen en hij constateert dat deze gemeenschappelijke benadering in ieder geval achterblijft bij de OESO-richtlijnen. Welke criteria worden hier nu daadwerkelijk bij gehanteerd en verhoudt zich dit tot andere instrumenten waarbij wordt uitgegaan van de Nederlandse maatstaven?
De passage over de mensenrechten in de brief vond de heer Koenders niet zo duidelijk. Soms is de situatie op dit gebied wel duidelijk, zoals in het geval van Birma, maar bedrijven kunnen ook voor een zeer moeilijke afweging komen te staan. Hij meent dat de regering meer zou moeten expliciteren, welke keuzes zij hierbij maakt.
De heer Koenders is het ermee eens dat de verantwoordelijkheid voor monitoring en handhaving aan de uitvoeringsorganisaties wordt overgelaten, maar hij vraagt zich wel af hoe dit getoetst wordt en of de staatssecretaris hier wel vertrouwen in heeft. Wil de staatssecretaris de rol van het NCP in dezen verduidelijken?
De steun van het ministerie van EZ aan het grotestedenbeleid komt vooral ten goede aan ICT en bedrijfsterreinen en er blijft veelal weinig over voor het stimuleren van de wijkeconomie. De heer Koenders vindt dat EZ hierbij te veel op afstand blijft en hij vraagt de regering, bureaucratie tegen te gaan en ook actief stimulerend op te treden.
Hij sluit zich aan bij de vragen van de heer Van Dijke over een ombudsfunctie voor het NCP en het kenniscentrum. En wat vindt de staatssecretaris van de voorstellen van de Consumentenbond voor een wet openbaarheid productie en keten?
Hoe handelt de regering verder met de motie over het inkoopbeleid van de overheid?
Ten slotte vraagt de heer Koenders zich af, hoe een goede rapportage aan de OESO mogelijk is zonder rapportages van ondernemingen over MVO. Ook vraagt hij de staatssecretaris nog, in te gaan op de suggesties die hij in het vorige overleg gedaan heeft voor de opzet van een kennis- en promotiecentrum.

Voor mevrouw Verburg (CDA) is uit het al genoemde overleg met vertegenwoordigers van bedrijven en organisaties duidelijk geworden dat maatschappelijk verantwoord ondernemen eigenlijk nog in de kinder- schoenen staat, maar dat er wel een breed draagvlak voor is. Het gaat er nu dan ook om, hoe deze ontwikkeling kan worden gestimuleerd en begeleid om MVO tot volle wasdom te laten komen. Zij vindt dat de regering hiertoe nu een goede aanzet geeft, waarbij het zowel om verantwoordelijkheid nemen als om verantwoording afleggen gaat.
De staatssecretaris hecht hierbij aan zelfregulering, maar het is de vraag of daarmee kan worden volstaan. Wetgeving is misschien niet steeds het juiste antwoord in een zo dynamisch proces als MVO, maar mevrouw Verburg meent wel dat de staatssecretaris iets meer zou kunnen doen aan het stimuleren van het MKB en van bepaalde branches en sectoren. Zij pleit voor het sluiten van convenanten en het hanteren van vormen van certificering om MVO en de verslaglegging daarover te bevorderen. Mevrouw Verburg ziet een cruciale rol voor ngo's bij maatschappelijk verantwoord ondernemen, omdat die vertolken wat er op allerlei gebieden in de samenleving omgaat. Zij kunnen dienen als gesprekspartner, als sparringpartner voor het bedrijfsleven en in die zin zijn zij ook stakeholders. Nu gaat het erom, te bevorderen dat het bedrijfsleven de dialoog aangaat en dat het bedrijfsleven en deze organisaties daarbij kunnen bouwen op deskundigheid. Is de staatssecretaris bereid, dit proces wat meer te stimuleren en er ook faciliteiten voor te geven? Verder is zij blij dat uit de brief over het financieel buitenlandinstrumentarium blijkt dat de staatssecretaris zich nu veel actiever opstelt en zich in het kabinet ook opwerpt als coördinator op dit terrein. Zij hoopt dat hij kan voorkomen dat andere bewindspersonen te veel hun stokpaardjes berijden.
Volgens de media heeft de staatssecretaris zich bij de recente conferentie over corruptie wel tegen dit verschijnsel uitgesproken, maar heeft hij ook gezegd dat een beetje corruptie soms onontkoombaar is. Een beetje integer zijn kan niet, geldt hiervoor niet hetzelfde? Welke afspraken zijn er bij deze conferentie gemaakt en wanneer zullen deze hun weerslag vinden in bijvoorbeeld een OESO-richtlijn?
Ook mevrouw Verburg vindt het wat merkwaardig dat de regering vooruit wil lopen op het akkoord inzake een gemeenschappelijke milieutoets door op 1 juli aanstaande een eigen milieutoets in te voeren. Dat akkoord wordt al in september verwacht; is het niet verstandiger om al het mogelijke te doen om dat waar te maken en vervolgens alles op alles te zetten om die gemeenschappelijke benadering in Nederland te implementeren?
Als de overheid exportsubsidies geeft, doet zij dat met een bepaald doel. Mevrouw Verburg onderschrijft van harte dat hiervoor zeer duidelijke criteria moeten gelden. Bij exportkredietverzekeringen of andere kredietfaciliteiten wordt er aan bedrijven gevraagd, de OESO-code te onderschrijven. Op dit punt heeft zij enige aarzelingen, want hoe staat het met de controle en de handhaving en zijn er juridische consequenties aan verbonden? Is de staatssecretaris bereid om in een brief aan te geven, in hoeverre de voorgenomen MVO-toets de uitwerking vormt van de richtlijnen die de OESO-landen en vier andere landen hebben ondertekend? Het lijkt mevrouw Verburg in ieder geval het beste om eerst in OESO-verband afspraken over die uitwerking te maken om een betere benchmarking en een level playing-field te bevorderen.
Met de voorstellen van de staatssecretaris krijgt het Nationaal contactpunt vlees op de botten, maar hoe wil hij investeren in de capaciteit hiervan, ook met het oog op de al genoemde ombudsfunctie, en in de capaciteit van het kenniscentrum?
De staatssecretaris wil aandacht besteden aan de overheid als maatschappelijk verantwoord ondernemer, maar welke inspanningen heeft hij zich voorgenomen in het Europese verband?
Ten slotte stelt mevrouw Verburg voor, een «Triple P-prijs» in te stellen voor een bedrijf dat zich onderscheidt bij zijn inspanningen voor peopie, profit en planet.

De heer Vendrik (GroenLinks) spreekt er net als in het vorige overleg zijn verbazing over uit dat de term «maatschappelijk verantwoord ondernemen» nooit voorkomt in de stukken waarmee de minister van Economische Zaken de Kamer bestookt. Hij gaat ervan uit dat de staatssecretaris in positieve zin uitgroeien zal tot «de gesel van EZ» en dat de eerstvolgende begroting van dit ministerie zal beginnen met een hoofdstuk over MVO. Het Nationaal contactpunt werkt niet zo goed; komt er een aparte directie voor MVO, wordt er beleid gevoerd?
De staatssecretaris spreekt grote woorden over MVO, maar hoe staat het met de daden? De winst van dit debat zal van het Nederlandse bedrijfsleven moeten komen en de heer Vendrik zou een jaarlijkse monitoring willen afspreken om voortschrijdend inzicht in de praktijk mogelijk te maken.
De Kamer heeft de staatssecretaris bij de begrotingsbehandeling na het debat van een halfjaar geleden nogmaals uitgedaagd, in maart 2001 een plan van aanpak voor de opzet van een kenniscentrum te presenteren, inclusief de financiering. In de schriftelijke antwoorden is vooral aangegeven wat het kenniscentrum niet zal zijn, maar nu zal toch ook de vraag beantwoord moeten worden, want het wél zal zijn. Waarom mag het geen onderzoeksinstelling zijn? Het is toch juist de taak van een kenniscentrum om zoveel mogelijk informatie te verzamelen? De heer Vendrik vindt dat er met de start van zo'n centrum niet op het advies van de Raad voor de jaarverslaggeving gewacht hoeft te worden; enige haast is toch wel geboden als het kenniscentrum per 1 januari 2002 van start zou moeten gaan. Deze raad heeft al geruime tijd geleden de aanbeveling gedaan om bedrijven op vrijwillige basis in de jaarrapportages iets te laten opnemen over de maatschappelijke kant van hun bedrijfsvoering, dus wat wil de staatssecretaris met deze adviesaanvraag?
Verder vindt de heer Vendrik het jammer dat de rapportage naar aanleiding van de motie-Verburg pas in september zal verschijnen. Hij wil wat meer vaart in het debat over de overheid als ondernemer.
Ook in de sector van de banken en de pensioenfondsen, die in Nederland zeer omvangrijk is, is men bezig met MVO. De minister van Financiën heeft enige tijd geleden toegezegd dat hij zou nagaan wat dit zou kunnen betekenen voor de positie van de Nederlandse overheid.
Wanneer komt de reactie van de regering over het onderzoek dat zij door KPMG heeft laten uitvoeren op het gebied van «consumer concerns»? De heer Vendrik veronderstelt dat het aspect MVO in die reactie een zeer prominente plaats zal innemen. Hij is in dit verband ook benieuwd naar de rol van keurmerken; er blijkt bijvoorbeeld dat internationale keurmerken lang niet afdoende zijn om de milieukwaliteit van het geleverde hout te garanderen. Dit heeft ook te maken met transparantie; waar kan de consument op vertrouwen?
Toepassing van het mededingingsbeleid door de NMa kan afspraken van bijvoorbeeld supermarkten met biologische boeren om de ketenbenadering in praktijk te brengen in de weg staan. In de huidige situatie kan de minister van Economische Zaken zo'n beslissing overruien, maar als de verzelfstandiging van de NMa doorgaat, kan zoiets niet meer. De heer Vendrik sluit zich aan bij de vragen en opmerkingen van mevrouw Verburg over de rol van de ngo's.
De manier waarop de staatssecretaris de motie over het financieel buitenlandinstrumentarium in de brief heeft uitgevoerd, is de heer Vendrik meegevallen. Ook hij is benieuwd, hoe een MVO-toets nu precies in de praktijk gestalte zal krijgen. Hij vraagt zich wel af of uit de brief inderdaad opgemaakt moet worden dat de toetsingscriteria bij een zeer concurrerende markt niet zonder meer onverkort zullen worden gehanteerd. De overheid zal met het oog op een level playing-field toch niet aan bedrijven toestaan om steekpenningen te betalen omdat andere bedrijven dat doen? De heer Vendrik sluit zich aan bij de stelling van mevrouw Verburg dat een beetje integer zijn niet mogelijk is en dat dus ook een beetje corruptie niet toegestaan kan worden.
Ten slotte vraagt de heer Vendrik de staatssecretaris, nader in te gaan op de onderhandelingen in de OESO over met name het exportkredietverzekeringsinstrument. Hij heeft begrepen dat het internationale bedrijfsleven nogal heftig gereageerd heeft op de Nederlandse ideeën om transparantie te bevorderen en een MVO-toets op dit instrument los te laten.

Het antwoord van de regering

De staatssecretaris schetst als achtergrond bij het financieel buitenlandinstrumentarium dat waar de overheid instrumenten en publieke middelen inzet op buitenlandse markten zij uit dien hoofde meer mag vragen dan vrijwilligheid of zelfregulering ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
In de eerste plaats vraagt de regering als een soort ingangseis aan bedrijven die gebruik willen maken van het instrumentarium, kennis te nemen van de OESO-richtlijnen en zich ervoor in te spannen, deze naar vermogen na te leven. Toepassing van deze richtlijnen is de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven, daarbij ondersteund door het contactpunt. In de tweede piaats zijn er op een drietal terreinen specifieke toetsingscriteria opgesteld, als afwijzingsgronden bij het toetsen van aanvragen: corruptie, milieu en sociale omstandigheden. De staatssecretaris noemt deze benadering ambitieus, omdat Nederland hierbij voorop loopt, maar ook reëel en uitvoerbaar, omdat er voor MVO een groot draagvlak bij het Nederlandse bedrijfsleven is. Een bijkomend effect is dat de bekendheid van de OESO-richtlijnen steeds groter wordt. De regering heeft met het oog op de uitvoerbaarheid en een duurzame acceptatie van MVO door het bedrijfsleven bewust gekozen voor een toets per activiteit, niet per bedrijf. En in de derde plaats is er volop aandacht voor monitoring en handhaving. Als een bedrijf bij een door een overheid ondersteund project maatschappelijk onverantwoord handelt en op dat vlak bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan de overheid haar steun intrekken of wijzigen.
Verder zal de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB), dat bij de Kamer in behandeling is, de mogelijkheid bieden om bij strafbare feiten subsidies te weigeren of in te trekken. Bij andere problemen met de naleving van de OESO-richtlijnen is er vooral een taak voor het Nationaal contactpunt om te verduidelijken, te ondersteunen en te beoordelen wat redelijk en billijk is, maar het NCP is geen rechtsprekende instantie. Een van de taken van het NCP is rapporteren over de uitvoering van de OESO-richtlijnen in Nederland. De jaarlijkse rapportage zal uiteraard ook aan de Kamer voorgelegd worden, zodat er ten minste eenmaal per jaar gelegenheid zal zijn om de voortgang op het gebied van MVO te bespreken. Dit zal de transparantie bevorderen, wat naar verwachting een positief effect op het bedrijfsleven zal hebben, want alleen al het in de publiciteit brengen van het gebruik van kinderarbeid voor bepaalde producten had onmiddellijk een corrigerende werking op het betrokken bedrijf.
Flexible response houdt in dat een uitvoeringsorganisatie gebruikmaakt van de kennis van MVO die zij opbouwt om na te gaan, aan welke punten zij bij de toetsing van projecten aan de drie in de brief aangegeven criteria extra aandacht moet besteden. Willekeur is uit den boze; de toetsingscriteria dienen vooraf duidelijk te zijn.
Het Nationaal contactpunt bestaat al geruime tijd, maar het maakt nu eigenlijk een nieuwe start op basis van de herziene richtlijnen. Bij de uitvoering van zijn taken, waaronder het zoveel mogelijk bekendheid geven aan deze richtlijnen, werkt het NCP nauw samen met organisaties als VNO/NCW. Het raadpleegt enige malen per jaar de sociale partners afzonderlijk en de betrokken ngo's.
Er is op de begroting van EZ al geld gereserveerd voor het kennis- en informatiecentrum, anders zou het ook niet per 1 januari aanstaande van start kunnen gaan. Overigens zal het centrum inderdaad ook een promotiefunctie krijgen, maar geen ombudsfunctie. Het NCP zal wel een dergelijke functie krijgen, omdat het de taak heeft, in voorkomende gevallen oplossingen te vinden, ook om juridisering te voorkomen. Bij corruptie is juridisering echter voor een deel niet te vermijden omdat dan in veel gevallen de justitie ingeschakeld dient te worden. Deze elementen zullen vanzelfsprekend in de rapportage in september en zeker in de definitieve opzet voor een kenniscentrum nog wat scherper geformuleerd aan de Kamer worden voorgelegd. De ombudsfunctie van het NCP zal verder nog in de praktijk vorm moeten krijgen.
Onder de huidige wetgeving zijn er zo'n 260 bedrijven verplicht, te rapporteren over de milieuaspecten van hun bedrijfsactiviteiten; er is geen informatieplicht als het gaat om de naleving van het arbeidsrecht en de mensenrechten.
Bij het beoordelen van de milieu-implicaties speelt zowel het OESO-akkoord als de OESO-richtlijnen een rol, uiteraard in hun onderlinge samenhang. Het uitgangspunt bij deze toets is het hanteren van algemene en concreet toepasbare criteria. De richtlijnen kunnen dus niet zonder meer in een milieutoets worden omgezet. De staatssecretaris is het met de heer Koenders eens dat er hierbij gestreefd moet worden naar het maximaal haalbare; de regering kiest ook op dit punt een ambitieuze aanpak.
De regering verwacht geen verhoging van de administratievelastendruk als gevolg van de MVO-maatregelen, want het gaat om de inzet bij de toepassing van OESO-richtlijnen. Aan de hand van het advies van de Raad voor de jaarverslaggeving zal ook aan dit aspect nog aandacht besteed worden, want de regering onderschrijft het streven naar het zoveel mogelijk beperken van de administratieve lasten. Het ACTAL heeft tot taak, aan de bel te trekken als een maatregel leidt tot verzwaring hiervan, maar de MVO-maatregelen zijn daar niet specifiek aan voorgelegd, omdat het daarbij niet om wet- en regelgeving gaat.
Nederland gaat met de vraag aan bedrijven om de OESO-richtlijnen te onderschrijven en een inspanningsverplichting aan te gaan om deze na te leven verder dan het buitenland, maar ook in Nederland hebben bedrijven de vrijheid, zelf te bepalen hoe zij hieraan in de praktijk invulling geven. De staatssecretaris sluit zeker niet uit dat dit Nederlandse initiatief zal worden nagevolgd door andere OESO-landen. De instrumentenbrief zal ook in het Engels vertaald ter informatie aan de OESO-partners toegestuurd worden.
De regering is bezig met het opstellen van een leidraad voor het handelen van de overheid als ondernemer. Om de toepassing daarvan in de praktijk kans van slagen te geven moet er rekening worden gehouden met Europese en internationale regelgeving. Op dat punt is er nog nadere informatie van de Europese Commissie nodig. Het wachten is bijvoorbeeld nog steeds op een «mededeling» over sociale overwegingen bij aanbesteding. Ook het Europees Parlement heeft hierover nog geen oordeel gevormd. Verder heeft de regering aan KPMG gevraagd, na te gaan wat er met zo'n leidraad in de praktijk zou kunnen worden gedaan, ook bij de instanties waarmee de overheid bij inkoop te maken heeft en de partijen waarmee zij geregeld zaken doet. De staatssecretaris hoopt dat binnen twee maanden het resultaat van dit onderzoek bekend zal zijn en er zal nog vóór de zomer een workshop plaatsvinden. Ook aan de overige aspecten van do motie-Verburg zal in de rapportage in september aandacht worden besteed.
De ngo's tonen veel belangstelling voor MVO en het past ook bij de taakopvatting van heel veel ngo's dat zij het MVO-beleid van bedrijven kritisch volgen, ook internationaal. De overheid zou ook geen eigen opsporingsinstantie in het leven kunnen roepen om alle bedrijven te controleren. De staatssecretaris voelt er niet voor, de ngo's ais opsporingsinstanties voor de overheid te laten fungeren en zulke activiteiten ook te financieren, omdat dit buitengewone zorgvuldigheidsmaatregelen zou vergen. Er is ook een heel juridisch kader voor. De overheid subsidieert de ngo's wel als medefinancieringsorganisaties, dus in die zin steunt zij deze in hun belangrijke werk. Bij het gestructureerde overleg met ngo's, vakbonden en bedrijven is MVO ook altijd een agendapunt.
De regering heeft met de adviesaanvrage aan de Raad voor de jaarverslaggeving een suggestie van de SER gevolgd. De raad heeft zich tot nu toe voornamelijk gericht op de wettelijke normen, maar hij heeft ook belangstelling voor de trend in de richting van internationale verslaglegging. Er wordt in internationaal verband ook gewerkt aan criteria voor vrijwillige maatschappelijke verslaggeving. De staatssecretaris hoopt dat de raad op dit terrein deskundigheid zal ontwikkelen en deze ten goede zal laten komen aan het gevraagde advies over mogelijkheden en praktische aanbevelingen om vrijwillige verslaglegging over MVO te stimuleren en te ondersteunen, vooral als het gaat om kleinere bedrijven. Hij zegt toe, de Kamer de adviesaanvraag ter kennisneming toe te sturen.
De staatssecretaris verzekert de Kamer dat maatschappelijk verantwoord ondernemen ook bij het ministerie zelf een belangrijk beleidsonderwerp is. Sinds 1 april jl. is er een directoraat-generaal dat zich bezighoudt met het ondernemingsklimaat, waarbij MVO een belangrijke rol speelt. De volgende rapportage over MVO zal vervat worden in de memorie van toelichting op de volgende begroting. Hij toont zich daarnaast bereid, zijn collega van Financiën te herinneren aan diens toezegging om MVO aan de orde te stellen bij de banken en pensioenfondsen.
De NMa ziet toe op eerlijke concurrentieverhoudingen; daarin passen geen prijsafspraken binnen een sector en ook geen ketenafspraken. Zaken die wenselijk zijn met het oog op MVO passen daar wel heel goed in, maar regelgeving op het gebied van MVO mag niet leiden tot beperking van de concurrentie. Voor het overige verwijst de staatssecretaris naar de behandeling van het voorstel tot verdere verzelfstandiging van de NMa. De regering zal zich in internationaal verband actief blijven opstellen. Dit jaar zal zij samen met de Wereldbank nog een conferentie over MVO organiseren. De staatssecretaris stuurt ook geregeld informatie op dit terrein naar de Europese Commissie en naar de OESO-partners.
Verder zegt de staatssecretaris toe, de uitkomsten van het overleg in juli over het grotestedenbeleid in relatie tot maatschappelijk verantwoord ondernemen aan de Kamer voor te leggen. Hij heeft geregeld overleg met gemeentebesturen over de economische aspecten van het grotestedenbeleid en hij heeft afspraken gemaakt met de VNG en de wethouders van de vier grote steden over het stimuleren van MVO bij vooral de kleinere bedrijven.
Bij de opzet van een kennis- en promotiecentrum zal zeker gebruikgemaakt worden van de ervaringen in andere landen, zoals Noorwegen. De weerslag hiervan zal te vinden zijn in de rapportage in september. De staatssecretaris is het ermee eens dat ook een beetje corruptie of een beetje smeergeld absoluut uit den boze is. Bij de door mevrouw Verburg bedoelde gelegenheid wilde hij alleen aan de orde stellen dat het openbaar ministerie nu duidelijkheid zal moeten verschaffen over het vervolgingsbeleid, nu omkoping van buitenlandse ambtenaren strafbaar is gesteld, opdat bedrijven weten waar zij aan toe zijn.
Een brief om de implicaties van het onderschrijven van de OESO-richtlijnen aan te geven acht de staatssecretaris niet zo zinvol, omdat die al uitgebreid aan de orde zijn gekomen. Hij vindt het belangrijker, nu de praktijk te gaan volgen en de Kamer daarover te blijven rapporteren om haar in staat te stellen, desgewenst steeds bij te sturen.
Waarschijnlijk zal de Kamer nog vóór de zomer een notitie bereiken over consumentenbeleid, waarin ook de door de heer Vendrik genoemde aspecten belicht zullen worden.
Ten slotte geeft de staatssecretaris aan dat hij wel iets ziet in een «Triple P-prijs», maar daartoe zou het bedrijfsleven zelf het initiatief moeten nemen. Hij zal zo'n initiatief graag ondersteunen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Biesheuvel

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Tielens-Tripels

KST54691
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2001
Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 26 485, nr. 17



pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 3 augustus 2001